[203:] LV.
Hij ging de kamer
uit naar beneden, in de huiskamer, waar alles er keurig uitzag als in
een onbewoond vertrek, de ramen waren hermetisch gesloten achter de
blauwe horren en de geplooide gordijntjes; over de canapé en
stoelen die stijf als soldaten langs den muur geschikt waren, lagen
overtrekken van geel katoen, de lamp was in rose gaas gewikkeld; het
buffet en de groote linnenkast glommen als spiegels en de koperen belegsels
weerkaatsten de rose zonnestralen, die door de ramen naar binnen drongen;
een lucht van gesmolten was en terpentijn steeg op uit den geboenden
vloer. Een hoop gesmeerde boterhammen en een groote taart van stijf
deeg met gestoofde kersen, de echte limburgsche vla, stonden in het
midden der tafel; een flinke koffiekan dampte op het komfoor, alles
noodde tot eten en drinken uit.
Iwan's eerste beweging was, de ramen zonder eenige verschooning voor
gordijnen en horren open te werpen en de frissche lucht, door de avond
koelte getemperd, naar binnen te lokken; toen zette hij zich neer en
verklaarde aan Kaatje dat hij honger had voor drie.
"Eet, meneer Iwan, eet! Ik zet het niemand liever voor dan u. Den
heer daar boven kan men het nooit naar den zin maken. Hij eet niets
als meelspijzen, voor de geesten, weet u, maar hij is zoo lastig. 't
Is altijd te heet of te koud, te flauw of te zout! Denkt u dat ik hier
langer zou blijven in dit vreemde land, als ik geen hoop had eens voor
u te kunnen koken en uw bed te schikken?"
En zij schonk hem koffie in en vroeg of ze sterk genoeg was; hij vond
alles heerlijk, alles volmaakt en deed haar tafel eer aan.
"Kom Kaatje, vertel me eens iets. Hij is onveranderd, niet waar?"
"Ach jonge heer. . . ."
"Zeg toch Iwan, Kaatje, wie heeft er meer recht toe dan jij?"
"Nu dan Iwan, ik zou dikwijls denken dat het boven niet pluis is
en dat de duivel er meer van weet. Daar hoort men soms zulke nare dingen
en er komen aller
[204:]
lei vreemde lui
van Aken of Luik. . met lange baarden en lang haar en ik geloof dat
zij meneer een boel geld kosten en waartoe het dient, ik weet het niet.
Ik heb er dikwijls met den pastoor over gesproken maar deze zegt dat
hij er niets aan doen kan, en dat ik maar trouw moet bidden opdat meneer
een zalig sterfuur moge hebben, waaraan ik erg twijfel. Daar woont in
Arendsberg een heer uit Holland en die brengt ze allen hier. Ik geloof
dat het een bedrieger is. Ik zou willen dat u er eens onderzoek naar
deed."
"Elk zijn smaak, Kaatje, dat is het voordeel als men alleen op
de wereld is, dat men al zijn liefhebberijen ongestoord volgen kan.
't Ergste is als de tijd komt dat men geen liefhebberijen meer heeft.
Wat zou vader wezen zonder zijn klopgeesten? Nog meer verveeld dan ik."
"Maar Iwan, ik dacht dat u hier niet anders zou teruggekomen zijn,
dan met een lieve vrouw; meneer vertelde mij 't vorige jaar dat u aan
trouwen dacht."
"Zoo, was dat voor hem de moeite van het vertellen waard! 't Is
zoo geweest, Kaatje, ik heb op trouwen gestaan."
"En is zij gestorven?"
"Voor mij is zij dood, ja! maar overigens leeft zij nog en is misschien
zeer gelukkig."
"Hoe jammer, hoe jammer!"
.Dat weet ik niet of 't jammer is, Kaatje!"
"Heeft u haar portret nog?"
Iwan nam zijn zak portefeuille en haalde er een photographie uit, die
hij Kaatje overreikte.
Zij ging bij het raam staan en hield het portret op armslengte van zich
af om beter te kunnen zien.
"Wat een prachtige vrouw!" riep zij bewonderend uit, mooier
dan de koningin!"
"Ik wil 't gelooven, zij was ook prinses."
"Een prinses. Wel allemachtig! Och, och, wat is 't dan toch zonde,
dat het niet doorgegaan is. Heeft u onaangenaamheid gehad, als ik zoo
vragen mag."
"Zoo'n beetje."
"En zou 't niet meer bijgelegen kunnen worden," vroeg zij
in haar hollandsch dialect, dat een meer
[205:]
dan twintig-jarig
verblijf in Limburg haar niet had kunnen ontnemen.
"Neen, nooit," was 't vaste antwoord. Intusschen legde hij
het portret weer op zijn plaats, maar langzaam, met de oogen strak er
op gevestigd.
"Jonge heer!" riep Kaatje triomfantelijk, "nu zie ik
't, u is in uw hart nog gek op die mooie dame, anders had u haar portret
wel verscheurd en keek u er niet zoo oplettend naar."
Iwan legde zijn boekje weg en glimlachte treurig.
"Hij ziet precies mevrouw . . . zaliger, ik mag misschien geen
zaliger zeggen omdat zij zoo gestorven is, maar het arme schepsel was
niet bij haar verstand en Onze Lieve Heer is barmhartig," zeide
Kaatje in zichzelf.
"Ik zie en bewaar graag iets moois, Kaatje!" verzekerde Iwan
en dronk zijn kop koffie leeg; toen stak hij een sigaar op en drentelde
het huis uit, hij beklom den heuvel en boven gekomen strekte hij zich
op het gras uit en staarde naar beneden naar het vredige dal met dezelfde
oogen, die zoo veel aanschouwd hadden, zoo veel trotsche natuurtafereelen,
zooveel wonderen van kunst, zooveel tooneelen van ellende en geweld.
Het was weer een zoete kalmte, die hem omringde maar hoe verschillend
van dien tropischen nacht met zijn weelde van sterren en bloemengeuren,
met zijn heerlijke gedachten aan een schoone bruid en een schitterende
toekomst.
Hij kende elke boerenhut in de nabijheid, elke toren in de verte bij
name, hij wist juist de plek, waar boomen hadden gestaan, die nu weg
waren gekapt, waar het riviertje een kromming maakte, of waar kleine
bronnen zich verborgen hielden.
Aan alles waren herinneringen verbonden uit zijn wilde jongensjaren;
veel gedeugd had hij misschien niet, maar toch, hij was populair geweest,
men mocht den zoon van den baron gaarne, hij was goedig en niet valsch.
Later zag men hem altijd met genoegen terugkomen en hoopte dat hij zich
eens op den Blinkert zou vestigen. Zich vestigen, zou dat ooit gebeuren;
het leven lag nog steeds voor hem als een blok steen dat hij bewerken
moest, maar hoe? 't Werd tijd eens
[206:]
te beslissen, dat
doellooze reizen, die jacht naar avonturen verveelde hem. Vroeger had
hem steeds de wil ontbroken om kalm zijn ankers uit te werpen, vroeger
had hij slechts in afwisseling van indrukken geluk gezocht, nu lachte
hem niets meer toe dan een leven op één plek doorgebracht
des noods, gericht op een enkel doel, maar alléén?
Hij had het genoeg gevoeld in de laatste maanden dat zijn liefde voor
Corona dieper geworteld was dan hij 't zelfs meende in de gelukkigste
dagen hunner verloving; het uitwortelen van den eeuwigen wonderboom
der liefde had hem anders zoo veel moeite, zooveel pijn niet gekost,
zonder dat hij er nog geheel in slagen kon.
Overal waar hij ook ging, vervolgde hem haar beeld, zooals zij hem verschenen
was op den avond van Hermelijn's aankomst te midden van vuur en bloemen,
zooals hij haar gezien had tusschen de zwaveldampen van den krater toen
hij haar zijn liefde toefluisterde, op den laatsten morgen van hun samenzijn
aan den ingang van het rozenparadijs, eindelijk op het laatst toen zij
voor hem stond, nog schoon in haar woede.
En steeds gloeide die pijn op zijn gelaat en deed hem aan haar denken
in machteloozen toorn. Hoe had zij zich gevoeld na zijn vertrek; was
er berouw in haar ziel gekomen? Maar waarom hem niet geschreven, waarom
toen nog niet de voldoening aaneboden die hij vraagde, misschien of
hij dan niet had kunnen vergeven, maar nu was alle verzoening onmogelijk,
de wond was te diep, veel te diep in zijn hart gebrand.
Als hij die pijnigende gedachte maar verdrijven kon, doch neen, alles
had hij beproefd, vergeefs! Zijn leven was voor goed gebroken, zoo hij
niet met kracht den band met het verledene verscheurde maar hij had
niet eens den moed om te scheiden van haar portret; Kaatje zelfs, die
goede, eenvoudige ziel had een bewijs gevonden voor zijn liefde in het
bewaren van haar 'beeltenis.'
Neen, hij moest een kort besluit nemen; als hij hier eens bleef, een
nieuw huis bouwde op dezen heuvel en zich op den landbouw toelegde,
een modelhoeve
[207:]
stichtte, een stoeterij
oprichtte, de een of andere blozende landfreule tot vrouw nam, dat waren
plannen, die hem bezighielden; 't was iets anders dan uitgebreide koffieplantages
te beheeren, den toestand der Javanen te verbeteren, een Corona de zijne
te noemen, voor en met haar te werken, haar lief te hebben, haar te
vereeren. Och, och! wat was zijn leven verbleekt! Dwaze! nu dacht hij
weer aan niets dan aan haar; die bladzijde uit zijn levensboek moest
uitgescheurd worden, dan zou het overige mischien nog iets waard kunnen
zijn.
Hij stond op en trachtte zich alleen bezig te houden met zijn modelhoeve,
toen ging hij den heuvel af, bezocht de stallen, maakte met den knecht,
die nog niet lang in dienst was, maar van Kaatje veel over den jongen
heer had gehoord, een praatje, bezocht den halvert, zette zich met den
man neer op de bank onder de linde en dronk een glas echt limburgsch
bier.
De halvert vertelde veel over den toestand der landerijen en van het
vee, had het druk over de slechte tijden en slechte menschen en Iwan
scheen aandachtig te luisteren, voor niets meer oog en oor hebbende
dan voor de verhalen van den landbouwer.
"Jonge heer, jonge heer!" riep Kaatje's schelle stem, "het
eten is klaar."
"Alweer," zeide Iwan glimlachend en trad in de kamer, waar
geurige pannekoeken en sla het smakelijk avondeten uitmaakten en een
zwaar bestovenflesch wijn, zoo pas den kelder verlaten, hem wachtte.
"Hou me gezelschap, Kaatje, zet je daar neer," sprak hij vriendelijk,
"ik heb zoo dikwijls onder vreemden gegeten, dat ik nu verlang
naar een bekend gezicht tegenover mij."
"Zal ik den jongen heer zeggen, waar hij nu het meest behoefte
aan heeft," vroeg de oude meid glimlachend.
"Waaraan dan Kaatje?"
"Aan een eigen huis en haard, Iwan!"
"Ik geloof dat je gelijk hebt, Kaatje!"
En hij liet, het hoofd in de handen vallen en mijmerde een poosje voort
zonder het eten aan te raken tot Kaatjes groote teleurstelling.
[208:]
"Gekke jongen,"
zeide hij tot zich zelf, "wat overkomt je van zoo te droomen! Je
hadt er nooit aanleg toe! maar 't is hard, de wereld geheel alleen te
doorkruisen, en, t'huis gekomen, niemand te vinden dan een oude meid,
die zich over den terugkeer van den verloren zoon verheugt."
"Men wordt dat eeuwige reizen eenmaal moe, dat kan niet anders,
jonge heer!" ging Kaatje voort, "en als men dan eenmaal tot
rust komt, een lief vrouwtje vindt en spoedig een paar aardige kindertjes
krijgt, dan is men blij dat alles gehad te hadden en er rustig over
te kunnen praten."
"Zou je denken dat ik een goed huisvader zou worden, Kaatje?"
"Wel zeker, mijnheer, zulke woeste jongens worden gewoonlijk de
beste mannen en de beste papa's. 't Is goed als die wilde haren er maar
voor het trouwen afvliegen."
"Och kom, aan wildheid heeft het anderen ook niet ontbroken en
toch. . . wat is er van gekomen?"
"O Iwan, dat is heel iets anders. U is niet te vergelijken met
den ouden mijnheer, want dien bedoelt u toch! Uw streken zijn van een
heel andere soort."
De goede vrouw had gelijk, de beschaafde, gehandschoende losbandigheid
zijns vaders had hem steeds afschuw ingeboezemd; nimmer zou hij de ondeugd
der zoogenaamde jeunesse dorée hebben willen deelen; afkeer van
regel, van dwang, van welke soort ook, was het hoofdgebrek zijns levens
geweest; nu echter voelde hij een soort van behoefte aan banden, welke
ook.
"Weet u, jonge heer," ging zij voort, "waaraan u mij
doet denken?"
"Nu dan, Ka?"
"Aan een vogel, die een schot op de vleugels heeft gekregen en
niet meer vliegen kan."
Thoren van Hagen lachte hartelijk maar toch merkte de trouwe ziel tegenover
hem, dat die lach gemaakt was.
"Ik ben vleugellam; 't kan zijn! Het beste is dan maar dat ik mijn
vleugels niet meer gebruik om door de wereld te vliegen. Weet je wat,
Kaatje, je moest een vrouw voor me zoeken; neem morgen je korf aan
[209:]
den arm en ga eens
in de buurt rondkijken of er geen aardig meisje te vinden is."
"Jonge heer, dat is natuurlijk gekheid, maar meent u het waarlijk,
zou u dat heusch willen?"
"Zeker, Kaatje, zeker, weet je er geen, maar ze moet blond wezen
en klein en erg, erg zacht. Verder kan 't me niet schelen of het een
boerin of een freule is. Ken je er zoo een?"
"Laat eens kijken! Trinette van den notaris, o neen, dat is een
echte kweggel, zoo als ze hier zeggen voor een nuf, die zou u niet bevallen,
de freule van het Eest, maar dat is een vervelende kwezel, Mimi, de
dochter van den meester, die is blond en zacht en heeft zulke mooie
blauwe oogen, maar dat is toch geen vrouw voor u, die met een prinses
verangegeerd is geweest."
"Juist daarom, Kaatje, Mimi moet mij de prinses doen vergeten.
Verzoek ze hier op de koffie, dan kom ik eens binnen en maak een praatje."
"Hier is de gazet, mijnheer!" zoo klonk de stem van het dienstmeisje
door de kier van de deur.
"Hé, laat eens zien!" sprak Iwan, "ik heb een
hollandsche courant in zoo lang niet onder de oogen gehad."
Kaatje, die er niet ontevreden over was, dat Hubertine haar in volle
glorie tegenover den jongen mijnheer zag zitten, stond spoedig op om
te voorkomen dat het meisje met haar klompen op den frisch geboenden
vloer zou stappen, waggelde naar de deur, nam de courant aan en reikte
ze haar pleegzoon over. Met een glimlach keek Thoren van Hagen den inhoud
langs en las de berichten, nog altijd in datzelfde Duitsch-Hollandsch
geschreven, van vroeger; hij vond daar vele feiten bestatigd, verdiensten
aan erkend, dingen versproken, zag de advertentiën door van candidaten
voor de een of andere verkiezing, die zich zelf aanboden en beloften
gaven, welke toch zeker van plan waren niet te houden, getuigenissen
omtrent beginselvastheid, welke niemand vertrouwde, warme aanbevelingen
van eenige kiezers om op X in plaats van IJ te stemmen, vergezeld door
leelijke verdachtmakingen van de tegenstanders.
"Niets veranderd, niets!" dacht Thoren van Hagen,
[210:]
"ik ben dezelfde
niet meer: Kom, wie weet of mijn naam ook niet eenmaal op die vierde
bladzijde met groote letters zal prijken of ik mij niet hoogachtend
en minzaam aan heeren kiezers aanbeveel, wier belangen ik op de civielste
wijze zal behartigen. Wel zeker, ik ga hier mijn tenten opslaan en zal
met Mimi kennismaken. Hè wat beteekent dat. . . Ramp op Java,
uitbarsting van den Merawoe."
Kaatje zag dat haar jonge mijnheer plotseling verdiept raakte in de
lezing van de gazet, dat zijn wenkbrauwen zich plotseling samentrokken
en een doodsbleeke kleur zijn wangen bedekte.
"Vreeselijk. . . vreeselijk!" mompelde hij.
"Maar wat is er toch gebeurd, jonge heer?" vroeg zij bezorgd.
"Och, een groot ongeluk op Java, waar ik nog onlangs, . . ik bedoel
het vorige jaar, geweest ben. Je moest mij eens alle couranten van den
laatsten tijd bij mekaar zoeken, Kaatje! daar vind ik misschien iets
naders. Morgen ga ik naar Maastricht. Mej. de G. zwaar gewond, mevrouw
van A. - dat is Dolly - dood gevonden, het landhuis ingestort. Maar
wat gaat het mij eigenlijk aan en toch. . . toch. . ."
Alle fraaie plannen van huwelijk en vestiging waren voorloopig tot onbepaalden
tijd uitgesteld.