XLIV.
Den volgenden morgen
terwijl de heer de Géran op zijn kantoor zat kwam Thoren van
Hagen bij hem binnen.
"Ik moet u spreken, mijnheer de Géran!" zoo begon hij
met een zeer ernstig gezicht.
"Nu, ik luister, Thoren, wat heb je op 't hart?"
"Om te beginnen wil ik u bekennen dat het mij zeer verwonderd als
lid uwer familie opgenomen te zijn zonder dat u eenige vraag heeft gedaan
over mijn toekomst, mijn middelen van bestaan, mijn fortuin."
"Waartoe zou 't dienen? Corona is rijk en kan met den armsten bedelaar
trouwen als hij haar bevalt. En wat je toekomst betreft, zij is oud
en wijs genoeg evenals jij om die samen te regelen."
"Ik moet u bekennen dat we over dit belangrijke punt nog zeer weinig
gesproken hebben maar ik heb
[117:]
er toch over nagedacht.
Die voortdurende werkeloosheid deugt niet voor mij, ik moet iets te
doen hebben en vraag u daarom mij een opzichtersplaatje ergens op uw
landen te geven, waar ik gelegenheid heb met de koffiecultuur bekend
te raken,"
De Géran zag hem aangenaam verrast aan.
"Is je dat meenens, Iwan?"
't Was voor 't eerst dat hij zijn aanstaanden schoonzoon bij den voornaam
noemde.
"Natuurlijk, papa!" antwoordde hij er dadelijk kordaat op.
"Ga zitten, ik moet je spreken; met dat te vragen, vervul je een
van mijn liefste wenschen. Ik ben niet jong meer, ik zie er kras uit
voor mijn leeftijd, in Europa zou ik mij misschien nog voor 30 jaar
kunnen verzekeren, maar Inlandsche kinderen worden niet oud; mijn hart
is daarenboven niet in orde, ik kan 't nog eenige jaren volhouden, maar
evengoed kan het morgen gedaan zijn."
"Dat zou ik en een ander ook kunnen zeggen."
"Maar niet met hetzelfde recht als ik. Welnu, je hebt gezien, wat
een belangrijke onderneming de mijne is; ik heb de bezitting van mijn
vader aanmerkelijk vermeerderd; de erfenis, die ik elk mijner kinderen
nalaat is even groot als die ik alleen van hem ontving. Ik kan even
trotsch zijn op mijn erfgoederen als de graven de Géran het eens
waren op de hunne, maar na mijn dood wordt alles versnipperd; het werk
waarvoor ik jaren lang arbeidde, zal in mekaar storten zoodra ik er
niet ben, wanneer de leidende gedachte, het besturende hoofd ontbreekt."
"En u heeft zoovele zoons en schoonzoons?"
"Ik heb ze werkelijk maar hier o vertreft de hoeveelheid de hoedanigheid!
Wien zou je als mijn opvolger kunnen aanwijzen? August is een nauwkeurige
machine, Guillaume een lichtzinnige jongen met een verkwistende, onverstandige
vrouw, Portias een onpractische artist, Akkeveen een bekrompen huistyran;
Conrad is vlug en ernstig vooral nu zijn vrouw hem verstandig weet te
leiden, mettertijd zou ik van hem iets kunnen maken, maar op het oogenblik
is hij nog te jong; er staan te veel boven hem in ancienniteit, de jongeren
met
[118:]
Philip aan het
hoofd komen natuurlijk in 't geheel niet in aanmerking. Ware Corona
een man geweest. . . ."
"Daar had ik veel tegen gehad," schertste Iwan.
"Zij weet meer van de zaken dan een der jongens, die altijd in
de koffietuinen rondloopen, Coen misschien uitgezonderd, maar ze vreezen
haar meer dan ze van haar houden. Wanneer ik er niet meer was, zou zij
met veel tegenstand moeten kampen, zij zouden haar alles misgunnen,
zelfs wat haar wettig toekomt."
"Maar ik ben er nog!"
"En dat stelt me gerust, daarom, Iwan, is mij je voorstel zoo welkom.
Ik acht je volkomen berekend mijn plaats in te nemen, Corona bij te
staan, goed te maken, waar zij, door de eigenaardigheden van haar karakter,
de anderen voor het hoofd stoot en van zich vervreemdt. Ik zal je op
de hoogte brengen van den stand mijner zaken en dan mijn testament zoo
inrichten. . ."
"Maar, mijnheer de Géran, waar denkt u aan? Ik zou me dringen
in uw zaken, ik zou iets vóór krijgen op uw andere kinderen?"
"Rechten maar ook zware pitchten Iwan, die ik alleen op uw schouders
kan leggen; wees echter gerust, ik zal niet beschikken zonder je te
raadplegen, zonder je volkomen instemming."
"U is te goed, u denkt te gunstig over mij!"
"Ik geloof dat je alle bekwaamheid er toe zult bezitten, als de
wil niet ontbreekt."
"Maar u begrijpt toch wel, dat ik de geheele kolonie niet als een
kudde gehoorzame schapen zal kunnen leiden?"
"Waarom niet? Je bent Corona geheel meester geworden, haar, die
nooit iemand vreesde of gehoorzaamde, zelfs mij niet en je zoudt geen
overwicht over die kwajongens kunnen verkrijgen, vooral wanneer mijn
testament er je wapens toe gaf?"
"Hoor eens, papa, het oogenblik is naar we hopen nog ver verwijderd,
dat u er aan denken moet, de macht die u zoo goed in handen heeft, aan
een ander over te laten. 't Is mijn bedoeling niet geweest op uw land
eenigen invloed te verkrijgen; ik vraag u een betrekking hoe klein ook,
alleen omdat ik voel dat ik
[119:]
iets te doen moet
hebben, dat, wanneer mijn plichten als bezadigd, getrouwd man beginnen,
ik een steun moet hebben, om niet de wankelen en mijn ellendige zucht
tot verandering te overwinnen."
"Dat waardeer ik dubbel in je, Iwan, en dit besluit versterkt mij
in mijn plan; straks rijd ik naar Kaboelen waar de koffiepluk begint.
Ga je met mij mee?"
Na dien dag reed Iwan dagelijks met zijn aanstaanden schoonvader uit,
die hoe langer, hoe meer ingenomen met hem raakte, wanneer bij gelegenheid
had zijn vlug verstand en helder inzicht te bewonderen.
Corona was zeer tevreden met de voorkeur, die haar vader hem bewees;
daarbij was Iwan, nu hij iets te doen en te denken had, veel rustiger
en voor haar als het kon nog vriendelijker en hartelijker. Eens zeidehij
haar lachend:
"Ik heb nu geen tijd meer om onschuldige, heilige apen dood te
schieten en ik moet zeggen, deze bezigheid bevalt mij beter en wat denkt
"my darling" er van?"
Corona schertste terug maar toch was zij niet heel tevreden; een lastige
vraag hield haar steeds bezig en toen zij den zondag daarop in Djantong
kwam, waar Hermelijn en Conrad op allerliefste wijze de eer van hun
huis tegenover de gasten ophielden, was zij verstrooid en afgetrokken.
"Wij willen een echt hollandsch dinertje aanleggen, Coen,"
had Hermelijn gezegd, "als het je nationaal gevoel niet kwetst,
Franco Indiaan."
"Je volk is mijn volk, Hermelijn, zooals jij 't doet, zal het 't
beste zijn," antwoordde hij lachend.
"Zie zoo, dat is nu eerst verstandig gesproken maar je moet mij
helpen hoor, je teekent zoo mooi, maak nu de menu's maar eens klaar.
't Is het bruidsdiner, dat we teruggeven, moet je bedenken."
De tafel was smaakvol aangericht, met groote bouquetten, wuivend van
de pluimen der tjemara's, de menu's waren keurig uitgevoerd en de plaatsen,
aan de verschillende gasten uitgedeeld, wel gekozen.
Hermelijn zag er allerliefst uit; om haar hals droeg zij niets dan een
zilveren ketting, die Conrad voor haar gekocht had, zijn eerste geschenk
en haar daarom boven alles dierbaar. Wit en zwart waren haar hermelijn-
[120:]
achtige kleuren
weder en zooals zij daar in haar bedrijvigheid de gastvrouw speelde,
telkens met woord en wenk, Conrad, die zijn oogen niet van haar kon
afhouden, aan zijn plichten van gastheer herinnerend, kon het niet anders
of ieder moest zich tot het jonge, gelukkige paar aangetrokken voelen,
dat de grootste zaligheid genoot, die er wellicht op de wereld bestaat:
innige liefde, geheiligd en verheven door het huwelijk.
Dolly was ook tegenwoordig tot Hermelijn's groote vreugde, maar men
kon 't haar aanzien dat zij zich in het vroolijke, opgewekte gezelschap
niet op haar plaats voelde en dat haar gedachten ver van daar vertoefden,
bij het kleine, met bloemen bedekte grafje van haar Nonnie.
Iwan was opgewonden vroolijk, hij noemde Hermelijn niet anders dan zusje
en scheen vol attentiën voor haar; onder het dessert stond men
op en hij rustte niet voor zij, ondanks haar vermoeidheid en huishoudelijke
zorgen, beloofde te zullen zingen. Hij verliet Corona's zijde om met
haar muziek uit te zoeken en haar bladen om te slaan.
"Ik zal mij maar met jou troosten, Conrad," zeide Corona met
een gedwongen glimlach, "mijn man en je vrouw amuseeren zich naar
't schijnt, uitstekend met mekaar."
"Och, Hermelijntje mag wel eens wat afleiding hebben, na alle moeite,
die ze gehad heeft om mij tot een dragelijken gastheer te plooien."
"'t Hindert je dus niet als ze zoo druk met een ander bezig is?"
"Waarom zou 't mij hinderen?"
"Ik dacht dat je zoo jaloersch was."
"Zeker zou ik dat wezen, als er reden toe bestond, maar ik acht
mijn vrouw te hoog dan dat ik achterdochtig mag zijn."
Corona beet zich op de lippen, maar zij bleef zitten en zag hen met
gefronsde w.enkbrauwen aan.
"Laat Corona niet zoo alleen," fluisterde Hermelijn Iwan toe,
"ik geloof niet dat ze het graag heeft."
"Dat broer en zusje met mekaar spelen? Kom, zij is verstandiger."
[121:]
"Verbeeld
je eens, wat ze mij vroeg, of ik je den raad had gegeven werk te vragen
aan papa?"
"Ze ziet in je een soort beschermengel naar 't schijnt en mij acht
ze tot weinig goeds in staat."
Hermelijn stond op en vroeg Corona of zij niet wilde spelen.
"Ik heb mijn instrument niet bij me," antwoordde
zij koel en kort.
"Maar Coen heeft ook een viool."
"Dank je, ik laat ieder graag het zijne," werd niet zonder
bedoeling gezegd.
"Kan je voorgalerij een dansje lijden, zus Hermine?" vroeg
Guillaume.
"Welzeker, Hermine gaat spelen," zei Conrad.
"Ik had nogal gehoopt het eerste dansje met haar te doen."
"Dan heb je verkeerd gehoopt, want 't is beter dat we in 't geheel
niet dansen. Het zou Dolly hinderen."
Aan zulk een kieschheid zou geen der talrijke Gérans ooit gedacht
hebben; zij drongen echter niet verder aan en eerbiedigden de redenen
der gastvrouw.
Iwan naderde zijn aanstaande weer, maar zij was niet goed te spreken,
haar gelaat stond strak tot zijn groote ergernis; hoe zeer hij ook van
verandering hield, veranderlijk humeur van een vrouw vond hij de vervelendste
van alle vervelingen en strafte er haar voor, door zich gedurende den
loop van den avond met Kitty, Margot en zelfs Dolly bezig te houden
en zich weinig om haar te bekommeren totdat het oogenblik van heenrijden
aanbrak.
Conrad en Hermelijn waren kinderlijk blijde, dat alles zoo goed afgeloopen
was; zij hadden onuitputtelijke stof tot opmerkingen over 't geen men
gezegd had om hun dinertje te prijzen. Hermine volgde het voorbeeld
niet van andere gastvrouwen, die onweerstaanbaar bekoorlijk zijn, zoolang
de gasten aan tafel zitten en het huis vol vreemden is, maar nauwelijks
staan zij weer alleen tegenover haar man of het masker van lieftalligheid
valt af en een uitgeputte, geeuwende, ontevredene vrouw zit op dezelfde
plaats, waar zoo straks nog de beminnelijkste lachjes, de geestigste
zetten werden ten beste gegeven. Zoo was Hermelijn's
[122:]
tweede moeder geweest,
en zij had daarmede haar goeden man en stiefdochter dikwijls onuitsprekelijk
geërgerd.
Conrad No. 1.in alles was haar leus en haar eerste beweging was hem
om den hals te vallen en te zeggen:
"Ik vind ze allen heel lief en heel aardig, ik ben blij dat ze
zich geamuseerd hebben, ik verveelde mij ook niet, maar met mijn lief
ventje alleen, is het voorloopig nog het beste."
"Ja voorloopig en dan krijgt het ventje misschien een geduchten
mededinger, dan wordt hij voor één ander nog kleiner ventje
achteruitgeschoven."
"Beste man, wees daar niet bang voor, Coen is en blijft No. 1 al
zou hij ook gevaar loopen No. 13 te worden. Je weet, wat we laatst in
Gijsbrecht lazen:
"De man is zelf het hart. . . ."
"Ja, ik vond die laatste scène het mooist en het meest geschikt
om een boel vervelende dingen te vergeten. Zal je dat altijd denken,
Hermelijn, altijd van je armen Coen?"
"Altijd, en dan zullen ze ook van ons kunnen zingen:
"Waar werd oprechter trouw, en de rest."
Terwijl die twee kinderen zoo vol liefde en geluk hun feestje herdachten
en niet vermoedden, hoe vele hartstochten van minder edele soort daardoor
waren opgewekt, reden de gasten in verschillende stemming huiswaarts.
De oude heer de Géran was er niet geweest, hij hield niet van
diners en de doktoren hadden hem een zeer strengen leefregel voorgeschreven,
dien hij nauwkeurig volgde; Corona en Iwan zaten met Kitty en Portias
in de open landauer, die onder den rijk met sterren bezaaiden hemel
snel huiswaarts reed. Corona klaagde over hoofdpijn, Kitty had slaap,
zij kon 's avonds niet rijden of zij sluimerde in. Portias en Iwan hadden
het druk over een muziekquaestie; Thoren van Hagen sprak met zeer veel
gloed over het spel eener actrice, die hij als Walküre in Wagner's
Ring der Nibelungen had bewonderd. Corona luisterde met ingehouden verontwaardiging
naar zijn woorden.
De jalouzie was in haar hart geslopen en het veelhoofdige monster, dat
zij gastvrijheid verleende
[123:]
strekte zijn klauwen
naar alle zijden uit om voedsel te bemachtigen.
In het tweede rijtuig zaten Akkeveen, zijn vrouw, August en Guillaume,
die hun echtgenooten thuis hadden gelaten. Akkeveen was ook jaloersch
maar op een andere wijze dan Corona.
"Als het zoo voortgaat, raken we Cor in het geheel niet kwijt,"
zeide hij, "natuurlijk zullen ze hier blijven wonen en Thoren van
Hagen krijgt alles te zeggen zoodra de oude heer valt. Dat schijnt de
toeleg te zijn, ik heb 't sints lang gemerkt, natuurlijk is dan Hermine
de tweede "
"Een allerliefst wijfje," mompelde Guillaume.
"Maar een gevaarlijk nest, hoe onschuldig zij er uit ziet. Ik begrijp
haar plannen; berekend als dat ding is! Eerst heeft ze haar man om den
vinger weten te draaien, toen bewerkte zij haar haar vriend zal ik maar
zeggen, om.corona ten huwelijk te vragen, daardoor kreeg ze vasten voet
in het groote huis. . . ."
"Foei, Akkeveen, je weet er niets van!"
"Vrouw, bemoei je niet met dingen, die te ver boven je horizont
liggen: Je zult zien dat de oude - ik weet dat hij druk brieven wisselt
met notaris van GooI te Samarang - een testament maakt, wnardoor wij
allen achteruitgezet en als het ware vasallen worden van koning Iwan
en koningin Corona. Je weet dat de erfpacht spoedig ten einde loopt,
het zal me niets verwonderen of die zal op naam van Thoren van Hagen
worden overgeschreven."
"Massa, te erg!" riep August uit.
"Je zult het zien! Ik waarschuw je en dat weet het lieve Hermelijntje
drommels goed."
"Neen, dat geloof ik niet."
"Kom Guillaume, wees nu niet zoo idealistisch vertrouwend; ze is
een slimme vogel, ik heb 't gemerkt toen ze bij ons logeerde. Wat heeft
ze niet uit een steen als Conrad vonken weten te slaan; zij tracht nu
Iwan op haar zijde te krijgen."
"En daardoor Corona zeker te bekoren, de beste manier," voegde
Dolly er zacht tusschen.
"Laat haar begaan, zij kent haar spel, die heks; let maar op, als
de oude optrekt. . ."
[124:]
"Ik verzoek
je op een anderen toon over mijn vader te spreken, Akkeveen."
"Aan wien je zooveel verplichting, hebt, hé? Wij zitten
hier onder ons drieën, August, Guillaume en ik, we heeten dezelfde
rechten te hebben als Conrad en nu vraag ik je, wanneer zou 't in ons
hoofd opgekomen zijn, zoo'n diner te geven en zoo'n feest? Dat kunnen
ze niet van hun tractement hebben gedaan, onmogelijk.
En wat ziet hun huis er uit! Vergelijk er onze barakken bij!"
"Daar is een goede reden voor!" hernam Dolly, "Hermine
heeft er slag van, veel met weinig te doen. Haar diner was zoo kostbaar
niet maar alles zag er frisch en mooi uit door haar arrangement; en
wat de meubels betreft, Corona's eigen smaak heeft alles ingericht,
terwijl August en Akkeveen verkozen het geld in handen te krijgen en
zelf te koopen; wij weten ook hoe netjes Wilhelmshöhe in orde was
bij Guillaume's trouwen."
"En hoe Toetie alles later verslorderd heeft. 't Is treurig maar
waar, Dolly!"
"Hoe 't ook is, spreek me niet tegen als het je belieft. Is 't
waar of niet, dat Thoren dagelijks den ouwe als een schoothondje volgt,
dat hij tracht zich op de hoogte van de zaken te stellen, dat Corona
hem behandelt als ware hij Zijn Majesteit in persoon en dat Coen en
Hermine zich veel meer bij hen aansluiten dan bij ons."
"Ze wonen ook het dichtste bij het groote huis."
"En we weten hoe Hermine vroeger tegen Cor was. We hebben 't niet
vergeten, Guillaume, hoe ongenadig zij haar bij dat feest bedankte voor
de eer een japon van haar te ontvangen."
"Dat was alleen om Coen zand in de oogen te strooien en nu zij
van hem een marionet gemaakt heeft, nu zet ze zeilen bij en vleit Corona
en Iwan. O 't is een volleerde diplomate."
"Als het uit diplomatie is, dat zij gehandeld heeft, dan krijg
ik respect voor haar bekwaamheid, maar niet voor haar karakter."
"Ze kon niets anders doen," sprak Dolly.
"Je bent er buiten, vrouw, ik acht het mijn plicht de broers te
waarschuwen. Als de ouwe zijn testament
[125:]
gemaakt heeft en
vandaag of morgen komt te sterven, dan is het te laat maatregelen te
nemen."
"Er is niets tegen te doen. Apa bolé boeat!" zeide,
met volkomen berusting, August.
"Als je met dat ellendige stopwoord komt, dan sta jij spoedig met
je dozijn kinderen op straat, August, en Guillaume is er nog erger aan
toe, Hermelijn kan Toetie niet uitstaan."
"En Cor jou nog minder! Ik geloof als August, we hebben niets te
doen dan te wachten en te vertrouwen op papa's eerlijke onpartijdigheid."
"Daar hebben we mooie bewijzen van gezien, ons leven lang. Papa
is groot en Corona is zijn profeet, haar en haar grillen zijn hem alles,
nu is de laatste gril een man. Goed, dan worden wij er aan opgeofferd."
"Tracht ook in haar gunst te komen."
"Tot kruipen neem ik nooit mijn toevlucht."
"Laten wij het papa dan ronduit zeggen," zeide Guillaume,
"hem onze belangen voordragen. Een prettig werk is 't niet maar
wij zijn huisvaders en 't dus aan onze kinderen verplicht, in hun belang
de noodige maatregelen te nemen."
"Dank je weI!" verklaarde August beslist.
"Hij is de oudste zoon en hij durft, niets. 't Zal ook niets geven;
wanneer die twee iets beslist hebben is er geen vinger tusschen te steken.
Als dat huwelijk belet kon worden. . ."
"Laat dan liever den Merawoe onderste boven zetten."
"'t Is moeilijk Guillaume, ik beken 't."
"En 't zou slecht wezen ook," onwillekeurig schoof Dolly wat
verder van flaar man af, "het geluk van twee menschen te verwoesten,
die meen en dat ze voor elkaar bestemd zijn."
"Sentimentaliteit laten we buiten spel, waar het zaken geldt, maar
dat is zeker, we hebben altijd verlangd, dat Cor zou trouwen, en nu
zij 't gaat doen, ware het beter als ze hem nooit gezien had, voor ons
natuurlijk! Voor haar, dat is me vrij onverschillig."
"Ze heeft er zoovelen gelukkig gemaakt, het wordt tijd, dat zij
voor zichzelf gaat zorgen," zeide Guillaume met zooveel bîtterheid
in zijn stem, als er in zijn hart aanwezig was.