XXXII.
Dolly was als altijd
druk bezig met haar twee kleine kinderen, terwijl de oudste, een allerliefst
meisje van drie jaren, in den tuin speelde, waar zij de koepoes (vlinders)
vervolgde.
Dolly moest de moeilijke kunst uitvoeren, met een hoogst beperkt inkomen
een veeleischenden, gemaklievenden man in goed humeur te houden, drie
kinderen te verzorgen, een grooten tuin en een ruim huis na te gaan,
terwijl slechts één mannelijke en twee vrouwelijke bedienden
haar ter zijde stonden.
Zij was nog pas een-en-twintig jaar, en eerst een goed viertal jaren
getrouwd, maar zij zag er mager
[19:]
en bleek uit; holle
kringen lagen om haar oogen en een zekere matheid verried zich in al
haar bewegingen; soms alleen, flikkerden haar. oogen als zij tijd had,
met haar oudste en eenige meisje te spelen.
Nonnie was een aardig, vlug kind, dat niets dan Hollandsch sprak en
vol lieve oplettendheden voor haar moeder was; zij droeg de kleertjes
aan als ma de kleine Njo'tjes hielp, die bijzonder lastig en ondeugend
waren; zij speelde met haar oudste broertje, zoo aardig als ware zij
een klein moedertje.
Zij gehoorzaamde elken blik van Dolly, maar als zij haar vader hoorde,
werd de kleine Nonnie schuw en angstig en alleen het bevel van mama
kon haar er toe brengen, papa een kusje te geven.
Toen Hermelijn onverwachts aankwam, betrok Dolly's gelaat een weinig;
zij kende haar nieuwe schoonzuster volstrekt niet, zij had noch op haar
man, nog minder op een gast gerekend en haar eerste gedachte gold natuurlijk
het menu.
Met een onbeschaafdheid, die Hermelijn tegen de borst stiet, zonder
zijn vrouw te groeten of eenige excuses te maken, beval hij Dolly:
"Maak me gauw een grog! Hermine blijft hier logeeren, zij zal wel
een kop koffie lusten, en schep maar goed op van avond, verstaan!"
"Lieve Dolly, ik hoop dat je niets geen last van me zult hebben,"
zeide Hermelijn vriendelijk, "ik zal je vertellen, wat voor avonturen
wij doorleefd hebben, en dan zal je begrijpen, hoe dankbaar ik ben,
hier wat te kunnen bekomen."
Dolly zag het vreemdsoortige negligé van haar schoonzuster en
glimlachte even:
"Kom met mij mee naar mijn kamer," zeide zij, "je kunt
mijn kleeren passen, we zijn zoowat even groot."
"Zorg eerst voor mijn grog," riep Akkeveen, zijn laarzen uitgooiend
zoodat zij door de galerij vlogen, "waar is Non, kan zij d'r vader
niet helpen? Je moet weten, zus Hermine, dat wij stiefkinderen zijn
en geen stoet bedienden er op na kunnen houden, we dresseeren onze kinderen
er dus maar op. Non, waar zit dat kind, moet ik je bij de ooren hierheen
trekken?"
[20:]
't Kleine meisje
kwam uit den tuin aangeloopen, en zag haar moeder even vragend aan.
"Help papa, poes!" verzocht Dolly op zachten toon, "breng
die laarzen naar achteren."
"Doe de kousen er ook maar bij!"
Hermelijn vroeg zich af, of hij zich nu geheel onder de galerij wilde
uitkleeden en verzocht Dolly met haar naar binnen te gaan.
"Maar mijn grog," riep Akkeveen, "'t is toch schande,
Dolly, zooals jij je met alles bemoeit behalve met je man!"
"Heb toch geduld, Ak, ik kan niet alles tegelijk doen!" zeide
zij weemoedig en ging naar binnen van waar zij weldra met een gevuld
glas terugkeerde; hij proefde even.
"Bah! wat een kost! 't Smaakt naar niets; ik zou liever zuiver
water geven," bromde hij, "overal anders kun je de bedienden
wakker schreeuwen, maar hier moet je alles aan je vrouw overlaten, die
van niets verstand heeft. De kebon [tuinman] moet dienst doen voor huisjongen,
staljongen, tuinman! Was ik maar nooit in die vervloekte boel gekomen."
Hermelijn volgde Dolly binnenshuis, waar ze de kleine Non tegenkwamen,
die door haar tante innig gekust en getroeteld werd.
"Hoe heet je, engeltje?" vroeg Hermelijn, het mooie kopje
streelend.
"Yolande," antwoordde Dolly, "een vreemde naam, vind
je niet? Cor wilde het absoluut! En dan is er mets aan te doen. als
zij iets verlangt. Ik had haar liever Leentje genoemd, Helene, naar
mijn lieve mama."
"Ook de mijne," zeide Hermelijn zacht.
Dolly's oogen vulden zich met tranen.
"Laten we naar binnen gaan; Non, breng papa zijn sloffen!"
Dolly hielp Hermelijn zich verkleeden, maar telkens werd haar aandacht
afgeleid, óf door het geroep van Akkeveen, óf door het
geschreeuw der jongetjes.
"Zoo gaat het nu den heelen dag," sprak Dolly met
[21:]
een zucht en een
gelaten glimlach, "die heeren weten niets van zich zelf te helpen."
Intusschen ging de arme Dolly nog maar naar de keuken, om met Kokkie
schikkingen te maken voor het diner, en haar baboe te ontlasten van
de kinderen, daar deze het logeerbed moest opmaken.
Hermelijn vertelde het gebeurde in den krater en stak tevens haar handen
uit, nam een der kinderen op den arm en bracht hem al sussend en zingend
tot kalmte, hetgeen haar uitstekend gelukte.
Akkeveen, die, in kabaja en sloffen zoo lekker mogelijk gemaakt, in
de galerij terugkwam, maakte haar een kompliment over haar handigheid,
en voegde er onkiesche toespelingen bij, die 't blanke Hermelijntje
het bloed naar de wangen jaagden.
Het begon donker te worden en Dolly was nog steeds in de weer, het verveelde
Hermelijn, de eindelooze klachten van Akkeveen te hooren over de achteruitzetting,
waaraan hij leed door Corona's schuld.
"En als ik nu maar een flinke vrouw had, dan eischte zij haar moederlijk
erfdeel op, maar jawel! dat wil zij niet doen en als ik 't probeerde
dan had je de poppen aan het dansen, vat je! De groote Cor was in staat
ons met pak en zak van het land weg te jagen; en de ouwe, 't is crimineel
hoe die onder haar pantoffel zit, daarbij is 't een verduiveld klein
beetje wat wij hebben. Een uitgeslapen loeris, die ouwe heer van ons.
Dolly haar mama was een arm weesmeisje moet je weten, die bij Corona
voor een soort van bonne speelde en hij is me waarachtig toch nog met
huwelijksvoorwaarden getrouwd."
"Och Akkeveen, dat kan me heel weinig schelen. Me dunkt als Corona
alles durft ondernemen komt het voornamelijk door jelui schuld. Je geeft
haar veel te veel toe."
"Niet allen durven wat jij durft, maar ze kijkt je ook naar de
oogen! Ik weet niet, wat haar scheelt, zij is toch een beetje raar in
den laatsten tijd."
Om van hem af te zijn riep Hermelijn kleine Nonnie, die druk en ernstig
met haar pop speelde en liet het kleine ding naar hartelust babbelen;
zij stond verbaasd
[22:]
over het verstand
van het schepseltje, dat vleiend naar haar toeschoof en smeekte om een
sprookje.
Hermelijn nam haar op den schoot en vertelde van Roodkapje; met glinsterende
oogen en half geopende lipjes luisterde de kleine en riep zoodra het
uit was:
"Nog een, tante, nog een!"
Dolly kwam zeggen dat het eten klaar was; zij had zelf het meeste moeten
gereed maken, want haar kokkie was dom en onwillig. Zij kon nauwelijks
den tijd vinden, een schoone witte kabaja aan te trekken, toch snauwde
Akkeveen haar toe:
"Dat eeuwige ongekleed zijn, den eersten avond den besten dat Hermine
hier is; kan jij je dan niet een beetje fatsoenlijk kleeden? Wat een
nonnaboel zal zij 't hier vinden."
"Dan ben ik de grootste nonna," sprak Hermelijn lachend, "want
ik geef 't voorbeeld van mij niet te kleeden."
"O, dat is wat anders, je bent hier logée en daarbij ben
je in gevaar geweest om te stikken en te verbranden. Maar zoo'n vrouw,
die den heelen dag in huis zit."
"En handen vol heeft met kinderen, bedienden en man."
"Och Hermine," verzocht Dolly, "zeg er niets op, 't helpt
niets; een vrouw is op de wereld om te tobben van 's morgens vroeg tot
's avonds laat."
"O ja, word maar eens sentimenteel, dat staat je goed. Wat moet
ik dan wel zeggen, ik, die dacht een rijke vrouw te krijgen en 't nu
ellendiger heb met dien heelen nasleep dan voor mijn huwelijk!"
"Waarom heb je mij getrouwd?"
"Waarom, wel omdat ik je krijgen kon."
"Als 't zoo voortgaat, vind ik het in den Merawoe nog amusanter,"
zei Hermelijn, "we hebben immers allen ons leed, allen zonder onderscheid,
de eene meer, de andere minder."
"Behalve Cor, dat schepsel gaat alles voor den wind."
Het diner was niet zeer vroolijk, Akkeveen had het hoogste woord; Dolly
sprak niets, de kleine meid werd door de moeder geliefkoosd, door den
vader afgesnauwd. Nu eens hield zij haar vork niet goed, dan
[23:]
dronk zij te haastig,
dan had zij gemorst: zoolang hij slechts aanmerkingen en vitterijen
op haar zelf had, bleef Dolly kalm, maar toen hij tegen het kind begon,
werd zij driftig,
"Nonnie kan ook nooit iets goeds bij je doen! Ze doet nu volstrekt
geen kwaad," zeide zij.
"Je zoudt dat kind heel bederven, met je malle toegevendheid. Non,
sta op van tafel!"
't Kind zag hem verbaasd aan en scheen niet van zins te gehoorzamen,
maar met forsche stem herhaalde hij:
"Opstaan, kwaje meid! hoor je 't niet!"
Toen kroop 't meisje van haar stoeltje af, school bij haar moeder en,
met het hoofd in Dolly's sarong verborgen, begon zij luid te schreien.
"Zie je, daar heb je 't! Je moet opstaan, omdat ik 't zeg: ik verlang
blinde gehoorzaamheid, dat mankeert er nog aan, dat je zoo'n kleine
heuvel nog rekenschap van al je woorden geeft! Moet ik bij je komen?"
"Als 't kind van tafel moet opstaan om niets, dan ga ik met haar
mee," sprak Dolly, stond op, nam het schreiende kind in haar armen
en verliet de achtergalerij.
"Zoo gaat het nu altijd, altijd zit ze mijn opvoedingssysteem in
den weg; een domme, onverstandige vrouw, die je niet begrijpt, je weet
niet wat voor kruis dat is. Verbeeld je, een van Cor's grieven tegen
ons is dat Dolly standvastig weigert haar dat kind af te staan."
"Daar heeft ze groot gelijk aan!"
"En waarom dan? Ze wil ons f 100 in de maand schadevergoeding geven,
is dat niet prachtig?"
"Dan vind ik het nog meer te prijzen in Dolly, dat ze haar kind
niet verkoopen of verhuren wil.'"
"Zoo, is dat je oordeel, juffrouw wijsneus, nu, ik zie wel, alle
vrouwen hangen aan mekaar; zelfs die men voor de verstandigste houdt,
willen hun waar belang niet erkennen."
"'t Spijt me erg dat ik je tegenval, Akkeveen, en misschien ook
hierin dat ik me zeer moe en mat voel, zoodat ik dus mijn bedje ga opzoeken,
al is 't nog nauwelijks acht uur."
[24:]
"Doe dat niet,
Hermine, ik heb nog een boel met je te praten. Vertel me eens, waarom
je zoo'n gloeienden hekel aan Cor hebt. Ik weet wel, dat het koppelen
met Conrad niet zoo van een leien dakje gegaan is, maar 't fijne weet
ik er eigenlijk niet van."
"Dan zal je 't van mij ook niet hooren, Akkeveen! Goeden nacht!"
Zij ging naar Dolly's kamer, die reeds te bed lag, kleine Non speelde
naast haar met de poppen.
"Tante Mien," riep ze uit, "tante Mien!I kom hier! Non
houdt veel van tante Mien, maar nog meer van Maatje."
En zij kuste Dolly hartelijk en vroeg toen op een allerliefsten deelnemenden
toon:
"Maatje huilt, waarom Maatje bedroefd?"
Dolly had werkelijk in tranen haar troost gezocht; toen zij Hermine
hoorde binnenkomen, stond zij op en ging met haar schoonzuster op den
divan zitten.
"Och, 't is zoo beter, nu kan ik ten minste dadelijk naar bed gaan,"
zeide zij, met een droevigen lach, "anders moest ik nog tot 12
uur met hem in de galerij zitten, ik ben altijd zoo moe 's avonds, maar
hij staat me niet toe te gaan slapen. Nu ben ik boos en dan doe ik 't
niet."
"En anders wel?"
"Zeker, we praten niet veel samen, maar telkens als ik een beetje
ingedommeld ben, heeft hij me wat te vragen en dan word ik weer wakker."
"Maar dat is toch wreed, Dolly!"
"'t Is het eenige bewijs dat hij nog een beetje op zijn vrouw gesteld
is. Als hij dat niet meer deed, dan was ik geheel en al zijn meid. Kom
hier Non, je moet naar bed! Ga eerst paatje goeden nacht zeggen."
"Och, maatje, Non bang voor papa!"
"Maar Non mag niet bang voor haar paatje zijn. Kom, ga naar buiten
en geef papa een zoen!"
"Neen Maatje, Non blijft bij Maatje en bij tante, Non zal tante
dertig zoenen geven?"
"Nu kom dan maar, pak tante eens heel lekkertjes beet en nu mij.
Gaat Non haar avondgebedje opzeggen?"
Hermelijn, hoewel Dolly's zwakheid afkeurend kon
[25:]
haar tranen niet
weerhouden bij het zien van dat jonge moedertje, zelf nog bijna een
kind, dat haar dochtertje het korte, hartelijke gebed voorzeide en haar
toen onder liefkoozingen en zoete woorden te bed legde.
"Je vindt me onverstandig, Hermine," zoo begon zij nadat zij
de kleine meid te slapen han gelegd, "ik ben 't ook. Ik moest volhouden,
maar ik kan er niets aan doen, waarom stoot hij het kind altijd van
zich af? Met een vriendelijk woordje maakt hij die lieve Non zoo gelukkig
maar hij heeft niets dan hardheid voor haar, geen wonder dat zij bang
voor hem is!"
"Hoe is 't mogelijk, dat een vader zoo'n dot van een kind niet
opeet of doodknuffelt!"
"Och, Akkeveen houdt niet van kinderen, maar hier is er nog wat
anders, iets heel anders. Je moet weten", en nu vertelde zij haar
het voorstel van Corona.
"Maar je hebt groot gelijk," riep Hermelijn uit, "en
ik begrijp niet hoe je man er aan denkt, zijn kind toe te vertrouwen
aan Corona die hij zoo haat."
"AIs 't hem maar voordeel brengt; meer vraagt hij niet. Hoe 't
ook zij, Corona is mijn zuster en ik kan het niet verdragen dat hij
zelf tegen wildvreemden zoo over haar uitvaart. Ik weét nu heel
goed wat hij vóórheeft met dat plagen van de kleine; hij
wil me dwingen haar weg te zenden. Misschien zal ik het ook doen, ik
kan 't niet langer aanzien."
"O foei, Dolly, doe dat niet! Non is je alles en wie kan voor haar
zoo goed zorgen op het groote huis, waar er reeds zoovelen zijn?"
"Laat hij 't niet hooren, Hermine, dan verbiedt hij je ook, mij
te bezoeken, zooals hij 't Kitty heeft verboden. Niemand van mijn familie
komt hier ooit meer. Papa alleen voor zaken, maar noch Conrad, noch
Margot mogen mij gezelschap houden, en de anderen bedanken er voor hier
te komen. 't Is er ook niet heel prettig."
"En woon je in deze eenzaamheid zonder ooit menschen te zien of
zonder eenige afleiding?"
"Ik ga eens of tweemaal in 't jaar naar het groote huis, zoo als
toen je kwam, maar anders spreek ik niemand."
[26:]
"En vind je
dat niet verschrikkelijk?"
"lk heb mijn kinderen, vooral mijn Non en wij zijn immers niet
op de wereld om geluk te hebben."
't Was ontzaggelijk treurig, dat woord te hooren uit den mond van die
jolige, mooie vrouw, wie men 't kon aanzien dat zij geen uitroep zonder
innerlijke beteekenis slaakte, maar slechts lucht gaf aan haar eigen
levensbeschouwing.
"Dus wel om verdriet te hebben?" vroeg Hermelijn spottend,
"nu ik moet je zeggen, als anderen gelukkig zijn, dan wil ik het
ook wezen, ik heb er evenveel recht toe als een ander en tegen degenen,
die oorzaak zijn van mijn verdriet, koester ik bitteren wrok."
"En helpt je dat? Er is maar één ding, dat het ons
mogelijk maakt, dag aan dag ons leed te dragen, 's morgens er mee op
te staan en het 's avonds weer naar bed mee te nemen. Je kunt mij gelooven,
Hermine, ik spreek bij ondervinding."
"En dat is?"
"Veel en hard werk!"
"Juist wat mij ontbreekt."
"En verder het leed aan te nemen zooals God 't ons toezendt, en
te gelooven dat Hij het doet om ons beter te maken. Soms is het mij
of ik er slechter tegen in word maar dan tracht ik mij te overtuigen,
dat het niets helpt, wanneer ik mor en onaangenaam word, dat ik dan
geen nut trek uit mijn verdriet. Wanneer je nu niet hier was, zou ik
toch weer bij Akkeveen zijn gaan zitten."
"Maar je houdt veel van hem?" vroeg Hermelijn weifelend. 't
Was of de met moeite veroverde kalmte van Dolly voor een oogenblik plaats
maakte voor haar oorspronkelijke, hartstochtelijke natuur; haar oogen
fonkelden, zooals die van Conrad in zijn toorn het konden doen, en haar
lippen trilden.
"Waarom zou ik van hem houden?" vroeg zij.
"Wel, omdat je met hem getrouwd bent."
"Is dat een reden?" en zij zuchtte diep, "hou jij zooveel
van Conrad?"
"Zeker, anders zou ik mijn land niet voor hem verlaten hebben."
[27:]
"Daar wordt
hier niet naar gevraagd; niemand heeft hier zijn man of vrouw lief,
behalve Kitty en je weet hoe 't haar gegaan is. Ik ben met hem getrouwd,
zooals een ander naar een bal gaat. Cor zei me: Akkeveen heeft je gevraagd,
dat en dat en dat heeft hij in zijn voordeel, papa en ik vinden het
goed; nu, zoo waren August en Guillaume ook getrouwd en ik dacht dat
het altijd zoo ging."
"Maar je hadt toch wel eens boeken gelezen."
"Jawel, heel veel zelfs. Maar Cor zei in het leven ging alles heel
anders toe dan in de boeken. Akkeveen was toen ook zeer goed; natuurlijk,
dat zijn ze allen vóór het trouwen, ze veranderen allen
behalve Portias, zegt Kitty, en ik ben zijn vrouw geworden. Nu moet
ik ook een goede, brave vrouw voor hem zijn; voor de kinderen zorg ik
omdat ik ze lief heb, maar voor mijn man omdat het mijn plicht is, en
Onze Lieve Heer mij rekenschap zal vragen van al mijn daden en zelfs
mijn gedachten. De eene heeft wat meer leed, de andere wat minder, heb
je straks gezegd, 't voornaamste is dat ik niemand verdriet veroorzaak
en daarom. . . daarom. . . "
Groote tranen rolden uit Dolly's oogen.
"Wil ik Nonnie wegzenden."
"O foei Dolly, je eenige zonnestraal buitensluiten, wat zal er
van je worden als de kleine meid weg is!"
"Dat weet ik niet, 't komt er niets op aan, men mag in de eerste
plaats aan zich zelf niet denken; 't kind wordt geheel bedorven door
Akkeveen's plagen, en ik kan haar niet dwingen om hem te gehoorzamen
want hij is veel te onredelijk. Als hij het in 't hoofd kreeg, zou hij
haar uit het bedje nemen om haar te dwingen, hem een nachtzoen te geven."
"Maar Dolly, niemand kan de moeder vervangen. Hoe zal 't haar gaan
tusschen al die vreemde kinderen, zij de jongste!"
"Corona zal goed op haar passen. Maak 't mij niet moeielijker Hermine,
je weet niet hoeveel 't mij kost. Zij is mijn alles!"
"Juist daarom mag je haar niet wegzenden, de eenige roos, waarmee
Onze Lieve Heer je kruis versiert, zou je weggeven."
[28:]
"Die roos
heeft zulke scherpe doornen," hernam zij met haar hartverscheurenden
lach.
Hermine omhelsde haar schoonzuster en raadde haar, over haar besluit
nog eens te slapen.
"Neen," antwoordde zij hoofdschuddend, "ik ga 't dadelijk
Akkeveen zeggen. Ik moet het doen Hermine, het kan zoo niet langer blijven,
ik word hoe langer, hoe meer gergetèn (nijdig) - ik weet er geen
beter hollandsch woord voor - tegen hem. Ik ondermijn zijn gezag wanneer
hij dat kind zoo onbillijk behandelt; ik zou hem kunnen haten en daarvoor
bid ik dagelijks, opdat ik het niet eenmaal zal doen."
"Maar er zijn zoo veel oogenblikken dat hij niet t'huis is en jij
alleen bent met het kind!"
"Je behoeft me niet te zeggen, hoe hard het is, Hermine, ik weet
het genoeg maar geloof me, 't is zoo het beste."
Hermelijn ging naar haar kamer, terwijl Dolly haar man opzocht om hem
haar besluit mee te deelen.
't Duurde lang vóór dat Hermelijn den slaap kon vatten,
alle gebeurtenissen van den langen dag trokken haar voor den geest,
die vreeselijke oogenblikken in den krater, Conrad's verschijning, de
wijze, waarop hij haar aan zijn borst had gedrukt, zijn gewone koele
houding toen het gevaar even geweken was, de treurige toestand in dit
huishouden, en het smartelijke besluit der arme moeder. Ofschoon zij
haar best deed nooit eenstemmig met Corona te denken, toch moest zij
haar op één punt volledig gelijk geven, 't was in haar
antipathie tegen Akkeveen.
"Maar hoe slecht dat zij hun verhouding nog verergert door hem
dat lokaas voor te houden; arme, arme Dolly, ik weet niet van wie ik
meer hou, van haar of Kitty."
In haar gedachten ging zij de verschillende huishoudens na, door Corona's
teedere zorg gesticht, August en Poppie waren er het beste af, doch
ze leidden dan ook een volledig plantenleven; Guillaume en Toetie, Akkeveen
en Dolly, zij zelf en Conrad, maar een zilveren rand zag zij aan de
donkere wolk: alle de Gérans - Corona zonderde zij natuurlijk
uit - schenen goedig, hartelijk, liefdevol. Tegen Dolly met haar
[29:]
ernstige hoewel bitter treurige levensbeschouwing zag zij hoog op, Guillaume scheen de goedheid in persoon zelfs jegens zijn akelige, lastige vrouw, Kitty was de verpersoonlijking van geluk en liefde. Of Conrad hetzelfde karakter had? Als hij haar eens liefkreeg, zou 't haar geen moeite kosten om van haar huis geheel iets anders te maken dan van dat der anderen.