[5:] XXX.
De familie de Géran
bleef nog eenige dagen in de hoofdplaats; vele pretjes hadden zij in
dien tijd: een hertenjacht, een receptie bij den resident, eindelijk
werd er nog besloten een tocht te maken naar den krater van den Merawoe.
Nog zeer vroeg in den ochtend, verzamelde zich het gezelschap op den
aloon-aloon; de regent had bergpaardjes laten aanrukken en een menigte
Javanen, door hun groote schildvormige hoeden gedekt, stonden reeds
gereed om den stoet te vergezellen. Ook eenige dames waren van de partij:
Corona de Géran en haar beide zusters Hermelijn en Kitty, de
zuster van den resident, een weduwe, die met haar kinderen bij hem inwoonde
en de eer van zijn huis ophield, de vrouw van den ingenieur en de dochters
van een koffieplanter uit de nabijheid hadden het besluit genomen, de
heeren te vergezellen. Daartoe behoorden verder Guillaume, Conrad, hun
vader, Portias en Akkeveen, evenals Thoren van Hagen, die alle feesten
had bijgewoond, maar slechts als toeschouwer.
't Was opgemerkt, dat hij zich zeer weinig met de dames de Géran
bezig hield en Hermelijn nauwelijks aansprak; twee paar oogen volgden
hem onophoudelijk, die van broeder en zuster. Hoe los ook de band was,
die ze vereenigde, in één punt dachten zij eenstemmig,
de verhouding tusschen Hermelijn en den vriend harer jeugd streng na
te gaan.
Een vroolijke geest heerschte onder het gezelschap; waren er eenige
minder levendigen bij, dit viel niet
[6:]
op; er werd veel
gelachen en geschertst. Men dronk met volle teugen de balsemgeuren in
van het ontwakende woud; de eerste stralen der zon doopten de toppen
der bergen in purperen tinten, die langzaam over de valleien neerdaalden;
witte wolkjes zweefden om den getanden top van den Merawoe en vermengden
zich met de fijne, witte pluim die achteloos den krater verliet, als
wilde de vulkaan door dezen bevalligen groet aan den aanbrekenden dag
tevens het bewijs geven, dat nog leven en vernielende kracht binnen
zijn rotswanden scholen, die het versmaadden zich anders dan door een
liefelijk, dartel wolkje te openbaren.
Eerst ging de stoet door de bloeiende koffietuinen, wier bloemen zich
reeds tot vruchten zetten en een rijken oogst beloofden, afgewisseld
door aanplantingen van vanille, kina of indigo, kaneel en kruidnagelen.
Deze geuren, welke in Europa slechts in den kruidenierswinkel t'huis
hooren en daar steeds met zekere mufheid vermengd zijn, vervulden hier
de lucht met hun fijn onbedorven aroma; langzamerhand werden zij zeldzamer,
men kwam aan het tweede gedeelte der beklimming.
Een zee van groen strekte zich voor de reizigers uit, aangenaam fonkelden
de roode hoeden en gele sarongs der inlanders daartusschen en gaven
een bonten tint aan het landschap. Men kwam nu in het woud, een moeilijk
pad kronkelde zich omhoog; de dames, die er op hadden aangedrongen mee
te gaan, deden hun best niet te klagen, wat verscheidene zeer moeilijk
viel. Corona was steeds vooruit; haar hooge gestalte stak boven allen
uit als Diana tusschen hare nymphen; de resident verliet haar zijde
niet, hielp haar opstijgen als de weg te moeilijk was en over trappen
van klei of rots leidde. 't Pad werd hoe langer hoe steiler en meer
onbegaanbaar.
"Portias, ik kan niet verder," riep Kitty plotseling, hoewel
zij 't misschien het gemakkelijkst had, gedragen als zij bijna werd
door de lange armen van haar man.
Die uitroep van Kitty deed de dames stilstaan; zij sprak uit, wat allen
sinds lang hadden gedacht, maar
[7:]
wat valsche schaamte
haar dwong te verzwijgen; te meer indruk maakte haar klimstaking, daar
juist zij 't hardst op het meegaan der dames had aangedrongen.
"Och ja, ik geloof ook dat het beter is . . ." zei de residentszuster.
"'t Duurt nog zoo lang."
"En 't wordt van kwaad tot erger."
"Ik geloof dat de dames groot gelijk hebben," verzekerde de
oude heer de Géran, "er is alle gevaar dat zij er bij neervallen,
want het moeilijkste komt; nu is er nog terugkeeren mogelijk."
"Als de njonja's het veroorloven, zal ik hen naar beneden brengen,"
sprak een der wedono's, die nog al zwaarlijvig was en misschien zelf
ook tegen de beklimming opzag.
"Ik laat mijn vrouw natuurlijk niet alleen gaan!" verzekerde
Portias.
"Dus geleide genoeg, dan kunnen wij na die flinke aderlating behoorlijk
voortmarcheeren. Ik heb lust er ook den brui aan te geven, alle bergen
lijken op mekaar," brulde Akkeveen, "die vrouwen zijn me ook
schepsels om mee uit visschen te gaan, allemaal."
"Daarom laat je bij preferentie je vrouw t'huis," zelde een
ander.
"Wie keeren nu terug?"
"Ik, ik, ik. . ." riepen de vrouwenstemmen.
"Ik niet!" sprak Corona.
"Anders had ik niet van u verwacht," fluisterde de resident
haar toe.
"Dat spijt me, dan had ik misschien anders besloten," antwoordde
zij, "ik hou van verrassingen."
"En ik alleen van prettige."
"Dan is deze al een heel onaangename, niet waar, dat uw steun nog
verder gevraagd wordt?"
"Ik ga ook niet terug!" verklaarde Hermelijn.
"Maar zusje," riep Kitty, "bedenk je toch!"
"Ik hou meer van geheel dwalen dan halverwege terugkeren."
Zoo scheidde het gezelschap zich in tweeën, het eene ging snel
bergaf, het andere zette zijn tocht voort naar boven. Hermelijn verliet
de zijde van haar schoonvader niet en, wat zelden gebeurde, nu was
[8:]
Guillaume ook steeds
in de buurt van zijn papa te vinden. Thoren van Hagen had zich bij de
overige heeren aangesloten. De weg voerde nu eens langs ravijnen, die
met bosschen gevuld waren, of steile, loodrechte rotswanden, bosschen
van woudrozen en lianen, tunnels van wel veertig voet hooge varens,
reusachtige boomen, die hun koepelachtige kronen in elkaar slingerden,
ondoordringbare gewelven vormend en wier stammen zoo dicht omstrikt
waren door de orchideeën, als wilden deze hen in hun omarming verstikken;
daartusschen de tjilpende vogels, de dartele eekhoorns en de glinsterende
kapellen, hun eindeloozen dans uitvoerend. Langzamerhand wordt de weelderige
plantengroei armer, de rijkdom aan kleuren verbleekt, het loof wordt
schaarscher, de varens verdwijnen, de lianen laten hun slingerende trossen
niet langer van de kale stammen afhangen, geen specerijgeur maar een
sterke zwavellucht. Nergens meer bloemen of vlinders, vogels of eekhorens;
men nadert den krater, een dof gerommel doet zich onder de hoeven der
paarden en de voeten der reizigers hooren.
Over rotsblokken gaat het thans steil in de hoogte, men ziet de rookwolken
heel nabij; eindelijk staat men aan den rand van een der wijdgapende
kraters, alles is met asch bedekt, de zwaveldampen, die er uit opstijgen
en de rookpluimen vormen, vervullen ooren, oogen en neus der omstanders
met een onaangenaam scherp gevoel.
Eerst als men zijn oogen gewend heeft, door den rook omlaag te zien,
bemerkt men, dat de dampen uit ontelbare rotsspleten opstijgen, gevormd
door reusachtige blokken, boven en naast elkander liggend en over een
klein meer hangend, dat op den bodem van den afgrond ligt en waarvan
het kokende, onstuimig borrelende water zich aan den rand van den krater
doet hooren.
"Nu zullen de dames het ons toch overlaten, dat meer van nabij
te bezoeken," sprak de resident tot Corona en Hermelijn.
"Ik ben juist hier gekomen om het te zien," antwoordde Corona."
[9:]
"En wat mijn
schoonzuster doet, hoop ik ook te kunnen," verzekerde Hermelijn.
Corona zag haar aan, sinds den dag van het bal hadden zij elkaar niet
meer toegesproken; een onheilspellende trek lag over haar mond en tusschen
haar oogen, die Corona deed huiveren.
"Als zij eens vreeselijke bedoelingen had, als zij werkelijk ongelukkig
was, omdat zij Conrad had getrouwd en Thoren beminde."
"Neen, laat ons hier blijven," riep zij plotseling angstig.
"Ik dacht wel dat u op 't laatst aan het halverwege keeren de voorkeur
zou geven," zei Thoren, die eensklaps naast haar stond.
"In elk geval is het niet halfweg," merkte de resident op.
"'t Is niets moeilijk," raadde Thoren aan, "'t eenig
ongemak zal uw japonnen gelden, want een dikke laag asch bedekt de rotsen.
Het zal een glissade zijn, meer niet."
"Kom Iwan!" zeide Hermelijn en reikte hem de hand; hij greep
die en zij liet zich afglijden.
"Papa, Conrad, verbied 't haar," gilde Corona haast in doodsangst.
Een helder gelach steeg uit den krater en vermengde zich met het rusteloos
koken der golven en het rommelen van den onderaardschen donder.
"t Is hier heerlijk, poëtisch! Komt spoedig!" riep Hermelijn
en tot Thoren sprak zij:
"Een stap, en 't ware gedaan. . . misschien!"
"Och, daarvoor hoefde je zoo hoog niet te klimmen, Hermelijn,"
hernam hij droogjes, "bij mijn meer is een geschikter gelegenheid,
daar ziet het er veel netter uit en je kunt als laatste herinnering
aan de aarde heerlijke bloemengeuren en geen zwavellucht eenemen, maar
je hebt gelijk, niets gemakkelijker dan een afdaling tot de onderwereld."
Het gezelschap volgde spoedig. Corona was toch van de partij, daar stonden
zij nu aan de oevers van het meer, dat aan Dante en zijn Inferno, aan
den Styx en Charon herinnerde. Als akelige spoken, met verkoolde en
verdorde stammen, bogen zich reusachtige boomen ter aarde, beken van
gloeiend en zwavel
[10:]
stroomden tusschen
de rotsblokken door; duizenden en duizenden rookspiralen ontsnapten
uit den grond en kronkelden hun schier ondragelijk riekende dampen omhoog;
de zilveren sieraden der dames, de geldstukken in de zakken der heeren
werden gitzwart, de bloemen die de dames op de kleederen droegen, raakten
verwelkt en verbleekt; toch ontzonk haar de moed niet, zij volgden moedig
de heeren op hun ontdekkingstocht.
Hermelijn leunde op Thoren van Hagen, Corona scheen niet te kunnen scheiden
van haar resident.
"Maar Conrad, hoe kan je toch zoo weinig om je vrouw geven?"
vroeg Guillaume, "als ze de mijne was, ik zou nog maller met haar
doen dan Portias met Kitty."
"Zij geeft niets om mij, zij spreekt veel liever met haar landgenooten."
"Dat wil ik gelooven, als je ook zoo bokkig bent, en 't is ook
niet waar. Nu eerst geeft zij Thoren den arm; tot nu toe heeft zij altijd
met papa en mij geloopen en wij zijn toch geen tottoks."
Zij stonden nu aan een groote spleet van verscheidene vierkante meters;
een helsch geraas deed zich daarbinnen hooren, dat nu eens aan het stoomen
van een locomotief, dan aan het snuiven van een reusachtigen blaasbalg
herinnerde.
"Vulcaan is aan het werk met zijn cyclopen," zeide Thoren
van Hagen tot Hermelijn, "hoeveel eenvoudiger en natuurlijker dachten
die oude Grieken toch over de geweldigste natuurverschijnselen dan wij
met onze Neptunus- en Plutotheorieên. Zij wisten zelfs een glimlach
op het gelaat van den helschen reus te tooveren door hem Venus tot vrouw
te geven."
"Die hij niet beminde; ik geloof niet dat hij haar ooit toelachte."
"Waarover zij zich ook wist te troosten," grinnikte Akkeveen
met een boosaardig lachje.
"Papa," riep Hermelijn, "is u daar?"
De oude heer kwam nader, Thoren liet haar arm los en boog zich voorover
als wilde hij zelf den bodem van het meer onderzoeken.
Een akelig gebrul deed zich uit de zwavelzee
[11:]
hooren, de gele
zwavel vormde prachtige kristallisatiën, die als pyramiden en heggen
de spleten omzoomden.
"Nu een walsje, dan hebben wij met recht op een vulkaan gedanst,"
zeide Guillaume.
"Geen dwaasheden," beval de heer de Géran, "we
gaan naar boven, 't is wel geweest."
"Nu 't wordt dan ook tijd, onze oogen zijn fonteinen geworden en
zie onze kleeren eens! Dames, 't is misschien voor 't eerst dat uw geslacht
in den Merawoe is gedaald, wat moeten we doen om die heldendaad te vereeuwigen?"
vroeg de resident.
"Daar!" riep Corona, nam den zilveren ketting dien zij om
den hals droeg en wierp hem in het meer; "als er een uitbarsting
komt, krijg ik hem misschien terug!"
"Bravo," werd er algemeen geroepen en de resident zeide half
spottend:
"We mogen wel onze dames bewonderen, die zoo gemakkelijk kostbare
sieraden offeren."
"Noemt u dat een offer?" vroeg Corona.
"O neen, 't is het penningske der weduwe niet, eerder de ring van
Polycrates," sprak Thoren van Hagen.
Zij beet zich op haar lippen en toonde plotseling nog meer haast dan
haar vader om naar boven te komen.
"Zou er gevaar zijn voor een nieuwe uitbarsting?" vroeg Hermelijn
haar schoonvader.
"Gevaar altijd, kind! deze krater is nog in volle kracht en hoevele
vulkanen, die men geheel uitgebrand dacht, hebben ons weer verschrikt
door geweldige uitbarstingen, maar wat is dat?"
Vreeselijke donderslagen deden zich hooren, door de kale rotswanden
honderdmalen weerkaatst, de reuzentrechter met dampen gevuld, scheen
te weergalmen van een duivelachtig concert; 't was of hemel en aarde
vergingen.
"De vulkaan zal nog meer teruggeven dan uw ketting," hoorde
Corona Thoren van Hagen zeggen; duisternis omgaf haar. Angstige gillen
klonken door het gedruisch heen, men trachtte zich aan elkander vast
te klemmen en zoo de helling op te gaan.
[12:]
"t Is niets,
't is een onweer," riep de resident en werkelijk, de regen viel
bij stroom en en kletterde met onbeschrijfelijke woede tegen de rotsen;
nu en dan doorboorden flikkerende bliksemstralen de zwavelen waterdampen,
de asch scheen een modderbad geworden.
"'t Is onmogelijk je op te werken verd. . . ." vloekte Akkeveen
klappertandend van natte koude.
"Halverwege kunnen we nu niet blijven," riep de resident,
"nog een beetje moed!"
De dames hoorde men niet; niemand kon zeggen dat zij het gezelschap
bezwaarden. Thoren van Hagen had den arm om Corona geslagen, die eindelijk
in de algemeene woede der elementen haar cavalier kwijt was geraakt
en zich nu gewillig door hem liet helpen. Eindelijk was men aan den
rand van den krater.
"De weg uit de hel is moeilijker, dan die er heen," zeide
Thoren lachend, "oef! men herleeft, 't is hier zoo frisch."
"Frischjes," spotte Akkeveen. "Ik ben nat tot het merg.
Een beroerde liefhebberij, wie er mij ooit weer toe vangt!"
Het onweer ging met steeds toenemende kracht voort, de boomstammen knakten
als waren zij geen woudreuzen maar zwakke stengels; de een na den ander,
die zoo straks zijn kale takken nog omhoog hief werd weggemaaid door
een onzichtbaren sikkel, boven en onder, overal dreven zwarte wolken
beladen met electriciteit. 't Was of er vurige ballen ronddreven, die
in getakte bliksemflitsen losbarstten en de regen ging voort zijn ijskoude
wateren uit te storten; het meer diep in den krater ontving al bruisend
en bulderend dien nieuwen toevoer, de zwaveldampen sloegen zelfs neer
door de kracht der neerstortende wateren; alles scheen in opstand, de
berggeesten waren blijkbaar verstoord over de vermetelheid der stervelingen,
die zich binnen hun gebied waagden.
"Corona ik heb je lief, ik moet het je nu zeggen onder het woeden
van de elementen," fluisterde haar een stem in de ooren. Zij schrikte
terug en zag
[13:]
om, neen, 't was
de resident niet, die haar met zijn liefdesbetuigingen vervolgde en
die zij niet eens meer hoorde, Thoren van Hagen had haar in zijn plaid
gewikkeld maar hij zag haar niet aan, van hem kon toch die stem niet
komen?
Een nieuwe uitbarsting volgde; Corona bedekte oogen en ooren met de
handen en toen zij weer rondzag was de hevigheid van het onweer eenigszins
bedaard.
"Hermelijn, waar is Hermelijn?" gilde zij plotseling.
"Is ze dan niet bij jou?" vroeg de oude heer de Géran.
"Bij het begin van het onweer hield ik haar vast, maar toen hebben
Guillaume of Conrad haar onder den arm genomen."
"Waar kan zij wezen?" en Corona, die onder het razen van den
storm haar tegenwoordigheid van geest had behouden, stond nu hulpeloos
te beven en te klagen. "Zoek haar toch! Zij is weg, zij is weg,"
snikte zij.
"We moeten terug naar den krater, er helpt niets aan!" sprak
Thoren van Hagen kalm en maakte aanstalten om af te dalen; een hand
hield met stevigen greep hem terug.
"Dat hoeft niet, ik zal 't wel doen," zei kortaf een stem,
hij zag om en herkende Conrad's doodsbleek gelaat en verwilderde oogen,
"ik kan mijn vrouw wel zelf zoeken!"
"'t Is ook je plicht en alleen als je in gebreke bleef, zou ik
't beproeven, maar toch twee zullen 't beter kunnen dan een."
"Er komt een nieuw onweer op," waarschuwde de regent, en wees
op de zwarte wolken, die zich weer samenpakten terwijl zij op een ander
punt vaneen gescheurd waren en valsche gele zonnestralen doorlieten.
Maar Conrad, Thoren en een paar jongelui hadden zich reeds op nieuw
in den krater gewaagd; tot aan de knieën staken zij in de slijkerige
asch, door geen der Javanen gevolgd.
"U krijgt ze met geen geld of goede woorden er toe, meneer de resident,"
sprak de regent; "de
[14:]
poetrie, [Prinses]
die hier inwoont is boos omdat de orang blanda haar bezocht hebben en
nu zendt zij dat onweer. . .. ze denken dat ten minste," voegde
hij er bij opdat men niet zou meenen, dat ook hij het bijgeloof deelde.
Zoo was men eindelijk aan de oevers van het meer teruggekeerd; nergens
een spoor van Hermelijn.
"Zij is in het meer gevallen," fluisterde Guillaume aan Thoren
van Hagen. "'t is zoo jammer, zoo jammer van die lieve meid, maar
Conrad heeft het verdiend."
"Waar is hij?" vroeg Thoren van Hagen, wiens inwendige gemoedsangst
zich slechts openbaarde door doodelijke bleekheid.
Conrad was intusschen over de rotsen geklauterd, en vlug over de beken
gloeiende zwavel gesprongen, tot hij een opening zag, die in een der
rotswanden gaapte.
Zwaveldampen ontsnapten door dpn ingang, hij tastte er door heen.
"Hermine!" riep hij, "Hermine!"
Doch 't was of slechts het geborrel der kokende wateren en het sissen
van de zwavel hem antwoordden.
"Hermine!" riep hij nogmaals.
"Conrad," antwoordde iets, onbestemd als een zucht.
Hij trad in de grot; een weinig dieper stond Hermelijn, geleund tegen
den rotswand, omhuld door den zwavelrook, doodsbleek met de haren verward
over rug en schouders. het hoofd gebogen, op 't punt in bezwijming te
vallen; zij kon geen stap vooruit doen, al wilde zij ook, zij was te
bedwelmd om hem te toonen hoe verheugd zij zich voelde over de naderende
redding. Hij ging tot haar, en nam haar op in zijn sterke armen als
ware zij een kind geweest, en wilde zoo met haar naar buiten terugkeeren.
Geen woord kwam over zijn lippen, geen kreet van vreugde, geen liefkoozing;
daar begon de berg weer te dreunen en op zijn grondvesten te daveren,
een nieuw onweer brak los, geweldige slagen klonken rechts en links.
[15:]
Vondel en Milton,
die de hemelsche en helsche machten in strijd zagen, hadden zich geen
denkbeeld kunnen vormen van het razende gebulder hoog in de lucht; de
boomen stortten telkens, als door het vuur getroffen soldaten, krakend
en kletterend in den afgrond, de wind gierde in de kolk, en daalde,
na zijn woede tegen de wanden gebroken te hebben spiraalvormig in de
diepte.
"Hou me vast met beide armen," fluisterde Conrad zijn vrouw
toe.
Zij gehoorzaamde half bewusteloos, en verborg het hoofd op zijn borst;
hij klemlie haar vast aan zich en bleef in de opening staan om het razen
van den storm te laten voorbijtrekken; telkens kwamen de zwaveldampen
hem benauwen en het gezicht benevelen, soms meende hij het stikken nabij
te zijn; hij ging op een rotsblok zitten, met zijn last op de knieën.
"Is er gevaar, Conrad?" vroeg Hermelijn.
"Ik weet het niet, het moet niet lang meer duren!"
De slagen namen intusschen af in heftigheid, de stormen zijn geweldig
in de tropische gewesten maar gaan snel voorbij; nu ontlastte de donderwolk
zich wellicht een half uur verder op een,anderen bergtop, het gebulder
klonk zeldzamer en slechts in de verte, de bliksemflitsen glinsterden
flauw en moesten den strijd opgeven tegen de doorbrekende zonnestralen.
Conrad stond op en trad naar buiten.
"Laat me los, Conrad!" verzocht Hermelijn, "je kunt zoo
de helling niet opklimmen; ik zal 't zelf beproeven."
Hij hield haar steeds vast, als kon hij geen besluit nemen, maar er
was niets aan te doen, zij moesten deze benauwde atmosfeer verlaten;
de helling was bezaaid met neergestorte boomstammen, die het opstijgen
wellicht konden vergemakkelijken.
"Conrad, Hermine," werd er geroepen.
"Hier, hier!" riepen beiden tegelijk, daar kwamen inderdaad
Guillaume en Thoren aan; zij hadden in een andere grot het voorbijtrekken
van den storm afgewacht.
"Goddank, dat wij je terug hebben!" riep Guillaume, "nu
maar spoedig naar boven."
[16:]
"Hoe?"
"Wacht," zeide Thoren van Hagen, "ik weet iets: klim
spoedig op de helling, eekhoorn, die je bent, ik volg je en blijf half
of minder dan halfweg staan; Conrad reikt me zijn vrouw over en ik geef
haar weer aan jou, Guillaume! Opgepast!"
Thoren's raad bleek echt practisch; Hermelijn werd van hand tot hand
overgereikt en daarna kropen ook de mannen op handen en voeten naar
boven.
Corona vloog hen te gemoet en slaakte een juichkreet toen zij Hermelijn
ongedeerd, hoewel bevend van natheid en koude en bedwelmd door de zwaveldampen,
terugzag.
"Mankeert je niets, heusch niets? Arm kind, hoe is dat toch toegegaan,
en wat lompe jongens, om je zoo te kunnen achterlaten."
"'t Is niemands schuld." antwoordde Hermelijn, "misschien
mijn eigene; toen het zoo regende en onweerde, werd ik duizelig, ik
hield iemands arm vast en liet dien los, maar toen gleed ik af en merkte
dat ik alleen was. Ik wist niet meer wat er gebeurde, maar zag een overhangend
rotsblok en zocht daaronder een toevlucht."
"Nu ontbreekt ons niemand meer, we zijn er allen," riep de
heer de Géran, laat ons terugkeeren, de weg zal moeielijk genoeg
zijn."
Moeielijker dan iemand het kon denken; de grond was een gladde schaatsbaan
geworden van blauwachtige, glinsterende klei, waarin het azuur des hemels
zich weerkaatste en door de zon met bonte kleuren getooid, maar toch
heerschte er vroolijkheid, men lachte en schertste ondanks de natte
kleeren en den zwaren weg; de dames waren bijna de eenigen, die te paard
zaten, door de heeren gesteund; de anderen sprongen of gleden af en
bekommerden er zich niet om of het slijk hunne reeds zoo gehavende kleeren
nog meer kwam ontsieren.
Eindelijk bereikte men de streek van het dichte woud, waar de storm
groote verwoestingen had aangericht; op den roodachtigen grond, waaruit
een frissche, opwekkende geur van natte aarde steeg, zag
[17:]
men duidelijke
sporen, van tijgerklauwen en van de kronkelingen der vergiftige slangen.
Men ontmoette gelukkig een vrij groote javaansche woning, waarin een
inlandsch hoofd huisde; daar besloot men gastvrijheid te vragen, want
er viel niet aan te denken, in zulk toilet naar de hoofdplaats terug
te keeren.
Met de grootste beleefdheid ontving de wedono hen; zijn vrouw bood haar
geurige, zindelijke kleeren aan de dames en deze maakten gaarne van
het vriendelijk aanbod gebruik, terwijl hun natte garderobe gedroogd
werd; de heeren maakten hun toilet zoo goed als het ging en droogden
zich bij het vuur, dat de gastheer in de open lucht deed ontsteken.
" Was je niet erg geschrikt, Hermelijn?" vroeg Corona vriendelijk.
"Och neen," antwoordde zij koel, "'t ergste wat me wachten
kon is de dood en voor mij is hij een uitkomst."
"Ik bid je, zeg me alles!" smeekte Corona, "hoe kan je
mij veroordeelen zonder mij gehoord te hebben? Misschien kan ik er iets
aan veranderen, Conrad heeft je niet lief en je geeft mij de schuld
van alles."
"Ik geef niemand de schuld en ik,klaag ook niet, niets kan mij
meer helpen!"
Corona zag haar aan, terwijl Hermelijn zich omkeerde en haar lange haren
afdroogde; 't was haar zoo vreemd te moede. Er klonk haar nog steeds
een stem in de ooren met zulke wonderbaar weeke tonen.
"Ik heb je lief, Corona."
Had hij er Corona bij gezegd? Misschien niet eens, misschien bedoelde
hij wel Hermelijn, schande, een getrouwde vrouw!
Haar hart klopte, haar oogen schitterden, 't was of ze duizelde; zij
smachtte naar zekerheid, maar hoe die te verkrijgen?
"Hermelijn," wilde zij nogmaals roepen, maar Hermelijn deed
of zij niet hoorde en ging de kamer uit.
"Hoor eens, Hermine," zoo sprak Akkeveen haar aan, "ik
heb je een voorstel te doen; we zijn hier maar een paal of drie van
mijn huis af. Wat dunkt je er van als je gebruik maakte van het voorstel
van
[18:]
onzen wedono, die
een tandoe voor je beschikbaar stelt? Dan kan je nu bij mij op je gemak
uitrusten en nog een paar dagen blijven."
"Wat zegt Conrad er van?"
"Hij zegt dat het uitstekend is. Ik verlang naar huis, zie je,
naar warme kleeren, naar een stevige grog; Conrad gaat je koffer met
kleeren halen en brengt die bij ons op Kaboelen."
"Nu, ik heb er niets tegen."
Corona verbeet zich; het was opmerkelijk hoe allen Hermelijn met vriendelijkheid
omringden, terwijl ze haar vroeger steeds benijd hadden. Nu zij wisten,
welke houding zij tegenover haar, de gevreesde prinses aannam, werd
ze zelfs door Akkeveen gevleid en gezocht.
"En ik kan 't haar niet afraden, zij zou niet naar mij luisteren;
zij vindt mij te min om mee te spreken; wat is er tusschen haar en Thoren?
Mij ziet hij niet aan, hij veracht mij ook. Waarom toch, waarom? En
dan zou ik dwaze! denken, dat hij 't mij had gezegd. Maar Hermelijn
was toen juist weg en hij zal mij niet voor haar hebben aangezien. Als
dat toch zoo ware... ik zou me wreken!!"
Waarom, op wie, wanneer, dat wist Corona zelf niet!