XXV.
Op den dag van het
tochtje naar Djira was Corona bijzonder goed gehumeurd. Thoren van Hagen
bleef den geheelen dag in het groote huis; 's avonds liet Corona hem
de souvenirs van haar grootvader zien en verhaalde zij met een trots,
die haar bijzonder goed stond van zijn dapperheid en van Napoleon's
vriendschap voor hem.
Ook toonde zij hem muziek, afkomstig van het fransche hof, waaraan haar
overgrootmoeder eens schitterde; zij speelde die ouderwetsche airs op
de piano en neuriede ze zelfs zoo goed zij kon, want haar stem was niet
mooi.
"Dat leerde mijn oudtante aan de Amsterdamsche jeugd op de harp
spelen," zeide zij glimlachend, "zij moet een wonder van zachtheid
geweest zijn. 't Javaansche bloed heeft al die zachtheid weggespoeld,
want geen der Gérans is zacht, zelfs die kleine bengels niet,
vraag het Iteko maar."
"Meent u dan dat zachtheid niet evenals alle deugden met moeite
wordt verkregen?" vroeg Thoren van Hagen.
"Wel neen, men is zacht of men is 't niet, daar is geen middelweg
tusschen!
"Dan ben ik zoo vrij aan zachtheid weinig verdiensten toe te kennen.
Een schaap is ook zacht, en ik kan niet zeggen dat ik met dat dier bijzonder
veel op heb; wat ik in zachtheid waardeer, is een eigenschap, die slechts
langzaam wordt veroverd. 't Is de kunst om het scherpe, bitse woord
bijtijds terug te trekken als we voelen daarmee onnoodig een wond te
zullen slaan, 't is te oordeelen, zooals wij zouden wenschen geoordeeld
te worden, 't is lief te hebben met vergetelheid van zichzelf. 't Is
de kracht om zichzelf te overwinnen. Hij, die niet als het te pas komt,
toornig
[190:]
en verontwaardigd
kan zijn, die niet geeselen kan, waar een tuchtiging noodig is, maar
zich zelf dan op zijn zachtheid beroemt, dien reken ik haar meer als
een ge brek dan als een deugd aan."
"Meent u dat iemand hier zoo diep nadenkt?" vroeg Corona met
een medelijdenden lach, "denkt u dat men hier aan zelfopvoeding
doet en aan zelfoverwinning?"
"Foei, wat lastert u uw familie, juffrouw de Géran! Denkt
u dat ik niet weet hoe over geheel Java uw familie bekend staat om haar
vlekkeloos leven, om haar trouw aan de overleveringen en goede beginselen
van haar aloud geslacht, des te mooier omdat zij hier in de onverschillige
indische omgeving zoo zeldzaam is?"
"In groote dingen misschien, maar in kleine? Wie denkt er aan,
zich beter te maken dan hij is? Als er een van ons goed is, is hij 't,
omdat hij 't gemakkelijker en prettiger vindt dan slecht te zijn."
"Gelooft u dat waarlijk?" vroeg Thoren van Hagen, "en
leert de godsdienst hun dan niet om beter te worden dan zichzelf?"
Corona boog het hoofd en voelde zich klein.
"U miskent u en uw familie, juffrouw de Géran! Hoe menige
daad is niet verricht hoe menig woord niet uitgesproken, alleen omdat
u het bewustzijn in u droeg dat het beter ware ze achterwege te laten."
"Wat moet u toch een deugdzaam en braaf mensch zijn," riep
Corona met een hellen spotlach, "daar u zoo mooi spreken kunt!"
"Ik," antwoordde Thoren van Hagen, en de peinzende uitdrukking,
die zulk een droevige wolk over zijn gelaat kon doen trekken, werd sterker
dan Corona ze ooit opgemerkt had.
"Ik, u weet niet hoe slecht ik dikwijls was, u weet niet hoe vaak
ik het goede heb gezien en toch mijn hand naar het kwade uitstak; u
weet niet hoe ik meermalen gestreden heb en overwonnen ben. Maar dat
is juist het ergste, te weten wat wij moeten doen om ons zedelijk te
verheffen en toch het tegenovergestelde te verrichten. Maar u kan dat
niet beoordeelen, juffrouw de Géran, u staat zoo hoog boven alle
menschelijke zwakheden, u vindt elke zonde zoo verachtelijk, omdat u
niets heeft te doen dan uw edele natuur te volgen."
[191:]
Corona antwoordde
niet; zij bladerde een muziekboek door en hief de oogen niet naar hem
op; waarom voelde zij zich zoo onbeduidend, zoo ontevreden met zichzelf
als hij sprak? Van morgen had zij voor 't eerst eenig genoegen in zijn
gezelschap gevonden, maar nu was hij weer onverdraaglijk, en toch scheen
het een teleurstelling, toen hij zonder iets meer te zeggen naar Margot
ging, die druk aan het dammen was met Philip, en haar vroeg: of zij
den volgenden morgen met haar broer bij hem kwam roeien.
"Ik heb alle visschen commando gegeven zich door Kromo te laten
vangen en hun zondagsche baadjes aan te trekken."
"O ja, heel graag, Thoren! Heel graag!"
Het bloed vloog Corona naar de wangen; zij wierp het muziekboek op de
piano en keerde haar toornig gelaat naar Margot.
"Wat zeg je daar? Hoor ik 't goed! Brutaal nest, ga naar je kamer
en je blijft er morgen den heelen dag. Hoe durf je mijnheer Thoren van
Hagen aan te spreken of hij je speelkameraad is?"
"Mijnheer heeft het me toegestaan," schreide zij.
"Dat doet er niet toe, je mag het niet zeggen en al vraagt mijnheer
nu ook duizendmaal excuus voor je, je gaat morgen niet uit en nu naar
bed! Ik dien je voortaan weer als kleine meid te behandelen."
Margot stond snikkend op, stiet haar stoel omver en wilde de kamer uitgaan,
maar de oudste zuster riep haar terug.
"Wil je dien stoel wel eens oprapen, ondeugend kind, of ik geef
je een week kamerarrest."
Zoo onwillig mogelijk zette Margot den stoel recht en verwijderde zich,
luid schreiende. Corona stond als een beleedigde koningin tegen de piano,
zoodra de strafoefening voorbij was, begon zij weer in de muziek te
bladeren.
"'t Spijt me dat ik onwillekeurig oorzaak ben van deze scène,"
zei Thoren van Hagen haar naderend met zijn spotlach, die haar steeds
tot verzet prikkelde.
"Ik begrijp niet hoe u zulke familiariteiten van zoo'n kind wil
dulden."
"Vindt u mijn naam nog niet lang genoeg?" vroeg
[192:]
hij lachend, "ik
geef er zoo graag een stuk van present, in afwachting dat ik hem heelemaal
weggeef."
"Zij kan u mijnheer Thoren noemen, maar bij den naam, dat verdraag
ik niet."
"'t Spijt mij dat ik u zoo geërgerd heb en ik zal bij juffrouw
Margot de vergunning intrekken."
Toen 's avonds Corona in haar kamer kwam, zat Iteko daar aan een handwerkje
bezig.
"Wat heeft die Margot aangegaan!" zeide zij, "'t kind
schijnt erg aan mijnheer gehecht te zijn. De straf is haar betrekkelijk
onverschillig, maar dat zij zoo vernederd werd in zijn presentie, dat
schijnt ze vreeselijk te vinden."
"Zoo'n kind!"
"Zij is het niet meer; ik stond verbaasd over haar vrouwelijke
woorden."
"Tegen mij?"
"Natuurlijk! Ik durf u niet alles herhalen wat ze zeide."
"Ik wil 't ook liever niet weten."
"Zij is, geloof ik, erg op mijnheer Thoren gesteld en verbeeldt
zich dat hij verliefd op haar is.. . ."
"Reden te over om haar te doen voelen dat zij niets meer is dan
een stout kind."
"Maar 't ergste is dat zij uw handelingen aan een allerdwaaste
beweegreden toeschrijft."
"Wat durft zij over mijn handelingen oordeelen, van wie heeft ze
dat geleerd?"
"Wel, ik vrees van mijnheer Thoren zelf, want zij is geheel veranderd
na zijn komst."
"En wat heeft ze dan gezegd?"
"Ik durf 't u niet herhalen."
"Dwaasheid, als ik het verlang."
"Zal u 't dan nooit aan haar laten merken? Mijn prestige is er
mee gemoeid, tegenover de kinderen."
"Dat spreekt, wat heeft dat impertinente ding gezegd?"
"Dat u. . . dat u. . . o, 't is te onzinnig om het te zeggen, dat
u zoo boos was omdat u ook veel om mijnheer Thoren geeft."
Corona sprong niet op als een getergde leeuwin, zooals Iteko had verwacht,
zij viel niet uit tegen Margot,
[193:]
maar keek peinzend
voor zich; na eenige oogenblikken vroeg zij en haar stem klonk dof en
heesch:
"Zou je meenen dat anderen ook reden hadden te denken, wat Margot
durfde zeggen bij 't zien van mijn strengheid?"
"AIs u 't mij zoo stellig afvraagt, moet ik oprecht antwoorden:
Mij dunkt het wel."
"Waarom waarschuw je mij niet bijtijds, de menschen zijn zoo slecht
en zuigen uit alles kwaad; hoe onzinniger een denkbeeld is, hoe eerder
het geloofd wordt; je hadt het mij moeten zeggen."
"Maar juffrouw, ik wist niet. . ."
"'t Gewone praatje! Je had het moeten weten, 't is geen kunst iets
te begrijpen, als het reeds gebeurd is maar men moet het vooruit kunnen
zien."
"lk hoop 't waar te nemen," antwoordde Iteko onderdanig.
Corona bleef zwijgend nadenken.
"Iteko", zoo begon zij weer, "zeg morgen aan Margot,
dat ik de straf ophef; ze kan doen en laten wat ze verkiest, gaan waarheen
ze wil."
"Best juffrouw!"
"Hoe oud is Margot?"
"Bijna veertien jaar."
"Nu, over twee en een half jaar kan mijnheer Thoren van Hagen om
haar komen; tot zoo lang mag hij in zijn meer blijven visschen tot groote
ergernis van de inlanders. Dan zal eindelijk de echte goudvisch zich
laten vangen."
Zij lachte onnatuurlijk scherp.
"Ik wilde dat bij voor dien tijd weg was," mompelde Iteko.
"Waarom? Hij hindert me niet en is zijn gezelschap wel waard. Wat
maak je daar, Iteko?"
"U sprak van granaatbloemen voor het volgende bal en ik probeer
ze te maken."
"Dat is reeds spoedig, vandaag over veertien dagen. Denk er om
dat we een mooi toilet voor mevrouw Conrad klaar hebben. Ik wil dat
zij er prachtig uitziet, lichtblauw natuurlijk met fijne gele bloemen,
zal dat niet goed staan voor een blondine?"
"De tint van mevrouw is wat te warm voor licht
[194:]
blauw. Niets zou
haar beter kleuren dan rozerood van de allerlichtste nuance, met vergeet-mij-nietjes."
"Nu, bestel het dan dadelijk uit Samarang, voor de bloemen kun
je zelf zorgen."
"Ik zal mijn best doen ze klaar te krijgen."
"Je bent een juweel, Iteko. Hoe zou ik me redden, zonder jou?"