XXIV.
Toen Hermelijn in
Djantong terugkwam, was haar man niet thuis; zij trad binnen met het
gevoel van een vogeltje, dat in zijn kooi terugkeert, uit eigen wil,
na eerst getracht te hebben in de vrije lucht te leven en het daar even
treurig, even somber vond als binnen.
Zij ging alle kamers door als zocht zij een spoor van hem, wiens beeld
haar geen oogenblik uit de gedachte week, zoo betrad zij ook zijn kamer.
Aan den muur hing het portret zijner moeder, een schoone peinzende vrouw,
daaronder dat van een paar zijner zusters en broers, - niets dat aan
haar herinnerde; op tafel lagen boeken en cahiers in echte jongensachtige
verwarring door elkander.
Met licht verklaarbare nieuwsgierigheid wierp Hermelijn daarin een blik
en glimlachte; het waren Duitsche en Fransche leesboeken, die hij scheen
te bestudeeren. De Frithjofsage lag er tusschen, rijk met potlood-aanteekeningen
voorzien; hij scheen het er op gezet te hebben, die te verstaan, ook
teekeningen lagen daar half verspreid of half weggeborgen in een portefeuille.
Conrad teekende uitstekend; zonder veel les te hebben gehad, slaagde
hij er in paarden en menschen vlug uit de hand weer te geven. Hermelijn
nam ze op en zag die kloek uitgevoerde schetsen bewonderend na, totdat
haar aandacht getrokken werd door een blad papier, waarop allerlei losse
schetsen waren neergeworpen, een vrouwekop, in verschillende uitdrukkingen
en van alle kanten weergegeven, kwam telkens en telkens terug, als wanhoopte
hij er aan, ooit in de uitvoering te slagen.
Het bloed steeg Hermelijn naar het hoofd; dat was
[181:]
zijzelf, er kon
geen twijfel mogelijk zijn; ondanks zijn schijnbare onverschilligheid
was Conrad's geest toch met haar bezig. In haar afwezigheid had hij
getracht haar na te teekenen, hij dacht aan haar, hij wilde haar zien;
met bevende handen, als in een droom, legde zij de teekeningen weer
op hun oorspronkelijke plaats, verliet de kamer, zoo zacht als zij kon,
met de oogen half gesloten, zoo vreesde zij het gezicht dat zij aanschouwd
hadden, door de nabijheid van andere voorwerpen, te verliezen.
Het was of er iets lossprong in haar hart, of een band die haar ziel
samensnoerde, plotseling verwijd werd, zij kon jubelen, zij kon bidden,
zij kon danken; het was of zij weken lang gedoold had in een sombere
grot en nu eindelijk een flauw schijnsel ontwaarde, dat redding, leven,
geluk beloofde. Zij was zoo verheugd door haar ontdekking als een schipbreukeling
zijn moet, die na zijn lange omzwerving op den Oceaan eindelijk een
land vogel ontwaart of de onbepaalde geur ruikt van bosschen en bloemen;
en zij smachtte naar liefde, naar geluk, als de drenkeling naar vasten
grond.
"Mijn God, ik dank U,'t is of ik ook U weer teruggevonden heb,
nu ik weer een bewijs van uw liefde, uw goedheid zie," snikte zij;""O,
ik kon mij u niet anders voorstellen dan als een teederen vader en zoudt
ge mij hier alleen laten tusschen al die vreemden, zonder steun, zonder
plicht, zonder hoop?"
Zij trachtte langzaam tot bedaren te komen, den storm van blijde gevoelens,
die in haar opstak te onderdrukken, opdat hij niets zou bemerken als
hij terugk wam; wanneer hij nu eens binnentrad en haar plotseling in
zijn armen sloot, zou zij nog wrok tegen hem voelen? Neen, niets, niets
meer, zij zou de oogen sluiten, tegen hem rusten als een vermoeid, gewond
vogeltje en hem niets anders verwijten dan:
"Stoute jongen, wat heb je mij geplaagd!"
Maar zij moest leven in de werkelijkheid, niet in het land der droomen
en met een glimlach stond zij op en trachtte de gangen van haar huis
na te gaan.
Er was weinig te doen, alles bevond zich in de volmaaktste orde; de
bedienden, door Corona aan haar afgestaan, waren beproefd en vertrouwbaar;
zoo zij
[182:]
niet vol was van
het reinste, hoogste geluk, zou 't bewustzijn haar pijnlijk getroffen
hebben dat zij volstrekt niet onmisbaar was, dat haar afwezigheid niet
de minste stoornis bracht in het kleine raderwerk van haar huishoudentje.
Daar hoorde zij plotseling Conrad's stem, die zijn staljongens iets
toeriep; al het bloed stroomde uit haar gelaat weg, wat moest zij doen,
hem tegemoet gaan, zooals haar hart dat ingaf? Of afwachten?
Hij sprak met Guillaume's mandoer, die met zijn dienstpersoneel rustig
in een der bijgebouwen rondom de sirih-doos geschaard zat, en wist alzoo
dat zijn vrouw teruggekeerd was; na enkele minuten, die Hermelijn uren
toeschenen, trad hij door de achter-galerij het huis binnen; hij wist
niet wat hij doen zou. Hermelijn's gespitste oortjes namen duidelijk
elk geluid op, dat hij heen en weer loopende, maakte. Na eenigen tijd
op en neer schuiven kwam hij eindelijk naar voren, waar Hermelijn in
haar schommelstoeltje zat te lezen, schijnbaar tenminste, want het boek
met al zijn letters danste haar voor de oogen.
"Dag Hermine," zeide hij kortaf:
"Dag Conrad," antwoordde zij zonder de oogen op te slaan;
't was of alles bij haar klopte, de polsen, het hart, de keel, de oogleden
zelfs, zij kon zich niet verroeren en vermoedde niet, hoe zij in Conrad's
oog het beeld der volmaaktste onverschilligheid scheen.
En toen hij bleef zwijgen en al zijn aandacht wijdde aan een knoop in
het ophaal touw der rieten zonneblinden ging zij voort:
"Je moet de groeten hebben van Poppie en August, en van Guillaume
en Toetie."
"Zoo, waren ze allemaal wel?"
"Ja, ik vond Poppie recht hartelijk en goedig voor mij!"
"Dat doet me pleizier."
"Je zegt het of 't je niet schelen kan."
Hij antwoordde niet en ging voort den knoop te ontwarren.
"Heb je visite gehad?"
"Neen."
"En ben je nog naar 't groote huis geweest?"
[183:]
"Wat zou ik
er doen? Je komt er zeker vandaan?"
"Neen, ik kom rechtstreeks van Wilhelmshöhe."
"Waarom ben je er niet langer gebleven?"
"Omdat ik mij liever misplaatst voel in mijn eigen huis, dan in
dat van anderen."
Daar bleef het gesprek bij; arme Hermelijn! al haar droomen van toenadering
en verzoening verdwenen in rook maar toch, het sterretje bleef flikkeren,
te midden van den stikdonkeren nacht en daarheen wendde zij nu al haar
hoop, al haar vertrouwen.
Er was niet de minste verandering in Conrad's houding tegenover haar;
hij ging zijn weg en zij den hare; Hermelijn merkte alleen op, dat hij
iets minder onbeleefd was. Een enkelen keer gaf hij haar aan tafel wat
aan, hij kleedde zich des middags en joeg zijn honden niet door het
huis, maar bij elke toenadering van zijn vrouw, hoe gering ook, trok
hij zich terug en, hoeveel 't haar kostte, begreep Hermelijn nu toch,
dat er niets beters kon zijn dan hem geheel aan zich zelf over te laten,
en niet de minste blijken te geven dat zij door zijn houding bitter
leed. Onverwacht kreeg zij den volgenden dag bezoek van Portias en Kitty,
die van August terugkeerden en langs een omweg Djantong aandeden.
Hermelijn's wangen gloeiden door de aangename verrassing. Conrad was
natuurlijk van huis; zonder zijn stroohoed af te zetten, nam Portias
plaats voor de piano en sloeg eenige helderklinkende accoorden aan.
Kitty moest alles weten wat er bij Toetie voorgevallen was en gierde
het uit van 't lachen; beiden waren opgewonden als een paar schoolkinderen,
die een dag vacantie hadden.
"Morgen zitten we weer onder Cor's duim, laten we vandaag maar
pret maken!" juichte Kitty, "och toe, Jo, speel nu eens een
walsje, dan gaan we een rondje maken! Mineke en ik!"
"Op sloffen?" vroeg Hermelijn lachend.
"Dat hindert niet, kom ventje dan speelt Mine straks ook en dan
gaan wij samen dansen! An den schönen, blauen Donau."
En zij greep haar zuster om het middel en toen de muiltjes haar hinderden,
wierp zij ze af en danste op
[184:]
haar bloote voeten.
Hermelijn had europeesche pantoffels met hakjes aan en kende dus dat
bezwaar niet, al vond zij de sarong nu juist geen geschikte dansjapon.
Plotseling zag Portias echter dat zijn Kitty met haar rose voetjes over
het witte marmer trippelde; hij; sprong op, nam haar in zijn armen en
deed haar zelf de muiltjes weer aan, luid knorrend over haar onvoorzichtigheid.
"Viooltje, viooltje! wat doe je toch je man een verdriet, foei,
foei! heb je dat van Poppie geleerd; weet ik hou niet van zulke adat
Djawa [Javaansche manieren.]"
"Maar ik kan moeilijk zoo dansen."
"Dan moet je spelen?"
"Ondeugende jongen, dat is om met Hermelijn te kunnen dansen! Nu,
ik zal maar denken, dat je de vrouw ontwend bent. Verbeeld je Mine,
al dien tijd heeft hij zijn oude vlam Cor, het hof gemaakt. Kun je 't
nu begrijpen, dat ik zoo'n vlinder heb willen nemen? Hij is doodelijker
van Cor geweest dan ooit van mij!"
"Viooltje, viooltje! Wat klink je nu valsch."
"Haar noemde hij altijd violoncel! Ik ben maar een kleine viool,
en zij is het zuiverste, het grootste.instrument. Ja, ik kan ook jaloersch
wezen; nu op Mientje, ben ik het niet. Dans maar eens een walsje met
haar, je kunt het zoo mooi; ik zal wat gaan tingelen."
Juist was Hermelijn druk met Portias aan het doorwalsen van de galerij,
toen Conrad t'huis kwam en het luide gelach van Kitty hoorde, dat haar
vrij hakkelend pianospel overstemde.
Portias danste potsierlijk; hij zwaaide met het bovenlijf, wierp zijn
lange beenen naar links en rechts, stiet tegen muur en meubels aan,
tot Hermelijn, even hard lachend als Kitty, hijgend bleef staan. terwijl
haar cavalier uitgeput van de inspanning zich het zweet van het voorhoofd
droogde.
Haar geparelde, melodieuze lach trof voor het eerst Conrad's oor. Zij
zag er allerliefst uit, zooals zij daar tegenover Portias stond met
de blonde lokken, in verwarde krullen over voorhoofd en hals hangend,
een
[185:]
hoogen blos op
de fijne witte wangen, en de stralende lach om de lippen in haar sneeuwwitte
kabaja en donkerblauwe sarong, die de fraaie lijnen van haar gestalte
zoo bevallig volgde.
"Je komt of je geroepen wordt, Coen," riep Kitty hem toe,
"je ziet, wij hebben hier een miniatuur bal, maar mijn domme strijkstok
weet van dansen niets af en ik niets van spelen. kom José, de
Faustwals, en Coen, pak nu je vrouwtje beet en toon haar hoe de Indischen
kunnen dansen."
"Ik ben moe," zei Conrad kortaf, terwijl Hermelijn plotseling
ernstig werd, haar weerbarstige lokken gladstreek, en zich omkeerde,
zonder naar haar man om te zien.
"Je bent een saaie, akelige jongen, maak het de poes wijs, dat
je moe bent, mij niet! Probeer het maar eerst met mij, neen wees niet
bang, oude bromtol! Ik heb mijn slofjes aan, kom, een, twee, drie!"
Conrad wierp hoed en rijzweep weg, toen hij zag dat er niets aan te
doen was en danste met zijn zuster eenige malen op en neer.
"Neen, ik kan waarlijk niet," riep zij ontevreden uit, "ik
mag niet ongehoorzaam wezen, en die muiltjes zijn me veel te groot.
Conrad, laat mijn man niet voor niemendal spelen, pak Hermelijntje beet
en denk dat het een kunstenaar, een groote artist is die jelui accompagneert."
Zij nam haar broer bij de eene en haar zuster bij de andere hand en
trok ze naar elkander toe, beiden schenen even onwillig en Hermelijn
had grooten lust zich van Kitty's vingertjes los te maken, maar zij
wilde geen gelegenheid tot toenadering latelI ontsnappen en dus Kitty
niet tegenwerken. Conrad sloeg eindelijk met een boos gezicht zijn arm
om haar heen en deed eenige stappen.
"Wil je ook handschoenen hebben om haar aan te pakken?" vroeg
Kitty. "'t Schijnt dat je het dansen verleerd bent. Foei, wat zal
je vrouw van zoo'n sinjo denken?"
Of hem dat woord prikkelde, of dat hij een vast besluit nam om zich
niet belachelijk voor te doen, zoodra de maat der muziek het hem veroorloofde
[186:]
beschouwde hij
Hermelijn als een gewone danseres en vloog met haar de zaal door. Portias
speelde al vuriger en vuriger, aangehitst door zijne vrouw, en het tweetal
zweefde hoe langer hoe sneller voort. Hermelijn voelde zich als bedwelmd,
zij rustte nu in Conrad's armen, hij klemde haar vaster aan zich, waarom
kon die dans niet altijd duren, waarom moest hij haar straks weer los
laten? Zij voelde zich zoo veilig, zoo gelukkig, zoo zalig aan zijn
borst geklemd, door zijn hand gesteund. Zij dansten voort, altijd sneller
totdat Portias eindelijk stil hield; toen bleven zij staan, beiden even
duizelig, en even verward, de betoovering moest eerst langzaam wijken.
Nog leunde Hermelijn met gesloten oogen op zijn schouder, zijn oogen
schitterden en de booze, norsche uitdrukking was er uit verdwenen.
"Wat ben je toch met je beiden een prachtig paar," riep Kitty
uit, hen bewonderend aanstarend.
Dat woord verbrak de ban, Conrad liet Hermelijn los, die nog niet tot
zich zelf gekomen, op de canapé neerviel, en ging naar de piano
om Portias te vragen of hij 't instrument niet erg ontstemd vond.
Kitty omhelsde Hermelijn en vleide zoo hartelijk mogelijk:
"Wat dans je toch mooi, ik wist niet dat ze 't in Holland zoo goed
kenden. Die andere hollandsche meisjes dansen zoo stijf, maar je bent
volstrekt niet als een tottok. Vindt je niet José?"
"Foei Kitty, wat een onbescheidene vraag!" zeide Hermelijn
glimlachend.
"O, dat is hij van mij gewend, niet waar manneke? De vrouw meent
het zoo goed, maar zij heeft toch oogen om te zien, dat een sapoe lidi
[Bezem.] nog meer gratie heeft dan hij; al zijn elegance zit in zijn
vingers of liever in de piano en de viool als hij er op speelt."
"Dat was een uitstekend duet, door de been en uitgevoerd! Is het
niet vreemd, Hermine, dat alles door muziek kan uitgedrukt worden, zelfs
de kunsten die er 't minst op gelijken?"
"Ik heb er nooit over nagedacht, Portias."
"Let dan maar eens op! De dans is muziek, zij ge
[187:]
lijkt er het meest
op, zij heeft tempo's en noten, al zijn de duetten het meest voorkomende,
toch bezit zij ook soli en quartetten, zelfs een vol orkest, want wat
is een balzaal eindelijk dan een vol orkest? Dichtkunst en muziek zijn
ook gemakkelijk te vergelijken, en schilderkunst is niets dan een symfonie
van kleuren. Ik geloof dat dan eerst het hoogste in de kunst bereikt
is als de schilder er in slaagt de verborgen cadans der kleuren en lijnen
op te sporen, ze samen te voegen tot melodieën en daarmede muziekstukken
op het doek samen te voegen."
"Maar de beeldhouwkunst en de architectuur dan?"
"Dat zijn de lijnen, dat is de rust, die over het figuur verspreid
liet, 't is het perspectief, de. . . de. . . maar dat moet ik nog nader
bestudeeren. De menschelijke ziel ook, de philosophie, laat zich 't
best door muziek verklaren. In de middeleeuwen waren ze er niet blind
voor; nu zijn de menschen te mathematisch, alles moet wiskunstig verklaard
worden, zelfs de indruk, dien de muziek op den mensch uitoefent. 't
Is belachelijk vindt je ook niet, Coen?"
"Ik weet het niet ik ben te dom om die geleerde dingen te begrijpen,
ik weet niets," was het barsche antwoord.
"Dan gaat het je als mij, Coen?" riep de goedhartige maar
niet altijd even voorzichtige Kltty, "ik begrijp ook niets van
al die wijsheid. Alleen vind ik het heel mooi om aan te hooren; als
José nu een knapper vrouw had gehad, zou zij dat misschien nonsens
vinden en er om lachen als Oor, maar 't is zoo gemakkelijk een dom bebèkje
[Eendje.] tot vrouw te hebben, hé vent?"
"O ja, dat is 't beste wat een man treffen kan," antwoordde
Conrad uit de volheid van zijn hart op een toon, die Hermelijn door
de ziel sneed.
"Adres aan Guillaume!" kon zij niet laten te zeggen.
"Toetie is niet dom," riepen Conrad en Kitty tegelijk uit,
"maar zij is onverstandig," vulde de laatste aan, "en
ben ik dat ook, Jo?"
"Jij bent het liefste wijfje van God's schoone schepping, dat na
Eva op de wereld is verschenen," riep
[188:]
hij in volle overtuiging
uit en bezegelde zijn woorden met een omhelzing zoo innig dat Kitty
luid "adoe, adoe, je doet me pijn," riep en zich met een gezicht,
stralend van vreugde, los maakte.
"Enfin, je komt laat tot die erkenning! Vroeger dacht je anders,
maar ik vind het toch bijzonder vleiend, na Cor in aanmerking te komen
en niet erg tegen te vallen," schertste zij.
Het eten werd opgediend; Kitty en Portias hadden het zeer druk en Hermelijn
wond zich op, om hen niet af te vallen. Zij was nog onder den indruk
van den dans met Conrad, die haast geen woord sprak, zwijgend at en
onheilspellend voor zich uitkeek; alle plagerijen van Kitty konden geen
glimlach op zijn somber geplooide lippen te voorschijn roepen.
Na het maal gingen de zusters naar de bijgebouwen om de vogels te zien
en de dispens te bezoeken.
"Is hij nu altijd zoo?" vroeg Kitty.
"O 't is vandaag een zondagshumeur," was 't antwoord, met
die bitterheid gezegd, welke bij Hermelijn zoo pijnlijk en valsch klonk.
"Wat scheelt hem toch? Wat verhaalt hij toch op jou? Waarom is
hij dan met je getrouwd?"
Hermelijn zweeg op deze vraag, waarvan zij het antwoord maar al te goed
wist en dat de gelukkige, luchthartige Kitty niet vermoeden kon.
's Middags vertrokken zij: Kitty als een koningin in haar draagstoel
geinstalleerd, Portias als een trouwe cavalier aan haar zijde rijdend;
toen ze weg waren, ging Hermelijn naar haar kamer, Conrad het bosch
in.
Weinig vermoedde zijn vrouw, hoe hij zich daar op het gras neerwierp
en in hartstochtelijke snikken uitbarstte, die aan zijn gefolterd gemoed
eenige lucht gaven.
"Wat moet zij mij uitlachen, wat moet zij mij een akelige, linksche
sinjo vinden, een domoor, een onbeschaafde kwajongen " kermde hij,
"wat doe ik naast zoo'n vrouw, die van mij niet kan houden, die
alleen vroolijk is, als ik niet bij haar ben. Ik ben geen man voor haar!
Ik moet een domme vrouw hebben als Poppie of Toetie, niet een, die.
. . . koningin zou kunnen wezen! O God, God, laat mij toch sterven!
[189:]
dan kan zij trouwen
met iemand, die haar beter waard is."