VIII.
Hun tijd van logeeren begon in te krimpen; den volgenden dag zouden
Valérie en Lucie weer naar huis teruggaan.
[65:]
Den laatsten dag kreeg mevrouw De Rooze gasten over uit Hilversum
en er werd besloten dat men naar de Lage Vuursche zou rijden en daar
in het bosch een picnic houden.
Zij reden in groote tentwagens weg; Lucie zat met een paar nichtjes
van mevrouw De Rooze, die zij vroeger bij haar aan huis had ontmoet,
en met wie zij dus dadelijk zeer op haar gemak was. De meisjes waren
vergezeld door broers en vrienden van de broers: studenten, een candidaat-notaris
en een zee-officier, die heel kameraadschappeltjk en los met de jonge
dames om gingen, zoodat Lucie volstrekt niet jaloersch was op haar zuster,
die in een kleiner brik volgde met mevrouw De Rooze, een paar heeren
en dames van geposeerden leeftijd en den onafscheidelijken Norbert,
haar trouwen cavalier.
In den grooten tentwagen werd veel gelachen en gekheid gemaakt, vooral
de zee-officier amuseerde het gezelschap met zijn grappen.
"Heerlijk dat wij hier zoo onder jong volk zijn," zeide hij,
"de oude lui zitten daar veilig."
"Oude lui, er zijn toch ook jonge bij!"
"Ja maar dan heb je nog liever de oudjes dan zoo'n jong exemplaar,
als b. v. die lieveling van mevrouw De Rooze. 't Lijkt wel haar schoothondje,
't is haar laatste lieveling, hij kan zoo aardig pootjes geven!'
"Mag je hem niet lijden, Daan?"
"Ik kan hem niet uitstaan en ik begrijp niet hoe zoo'n lief mensch
als mevrouw De Rooze zich door hem laat inpakken."
Lucie schrikte.
In de laatste weken had zij op alle mogelijke toonaarden den lof hooren
verkondigen van Norbert de Rooze. Iedereen scheen bereid hem tot de
wolken te verheffen en hier durfde zoo'n piepjong officiertje op een
toon van minachting en verontwaardiging over hem spreken.
[66:]
"Och Daan!" riep een der meisjes, "vertel ons toch
wat van "Berto". Wat is er toch eigenlijk met hem gebeurd?
Je hoort er over smoezelen, en zij zeggen dat het iets heel ijselijks
is, maar het rechte hoor je nooit. Kom, je weet er alles van, vertel
het ons eens!"
Lucie kneep haar handen in elkander; niemand lette op haar en niemand
zag dan ook hoe bleek zij was en hoe haar lippen trilden. Zij smachtte
er naar iets over Norbert te hooren en toch vreesde zij het te weten;
vol inspanning keek zij den zee-officier de woorden uit den mond.
"Dat is juist wat ik niet doen kan en misschien kan dit niemand
ter wereld. Ik heb alleen maar menschen gesproken, die zijn reiskameraad
kenden, je weet wel, die in Afrika gestorven is, en die denken alles
behalve lief over Norbert. Zij kunnen óók niets zeggen
want zij weten zelf niets en kunnen niets bewijzen. De Rooze heeft geld
en je weet, geld maakt recht wat krom is en daarbij is hij zoo ongemakkelijk,
dat iemand, die hem te na komt, er berouw over zou hebben maar waarlijk
't fijne van de zaak weet ik niet. Misschien heb ik al veel te veel
gezegd, maar dat er leelijke stukjes over onzen "Berto" in
omloop zijn, weet iedereen. Zijn vrienden, maar die heeft hij heel weinig,
noemen het natuurlijk laster."
Er werd niet verder over gesproken maar Lucie kon er haar gedachten
niet van afzetten; zij deed haar best vroolijk en opgewekt te doen,
wat haar anders niet moeilijk zou zijn gevallen want het was een heerlijke
dag, prachtig zonnig weer, het bosch in schitterende voorjaarstooi,
het gezelschap vol leven en opgewektheid.
Het was warm maar niet drukkend en men deed allerlei spelletjes, in
afwachting dat het smakelijke maal werd voorgediend op den boschgrond,
die echter bedekt werd door een kleed, terwijl voor de oudere
[67:]
gasten tabouretten en kussens waren medegebracht.
De jongenlui strekten zich het liefst maar in het gras uit.
Hier kwam het beter dan ooit uit hoe Norbert de heId van den dag was;
hij schitterde door zijn geestige invallen, zijn aardige reisannecdotes
en boeiende herinneringen. Hij dwong het gezelschap met aandacht naar
hem te luisteren.
Valérie zat naast hem en hij was vol kleine attenties voor haar;
't scheen of hij het reeds als zijn recht beschouwde, haar als zijn
dame te behandelen.
Lucie kon de oogen niet van hem afhouden, zij voelde zich slecht op
haar gemak, zij praatte, lachte, speelde, luisterde, maar steeds was
het haar of een zwaar gewicht haar op het hart lag. Telkens hoorde zij
weer de woorden van den zeeofficier.
Zij verlangde er meer van te weten en toch schrikte zij er nog altijd
voor terug; zij wist dat De Rooze iemand was, gewoon zijn zin door te
drijven en dat, nu hij Valérie tot vrouw wenschte, niets ter
wereld hem zou beletten zijn voornemen tot uitvoering te brengen.
Maar als hij slecht was en wreed, welk vreeselijk lot zou haar lieve
zuster dan wachten? Was het dan niet haar plicht, haar tegen dien man
te beschermen en het huwelijk te verhinderen? Alles moest zij wagen
om haar zuster te beletten voor het leven ongelukkig te worden.
Laat in den middag na die lunch, gelukte het haar Daan alleen te spreken;
onder voorwendsel hem de kapel te laten zien, verwijderde zij zich met
hem en nauwelijks waren zij buiten bereik van andere ooren of zij vroeg
zonder omwegen:
"Och mijnheer! wees zoo goed en vertel nog iets van Norbert de
Rooze. Hij komt veel bij ons aan huis en ik heb altijd tegen hem opgezien
als tegen een held, maar sedert u van morgen dat zei... "
Het jongmensch werd vuurrood en antwoordde haastig en gejaagd:
[68:]
"O ja, dat heb ik later gehoord, dat u hem goed kende en dat...
't was heel dom van mij zoo iets te zeggen maar ik ben nog al haastig
gebakerd en het hart ligt mij op de tong, maar ik heb er zoo'n spijt
van. Ik wou voor een tientje dat ik niets had gezegd. Wat heb ik er
mee te maken?"
"Neen, dat moet u niet zeggen!" hernam Lucie levendig, "ik
was blij dat u sprak, want ik heb ook een vermoeden, ik weet zelf niet
wat het is of waar het van daan komt: ik zou zoo graag de waarheid willen
weten, er is mij zoo veel aan gelegen en ik zou er u zoo dankbaar voor
zijn."
Daan wachtte een oogenblik, toen begon hij te spreken.
"Ik zal u het feit vertellen zoo kort als maar mogelijk is. Ik
had er niets van moeten loslaten maar nu u er zoo op aandringt, is het
beter dat u maar alles weet, want anders denkt u er nog een boel meer
van. Die reisgenoot van hem moet met hem samen op een zeer eigenaardige
wijze in Afrika aan een groote som geld gekomen zijn, maar hij kreeg
de gele koorts en niemand was bij hem dan De Rooze. Deze kwam naar Europa
terug maar de familie van den andere heeft van den schat niets meer
gezien en is daarover alles behalve gesticht. Natuurlijk moet men zulke
dingen van twee kanten hooren. Misschien kan Norbert er een zeer goede
verklaring van geven waar dat geld gebleven is en hoe het eigenlijk
toeging, maar er zijn geen getuigen en dus kan niemand iets met zekerheid
van hem zeggen."
"En zij zeggen toch veel!"
"Och ja, er gaan heel veel praatjes over hem rond. 't Is eenige
jaren geleden ea na dien tijd heeft hij nog veel gereisd en zich in
vele opzichten een held getoond. Er zijn zooveel menschen, die een groote
vlek in hun verleden hebben, maar dat weet men zoo niet en 't is beter
in troebel water niet te roeren.
[69:]
Als men nu nooit eens een fout kon goedmaken, waar bleven wij dan?
U moet het maar niet te zwaar opnemen en vooral niet er over praten,
want dat zou veel kwaad bloed zetten. Hij wordt zoo gevierd."
"Maar dat doet er niets toe, als hij 't niet verdient."
"Misschien verdient hij 't wel om iets anders en dan heeft hij
succes en succes doet veel vergeten; 't is zoo'n wijde dekmantel. Hij
zal het ver brengen, dat zal u zien, en u moet maar niet verder naar
die oude dingen vragen. Zooveel menschen zouden misschien precies hetzelfde
hebben gedaan in zijn plaats, niemand weet immers vooruit hoe hij handelen
zal in dit of dat geval."
Het officiertje werd verlegen en kon haast niet meer uit zijn woorden
komen. Wat had hij zich toch ook in een wespennest gestoken! Dat meisje
met haar eerlijke oogen scheen hem alles uit de ziel te willen lezen
en toch, ook hij had innig medelijden met haar zuster, dat mooie, lieve
meisje, 't zou toch zonde zijn als die trouwde met zoo'n bruut als De
Rooze.
"Ik kan hem niet goed velen, maar ik ben een heel gewone jongen
en zie hem met andere oogen aan. Ik weet hoe hard die familie van zijn
reisgenoot geld noodig. heeft, maar ik zeg het u nog eens, men moet
alle dingen van twee kanten hooren."
"Ja, dat is zeker," antwoordde Lucie bijna geheel werktuigelijk.
"En ik zou er niets van aan uw :luster zeggen. Uw vader zal wel
informatiën nemen en als iets niet in orde is, dan komt het toch
wel uit."
't Gesprek eindigde hiermede, maar Lucie begon te begrijpen, dat het
leven zoo heel eenvoudig niet was en dat men, om in de wereld te leven,
altijd geven en nemen moet, dat er geen helden waren heel licht en wit
van kleur en geen duivels door en door zwart, maar dat alle tinten zich
tusschen beide uitersten bewegen en men dus niet te hard moet oordeelen
[70:]
over de toegevendheid van sommige menschenjegens de fouten en tekortkomingen
van anderen.
Zij was een meisje, dat over alles nadacht en geen rust had wanneer
zij iets hoorde, vóór dat zij het in haar geest had verwerkt
en er met zichzelf mede in het reine was.