IX.
Mark lag op een gemakkelijken stoel onder de veranda van zijn grootmoeders
villa, toen op een heerlijken, zonnigen morgen, daags na haar terugkeer
uit Baarn, Lucie hem kwam bezoeken.
Hij was in die veertien dagen wel vooruitgegaan, de rust en de koesterende
zorgen zijner grootmoeder hadden hem veel goed gedaan en het was een
bepaalde verlichting voor zijn zuster, toen zij hem terugzag te merken
dat hij lang zoo verminkt niet was als zij vreesde. De kap en het verband
van zijn voorhoofd waren verwijderd en niets bleef van zijn verwonding
over dan een litteeken boven zijn oogen, dat het breede voorhoofd niet
erg misvormde en bovendien alle kans had flauwer te worden; ook zijn
arm hing niet meer in een doek en hij kon de hand reeds een weinig bewegen.
Nu was het Lucie mogelijk zijn gezicht op haar gemak te beschouwen en
zij moest bekennen dat bij haar niet tegenviel al was hij verre van
knap te noemen. Het was een flink besneden gezicht, maar met trekken,
misschien door pijn of zorg er op gegrift, die Lucie niet kon verstaan.
Zijn oogen boezemden haar echter vertrouwen in, het waren goedige, ferme
oogen, die iemand recht in het gelaat zagen en daarin vond zij, wonnen
zij het van Norbert's blik, die altijd min of meer afgekeerd bleef.
[71:]
Tilly zat naast hem, zij was met haar Engelsche les bezig en hij gaf
haar wenken over de uitspraak; zij vroeg hem telkens om uitleggingen
als 't een of ander haar niet duidelijk was.
Lucie werd blijde begroet door haar kleine zusje en kalmer door haar
grooten broer.
"Vind je den zieken man niet opgeknapt?" vroeg Mark toen zij
aan zijn anderen kant op een laag stoeltje had plaats genomen. "Nu
schrik je zeker niet zoo erg meer voor hem terug als op dien eersten
avond?"
Lucie kreeg een kleur; hij had haar onwillekeurigen afkeer gevoeld.
"Ik vond het bitter treurig je zoo terug te zien Mark," antwoordde
zij verlegen.
"O Luus," juichtte Tilly, "Mark en ik zijn zulke goede
vrienden; hij is wat een leuke broer, zoo heel anders dan die vervelende
Willem! Wij kunnen erg goed met mekaar overweg, hé Mark?"
Hij glimlachte en streelde Tilly over het mooie, glanzende haar.
"Ja Tillylief! Je bent een aardig zusje en je hebt mij goed gezelschap
gehouden in deze weken. Ik heb je een boel van mijn beterschap te danken."
"Nu Mark, ik hoop dat wij ook prettig zullen kennis maken of liever
de kennis hernieuwen," zeide Lucie nog altijd min of meer gedwongen.
"Ik heb mijn taak vervuld bij mijn oudste zuster, nu hoop ik die
te beginnen bij mijn oudsten broer."
"Is het er dan al door met Valérie en haar held?"
Lucie glimlachte, Tilly had haar broer zeker reeds alles verteld wat
er met Valérie hangende was.
"Neen, er door is 't niet, maar ik geloof zeker dat het er spoedig
van komen zal."
"En nu heb je zeker evengoed met hem kennis gemaakt als ik met
Mark en vind je hem werkelijk een held, Lucie?" vroeg Tilly dringend.
[72:]
Lucie bloosde, zij dacht aan de minder goede getuigenissen die zij
over Norbert had ontvangen en het kostte haar moeite over hem te spreken.
"Hij heeft niet veel gelegenheid gehad in Baarn zijn heldenmoed
te toonen maar hij heeft ons veel verteld van zijn reizen en avonturen."
"Daar moet je mij heel veel van oververtellen, hoor je Lucie! Ik
wil mijn aanstaanden broer ook leeren kennen en bewonderen."
"Verdeel de huid niet vóór je den beer hebt,"
vermaande Mark, maar Tilly hoorde het niet.
"En ze gaan naar Den Haag wonen, hoorde ik zeggen - tenminste mijnheer
De Maubel Rooze - wat 'n mooie naam, vind je niet Mark? - wilde daar
een huis huren en zich inrichten, want hij heeft zooveel mooie dingen
van zijn reizen meegebracht. Het moet een waar museum zijn en stel je
voor! Onze zus zal daar meesteres over worden. Wij mogen er zeker veel
komen logeeren, en wat zal dat heerlijk zijn, alle dagen met de stoomtram
naar Scheveningen en de Koningin dikwijls zien!"
Zij had een kleur van de voorpret en 't was alleraardigst het opgewonden
kleine ding in haar ongekunstelde naïviteit te hooren, maar toch
genoot Mark meer van haar blijdschap dan Lucie, die een zorgvol trekje
om haar lippen behield, want zij kon niet zoo onvoorwaardelijk instemmen
met het heerlijke lot dat haar lieve zuster scheen te wachten.
Misschitn zag Mark haar terughouding en begreep hij dat zij iets op
het hart had, waarvan Tilly nog niets behoefde te weten.
"En wordt het voor onze kleine droomster geen tijd haar thema's
te maken, anders zal Mademoiselle weer knorren en zeggen dat mijnheer
Mark je afleidt in je studiën."
"Ja, ik ga dadelijk naar binnen maar ik moet je nog eerst wat vertellen,
Lucie. Weet je dat Mark
[73:]
morgen weer naar huis gaat? Grootma krijgt logées en Ma zegt
dat Mark gerust thuis kan komen want hij ziet er weer heel presentabel
uit."
Lucie kreeg een kleur als vuur maar toen Mark hartelijk begon te lachen,
deed zij mede en het was of die gemeenschappelijke lach hen nader bij
elkander bracht.
"Nu Bébé, je hebt me dat niet eens gezegd?"
zeide Mark.
"Deed ik het niet? Nu ik verzeker je dat Moeder het gezegd heeft
en ik vind het ook. Je bent nu een heel ander man dan toen je pas kwam
en weet je wat er verder besloten is? Wij gaan heel spoedig naar buiten,
naar "Wameldinge", nog vóór de anderen - dat
wil zeggen - wij, dat zijn Grootma, Lucie, Mark en ik en de anderen
zijn vader en moeder en Valérie. Dus daar hebben wij dan het
rijk alleen. Mark moet de buitenlucht hebben, zegt de dokter, en wij
zijn heel onder ons, zonder gasten, misschien Agathe alleen."
"Agathe!"
"O ja, zij is hier veel geweest, nietwaar Mark, met Dr. Venners."
"Zeker, Alex en Agathe hebben mij veel troost en afleiding bezorgd
en Agathe ziet er heel bleek en zwakjes uit. De Dokter zei dat zij ook
de buitenlucht noodig had en toen vroeg Mama haar of zij eens op "Wameldinge"
kwam logeeren vóórdat de heele "pan" er komt."
"Foei Mark! Wat 'n uitdrukking!"
"Nu ja, ik bedoel er mee alle kennissen en zoogenaamde vrienden
van het "kringetje."
"Maar haar moeder dan?"
"Die drong er zelf zóó op aan. Die neemt een verpleegster
in dien tijd. Agathe heeft zoo dringend rust en afleiding noodig."
"Dat is zeker: meer dan de lui, die altijd over
[74:]
drukte en overspanning klagen en het zich eigenlijk zelf op den hals
halen door hun eindeloos jagen naar pretjes en uitgaan."
Tilly ging met haar geleerdheid naar binnen en broer en zuster zaten
alleen tegenover elkaar. Lucie nog altijd minder op haar gemak dan anders.
"Wat 'n flinke man is die Alex," zeide Mark, "'t deed
me zoo goed hem terug te zien en 't verwondederde mij zeer te hooren
dat hij zoo weinig meer bij ons aan huis komt."
"Ja, dat begrijp ik ook niet. Mama heeft ineens aan alles een einde
gemaakt. Wij waren toch zoo prettig met elkander en daarom verbaast
het mij zoo te hooren dat Agathe nu op Wameldinge is gevraagd."
Mark antwoordde niet dadelijk maar scheen na te denken, toen vroeg hij
na een poos:
"Was hij heel bevriend met Valérie?"
"Zij,konden heel heel goed samen vinden. Waarom vraag je dat zoo
ineens Mark?"
"Och niets! Ik dacht maar alleen, wanneer men niet naar stand of
rijkdom behoeft te kijken, hoe een man als Dr. Venners de beste waarborgen
kon geven voor het toekomstig geluk van een meisje als Valérie,veel
beter dan een zoogenaamde held, zooals Tilly hem noemt, van wien men
niet eens weet hoe hij aan zijn fortuin is gekomen.'"
"O Mark, zou je denken dat het dat was!"
"Wat dat?" vroeg hij leuk.
Lucie lachte.
"Ik bedoel of Mama misschien bang was dat er genegenheid zou ontstaan
tusschen Dr. Alex en Valérie en zij toen een einde maakte aan
de lessen, ja, ik weet nu wel dat zij 't altijd heel druk met elkaar
hadden over boeken en literatuur en Valérie nooit zooveel plezier
had in de studie als juist toen, en nu zij zoo goed als half geëngageerd
is, nu kan het
[75:]
geen kwaad meer en mag Agathe bij ons buiten komen logeeren."
"O zusje! Wat ben je slim! Veel te wijs voor je jaren," riep
Mark vroolijk uit.
Nu brak het ijs wel wat tusschen broer en zuster en Lucie sprak hem
ook over hetgeen haar zoo na aan het hart lag, de toekomst van Valérie
en het karakter van den man van wien die toekomst hoogst waarschijnlijk
spoedig geheel zou afhangen.
"Wat dunkt je van Norbert de Maubel Rooze, Mark?"
"Lieve schat! Hoe kan ik dat weten, ik heb dat wondermensch nog
in 't geheel niet gezien. Wat ik van hem weet, stamt uit de helden verhalen
van onze moeder en Tilly. Die zijn geheel onder de betoovering, maar
wat zegt de hoofdpersoon onze mooie zus van hem?"
"Ja, die is ook onder betoovering zou ik zeggen. Zij heeft geen
open oogen als ik."
"En geen vrij hart!"
"Ja, dat misschien ook niet! Ik weet het rechte nog niet over hem
en Valérie is tegenwoordig zoo voorzichtig tegenover mij. Hij
schijnt mij een gesloten boek toe, waarin heel veel moois kan staan
maar ook het noodige leelijks. Wat dacht je Mark?"
"Schijn bedriegt zus, maar als ik je een raad mag geven, zet dan
alle mogelijke helden-illusies op zij of laat ze Bébé
over. Geloof mij! Niets is zoo zeldzaam als een beId en boven een held
staat een goed, braaf mensch als Venners bijvoorbeeld, die trouw zijn
plicht doet en een zegen is voor zijn omgeving."
"Ja, maar stel je voor onze prinses Valérie naast een gewoon
leeraartje aan een gymnasium!"
"Zeker, een avonturier is veel beter!"
"God beware ons daarvoor! O Mark, laten wij samen over ons zusje
waken!"
"Kindlief! Daarvoor heeft zij toch haar ouders!"
"Och, Mama is zoo verblind door zijn uiterlijk en
[76:]
ik moet ook zeggen, hij beeft alles voor, alles en alles! en ik ben
misschien te zwaartillend en wijsneuzig dat ik meer verlang."
"En juist op dat meerdere komt het aan!"
Mark viel Lucie bijzonder mede. Zij vond hem verstandig en ook wel gemoedelijk
en dan was er nog iets, wat haar aan bem verbond. Hij was een oorzaak
van teleurstelling voor de familie geweest en zij had een vaag gevoel
dat ook zij vroeg of laat haar moeder zou tegenvallen. Beiden waren
zij de minst knappe van uiterlijk der familie; beiden hadden zij hun
eigenaardige denkbeelden. Wat zou het een troost zijn als zij bij elkander
hun hart konden uitstorten, maar zonderling, Lucie kon er niet toe komen
Mark. te zeggen wat Daan de zeeofficier haar over Norbert verteld had,
het was alles nog zoo vaag, zoo onbestemd, zoo van één
kant. Zij vond het iets als een verraad tegenover hem en ook tegenover
Valérie, er met iemand over te spreken vóór zij
iets met zekerheid wist, en van den anderen kant, waarom vertelde Mark
haar niet oprecht wat de oorzaak was van zijn verwonding en zijn ontslag?
Van Valérie, die als vertrouwelinge hunner moeder veel beter
dan zij op de hoogte was der familiezaken, trachtte zij te weten te
komen of haar ouders meer van deze zaak wisten, maar ook deze waren
niet veel wijzer.
"Neen, het rechte weet nog niemand. Hij wil er niet voor uitkomen,
maar zij denken allen dat het ongeluk op de een of andere manier zijn
schuld is en hij schijnt dat zelf te erkennen."
"Hij heeft ons gezegd dat hij bevelen niet gehoorzaamd heeft en
Tilly en ik denken dat hij het gevaar ontloopen is."
"Niemand schijnt het ware te vermoeden, maar hoe 't zij, het heeft
zijn carrière gebroken en dat is voor Vader en Moeder een hard
ding. Zij meenden
[77:]
dat hij zoo goed geborgen was en nu moet hij alles op nieuw beginnen
en Willem kost zooveel."
Lucie vond het wel wat hard dat men voor den éénen zoon
alles over had en voor den andere niet; zij voelde meer dan ooit dat
er een soort van verwantschap bestond tusschen haar en Mark; beiden
waren bestemd op den achtergrond te blijven. Zij was te verstandig om
er jaloersch over te zijn maar voelde dat zij het Mark op de een of
andere wijze moest vergoeden, wat hij bij de anderen te kort kwam.
"Maar ze zullen toch niet onvriendelijk tegen hem zijn of hem hard
vallen over iets, wat gebeurd is en waaraan niets meer te veranderen
is," zeide zij bijna smeekend.
"Wel neen! Wij zullen ons best doen Mark heel vriendelijk te behandelen,
maar ondertusschen zal Vader trachten hem een betrekking te bezorgen."
En hier begon Valérie een beetje te blozen.
"Misschien kan mijnheer De Rooze hem wel helpen; hij is in Afrika
geweest en heeft daar vele relatiën. Hij heeft een paar keer inlichtingen
over Mark gevraagd; men zegt dat hij heel veel invloed heeft en als
hij iets gedaan wil hebben dan gebeurt het ook."
Lucie zou er een lief ding voor gegeven hebben als zij met Valérie
even onbevangen en vrij over Norbert de Maubel Rooze had kunnen spreken
als vroeger, maar 't scheen nu zoo moeilijk, ja bijna onmogelijk.
Over Valérie's geheele wezen lag zulk een schuchtere, teedere
terughouding, zoodat men niet verder durfde gaan en Lucie scheen het
toe of de dingen, die zij over hem had hooren fluisteren, een soort
van scheidsmuur tusschen haar en haar zuster optrokken.
"Als het toch eens waar was! Als hij een andere zou zijn dan de
wereld dacht!"
Telkens en telkens kwam deze gedachte bij Lucie terug en dan voelde
zij zich onmachtig en hulpeloos tegenover het lot, dat haar lieve Valérie
tegemoet ging.
[78:]
"Is Norbert werkelijk jou held?" fluisterde zij haar zuster
toe, "vertrouw je hem?"
Met een blik vol verwondering en zekerheid zag Valérie haar zusje
aan en antwoordde toch een weinig aarzelend:
"Ik, ik, waarom zou ik hem niet vertrouwen? Ik bewonder hem zoo,
hij heeft zooveel dappere dingen gedaan en en Papa en Mama zijn ook
bijzonder met hem ingenomen!"
"Ja zeker! Nu vooral, nu hij Mark helpen wil."