II.
De woning der familie van Wameldinge stond in een deftige, stille straat
van zekere provinciehoofdstad.
't Was een mooi dubbel huis met hardsteenen gevel en hooge pui; achter
lag de groote tuin met mooie boomen en schaduwrijke plekjes.
De kamers waren ruim en hoog en schenen wel zalen; die van de meisjes
had uitzicht op den tuin; de beide oudsten sliepen daarin en de kleine
Tilly in in een aangrenzend kabinet, dat tevens met de schoolkamer in
verbinding stond.
Hier zat Lucie dikwijls tot in den nacht te werken als haar zuster Valérie
nog beneden was, wanneer er
[8:]
deftig bezoek in het salon zat of als zij van de eenof andere soirée
thuiskwam. Zij wachtte haar gewoonlijk op en de avond vloog voorbij
in het aangenaam gezelschap harer boeken.
Tilly was reeds lang in diepe rust als haar beide zusters naar bed gingen
en nog lang fluisterend spraken.
Van avond kon het kind echter den slaap niet vatten; haar fantasie was
te veel opgewekt door het denkbeeld dat haar mooie, oudste zuster op
het groote bal door ieder bewonderd zou worden, als de mooie prinses
uit de sprookjes en dat zij er den Wonderprins zou ontmoeten, die alleen
haar waardig kon zijn.
Zelfs Lucie kon vandaag niet zoo goed als anders de gedachten bij haar
studie houden; 't was haar of er iets bijzonders moest gebeuren, of
iets buitengewoons haar leven en dat harer zusters zou gaan veranderen.
Eindelijk over tweeën hoorde zij het rijtuig aanrollen; en Tilly
die ook scheen geluisterd te hebben, vroeg van uit haar bedje:
"Is Valérie daar!"
"Stoute meid! Slaap je nog niet? Kom, ga nu maar spoedig liggen,
't duurt nog een heele poos voor dat zij boven komt. Zij drinken eerst
thee beneden en dan moet zij Papa en Mama goeiennacht wenschen."
"Nu moet ik haar nog zien!"
"Blijf maar stil onder de dekens. Mama zal boos worden als zij
merkt dat wij op zijn gebleven."
Als muisjes zoo stil bleven zij wachten. Lucie zat op den rand van Tilly's
bed en had eerst het licht in de schoolkamer uitgedaan. alleen het nachtlampje
in het kabinet wierp een flauwen schijn op de beide meisjes.
Valérie kwam echter veel gauwer boven dan zij verwachtten; zij
was doodmoe en had alleen staande weg een kopje thee gedronken. Dadelijk
ging zij naar de groote slaapkamer en draaide het gaslicht hoog op.
[9:]
"Hé, je zoudt mij doen schrikken!" riep zij lachend,
want nu zag zij beide zusjes onverwachts voor haar staan met schitterde
oogen en guitige, blijde gezichtjes.
Tilly vloog haar om den bals.
"En den prins of den held, heb je hem gezien?" vroeg zij opgewonden.
"O foei, Tilly, met je bloote voetjes! Gauw naar bed! Morgen zal
ik vertellen!"
"Ja dadelijk! Ik heb slaap genoeg, maar eerst moet je mij antwoorden.
Heb je hem gezien?"
Een geheimzinnig lachje speelde om Valérie's lippen terwijl zij
haar zusje hartelijk kuste en toen naar bed droeg, zonder zich meer
om baar mooie kleederen te bekommeren.
"Ik weet het niet!" fluisterde zij, "misschien
"
Tilly klapte in haar banden.
"Zie je wel, zie je wel! Ik was er zeker van. En hoe zag hij er
uit en hoe heette bij? In de sprookjes hebben de mooie prinsen geen
naam maar in de werkelijkheid moeten zij toch iets heeten. Ik hoop ook
dat het een heel mooie naam is en dat hij groot is en donker."
"Ja, dat is hij
"
Zij stopte haar zusje er lekker onder en drong haar tot slapen.
"Morgen zal ik je veel vertellen, hoor! ik ben ook zoo moe, want
ik heb geen een dans overgeslagen."
"Dacht ik het niet? Jij was zeker de mooiste."
"O neen, volstrekt niet,
in lang niet."
"En met hem heb je zeker het meest gedanst, was het het nu een
prins of een heId?"
Maar, zij kon het antwoord nauwelijks afwachten want haar oogjes vielen
toe en Valérie ging naar de andere kamer, waar Lucie druk aan
het snuffelen was in haar balboekje, dat zij met haar waaier en cotillonsurprises
op een tafeltje had neergelegd.
[10:]
"Norbert de Maubel Rooze! Een, twee, drie maal en de cotillon.
Is hij dat?"
"Ik heb met hem het meest gedanst."
"Dus de held!"
"Ach kom Luus, wees jij nu niet zoo kinderachtig als Tilly."
"Zeg dan iets van hem!"
"O, hij is heel gedistingeerd. Hij logeert bij den burgemeester,
zijn neef; hij heeft veel gereisd en hij is zeer rijk. Hij heeft den
titel van advocaat, maar ik geloof niet dat hij practizeert."
"Weet je dat alles reeds?"
"Och ja! We hebben nog al veel gepraat. Hij is zoo onderhoudend.
Ik geloof, dat er geen plaats in de wereld is waar hij niet geweest
is. Papa denkt dat als hij zich in de politiek begeeft, hij het heel
ver zal brengen."
Lucie begon haar zuster te helpen met haar japon los te maken, want
deze zat overal vastgespeld.
"En jij scheen dus wel in zijn smaak te vallen anders zou hij je
niet zoo dikwijls ten dans hebben gevraagd," zeide zij na een poos.
"Ik weet het niet. Ik denk dat bij erg in den smaak valt van alle
dames."
"En in jou smaak?"
"Wel, ik vind hem heel interessant, maar ik geloof dat ik een beetje
bang voor hem ben. Hij imponeert mij, hij heeft zooveel ondervonden
en hij kan zulke griezelige verhalen doen."
"Op het bal!"
"Ja onder het wandelen. Ik geloof dat hij graag iemand ziet rillen
als hij vertelt van de gevaren waarin hij geweest is."
"Dus hij lijkt je wel dapper en flink toe?" vroeg Lucie met
tintelende oogen.
"Ik geloof zeker dat hij niet weet wat angst is."
"Dan kon het best zijn dat hij een held was. Ik
[11:]
zou graag een held willen zien, een held zonder vrees of blaam - maar
toch - toch ik weet niet of dat de echte heldenmoed is, Anderen te vermoorden
op gevaar dat je zelf er het leven bij inschiet, men zegt gewoonlijk
van dappere soldaten dat het helden zijn."
"Maar is soldatendapperheid wel het hoogste? Er zijn van die andere
heldenfeiten, die je het bloed doen stilstaan en je zoo heerlijk sliep
in je ziel kunnen doen trillen. Men zou er alles voor over hebben, zoo
iets zelf gedaan te hebben, al moest je er ook door sterven. Begrijp
je mij, Lucie?"
"Ja zeker, begrijp ik je. Maar mijnheer de Maubel Rooze is geen
militair geweest. Hij heeft verbazend veel in de wildernissen gereisd
en daar al die gevaren doorstaan."
"Ja, dat is heel mooi, de beschaving te brengen aan die wilde volken.
Ik bewonder daarom de zendelingen ook zoo. Zou mijnheer de Maubel voor
zoo'n mooi hoog doel zich al die ontberingen hebben opgelegd? Dan is
hij werkelijk een soort van held en dan hoop ik, Valérie, dat
jij zijn vrouw wordt."
Valerie glimlachte, maar antwoordde niet. Zij droomde haar mooiste meisjesdroomen,
en onwillekeurig was de knappe, interessante Norbert de Maubel Rooze
met zijn mooien naam en roep van dapper man daarvan het middelpunt.
Zij was een echt meisje, dat aangetrokken werd door alles wat schittert
in genoegens, in gesprekken, in alles wat verfijnd en weelderig is.
Van jongsaf verkeerend in een atmosfeer van rijkdom en fijne beschaving,
genoot zij dat alles als iets dat haar van rechtswege toekwam, iets
dat tot de leven voorwaarden van haar bestaan behoorde, wat zoo natuurlijk
haar omringen moest als de lucht, die zij inademde, of dat zij indronk
als water.
Eerst wanneer zij het miste, zou zij gevoelen hoe al deze kleinigheden
met haar innigste wezen wa
[12:]
ren samengegroeid en deel uitmaakten van haar zijn.
Zij vond het toilet maken en het uitgaan heerlijk.
Zij voelde genoeg hoe zij overal bewonderd werd en hoe iedereen haar
met sympathie en genegenheid aanzag en behandelde.
Dankbaar genoot zij alles wat haar in zoo ruime mate gebooden werd,
maar bedaard, kalm zonder koortsachtige wenschen naar meer, zonder begeerlijkheid,
eenvoudig, natuurlijk, als iets dat van zelf sprak, dat haar toekwam.
Heel anders voelde zich Lucie, die vast overtuigd van haar leelijkheid
- in haar schatting overdreven - niet het minste verlangen had naar
die vermaken, welke zij hol en zinledig vond.
Haar lievelingswereld lag ergens anders, in de wereld der hooge, edele
gedachten in schoone vormen uitgedrukt, hetzij in beeldende kunst, in
muziek of woorden.
Zij begreep niet hoe men uren lang zich kon amuseeren met het praten
over toilet, over de tekortkomingen of zelfs de goede eigenschappen
van de lieve naasten, over de verbroken engagementen en aanstaande huwelijken,
over pretjes, die men genoten had of nog genieten moest, nog minder
begreep zij hoe jonge dames iets ouder dan zij, die reeds uitgingen,
er plezier in konden vinden, complimenten van haar cavaliers aan te
hooren over haar schoonheid, haar mooie kleeren, haar lieftalligheid,
maar 't minst van alles begreep zij het dansgenot.
Hoe konden verstandige menschen zich daarmee bezig houden - met dat
springen en draaien in elkanders armen, in zalen benauwd van bloemen
en gaslicht - in kleederen, waarmede men anders in geen huiskamer durfde
verschijnen?
Zij kon meer van zulke eigenaardige ideeën hebben.
Als zij met haar moeder en zusters in hun fraaie equipage reed, en zij
zaten daar binnen zoo lekker warm
[13:]
en bovendien goed in bont gepakt, en zij zag dan arme, havelooze vrouwen
en kinderen hen met een half wezenloozen blik nazien terwijl zij snel
voorbijreden, dan voelde zij iets als verlegenheid tegenover die menschen,
een gevoel of zij hun vergiffenis moest vragen voor haar zoo geheel
verschillend lot.
Of wel zij stelde zich in hun plaats, verbeeldde zich wat zij dachten
en voelden - en dan balden zich haar vuistjes soms in onmachtigen toorn
of kwamen de tranen in haar oogen van medelijden en vervulde haar een
onbedwingbaar verlangen om uit haar mooie, warme coupé te stappen
en die menschen daarin te laten zitten - en zelf droog brood te eten
om hen zich eens te goed te laten doen aan de fijne, voedzame gerechten
van haar ouders tafel.
Maar zonderling! Al deze gedachten betroffen slechts haarzelf. 't Kwam
haar zoo gewoon en natuurlijk voor dat Valérie heel anders voelde
dan zij, dat al die dingen, welke haar onverschillig of zelfs antipathiek
waren voor haar oudste zuster als geschapen schenen.
Zij kon zich Valérie niet anders voorstellen dan omringd door
al die voorwerpen van weelde en zelfs frivoliteit; zij pasten zoo bij
haar teere distinctie en retherische schoonheid. Zij zelf voelde zich
vreemd en soms misplaatst in deze omgeving, maar Valérie hoorde
er zoo geheel in. Als zij er niet was zou het zijn of er iets ontbrak,
of de mooiste zaal haar grootste sieraad miste.