[86:] XI.
Het was zoo heerlijk buiten op "Wameldinge." Het huis lag
tegen de heuvels; het was volstrekt geen elegante villa en ook geen
ouderwetsch kasteel, maar een prettig, gezellig huis met een hoektorentje
en een glazen serre op zijde en een veranda voor, die er later bijgebouwd
waren en vanwaar men een prachtig gezicht had op een malsche weide met,
een vijver in het midden, omringd door knotwilgen en aan den overkant
bosch, terwijl achter en op zijde hoge boomen opstegen. De tuin was
niet groot maar mooi aangelegd en door het welige geboomte goed belommerd.
De meisjes waren dol van vreugde buiten te zijn; de gouvernante had
vacantie gekregen tot September en de oude Mevrouw Van Wameldinge had
besloten naar kleindochters geheel vrij te laten omzwerven door bosch
en hei. Als zij met het eten maar thuis kwamen dan was zij tevreden.
Zoo begon bet heerlijkste buitenleven voor ons viertal. Zij hadden fietsen,
een panier met een pony en daar Mark nog niet ver loopen kon, maakten
zij rijtoertjes door den omtrek, lunchten in bet bosch en kwamen dan
vroolijk, opgewekt met verbrande gezichten maar verbazenden eetlust
bij de vriendelijke grootmama terug. Vooral Mark genoot ten volle van
al zijn oude herinneringen en liet zich door Tilly overal heenbrengen;
zij zou hem wel alle plaatsen tegelijk hebben willen laten zien en vroeg
telkens:
"Weet je nog Mark? Herinner jij je nog? Daar is nog zoo'n lief
plekje Dat moet ik je wijzen."
"Of ik het mij nog herinner?" antwoordde Mark.
"Dat zou ik denken. Ik herinner mij nog elken boom, elken steen!
Geblinddoekt zou ik hier den weg kun
[87:]
nen vinden, want dit is altijd veel meer mijn thuis geweest dan in
de stad."
Lucie, die met Agathe achter hem liep en hem hoorde, zeide verwonderd:
"Maar Mark ik dacht dat je er niet om gaf, thuis te zijn."
"Hoe weet je dat? Je was nog zoo'n heuveltje toen ik wegging."
"Ik heb het zoo dikwijls hooren zeggen: Mark is niets graag thuis;
hij geeft er niets om, thuis te komen met de vacantie?"
Hij zag haar vreemd aan, en zijn stem klonk wat spottend toen hij antwoordde:
"Misschien had men gelijk, misschien gaf ik heel weinig om thuis.
Maar of ik er om geef of niet, Wameldinge herinner ik mij nog heel best."
"Mark, kom mee! Ik weet nog zoo'n mooi hoekje," en Tilly vergetend
dat zij met een halve invalide te doen bad, trok bem mee.
Lucie en Agathe bleven dus alleen en Mark's zuster vroeg:
"Wat bedoelt hij? Begrijp je hem?"
"Misschien wel," antwoordde Agathe zacht. "Het ouderlijke
huis was niet zoo'n prettige plaats voor Mark. Je weet dat hij altijd
zoo'n beetje vreemd deed, hij voelde zich als het zwarte schaap en je
moeder kan niet vergeten, je weet wel dat treurige geval met den kleinen
jongen. Hij voelde het zeker wel, al laten jongens zulke dingen nooit
merken. Maar hij hield van het Huis en is zoo blij er weer te zijn."
"Ik vind het vreemd Agathe, en eigenlijk ook niet prettig dat je
hem beter schijnt te kennen dan wij, zijn eigen zusters."
"Maar Lucie, je bent toch niet jaloersch."
"Dat hoop ik niet. Neen! 't is meer iets als schaamte, dat wij
zoo weinig gedaan hebben en nog doen voor hem, die evengoed onze broer
is als Willem.
[88:]
Ik mag hem wel maar hij is moeilijk te begrijpen. 't is of hij in
zichzelf kruipt als je hem te na komt. Weet je wat ik bedoel, Agathe?
Zoo iets als zijn voelhorens intrekken, uit vrees van ze te stooten.
Dat maakt hem juist zoo interessant. Willem doet ook of hij heel wat
denkt en voelt en 't is eigenlijk niet veel, maar in Mark gaat zooveel
om, waarvan wij geen idee hebben. En jij Agathe en Dr. Alex weten er
meer van."
"Wij zijn ook ouder en gingen meer met hem op en neer," antwoordde
Agathe, "maar je hebt nu gelegenheid Lucie, hem beter te leeren
kennen, en ook meer van hem te houden, hoop ik!"
"O, maar Mark is mijn broer, dus spreekt het vanzelf dat ik van
hem houd!"
"Er zijn zooveel manieren om van iemand te houden. 't Voornaamste
is dat je zijn leven gelukkiger maakt. Dan zou je een heel eind ver
zijn!"
"Geloof je dan Agathe, dat Mark niet gelukkig is?"
"Hoe kan iemand gelukkig zijn zonder liefde en ik verbeeld mij
dat Mark tot nu toe zoo weinig liefde in zijn leven heeft gekend."
"Maar hij maakt op mij niet den indruk van ongelukkig te zijn."
"'t Ligt niet in zijn karakter dat te laten merken. Misschien weet
hij het zelf niet. Wij hebben allen zonneschijn noodig, en dikwijls
voelen wij 't pas als wij er van genieten, wat wij vroeger misten."
Nadenkend liep Lucie voort; zij had zooveel te denken tegenwoordig,
aan haar mooie zuster, die schitterend van schoonheid en geurend van
kostbare bloemen haar zoo aandoenlijk had gesmeekt niet op te houden
haar lief te hebben en voor haar te bidden en hier was Mark, die ook
de genegenheid van een zuster noodig had maar er nooit om zou vragen.
Mark, die altijd buiten het huisgezin scheen gestaan te hebben en die
toch een van de hunnen was, dit bleek
[89:]
genoeg uit zijn herinneringen van het tehuis zijner kinderjaren, uit
zijn liefde voor de levenlooze voorwerpen, die hem hier omringden.
Grootmama scheen hem wel te verstaan, even als Agathe; als zij er bij
waren sprak hij meer dan in tegenwoordigheid van zijn ouders of vreemden,
dan kon hij gezellig en spraakzaam zijn, en gunde zijn aandachtige toehoorsters
kijkjes in de schatkamers van zijn goed ontwikkelden geest.
Hij wist niet alleen veel; maar hij had ook veel opgemerkt, veel gedacht
en vooral ook veel onthouden.
Lucie begon te begrijpen dat zij reden had trotsch te zijn op haar broer,
al gold hij in andermans oogen ook voor een mislukt genie.
Vurig verlangde zij er naar dat ook haar ouders hem op deze wijze zouden
leeren kennen.
"Onbekend maakt onbemind," dacht zij, "en waarlijk Mark
is voor ons allen nog een onbekende. Menigen vreemde kennen wij beter."
En als zij hem beter kenden, dacht zij verder, zouden zij meer op hem
vertrouwen en het hem gemakkelijker maken, een nieuwen werkkring te
beginnen.
Het denkbeeld vervulde haar met verontwaardiging, dat haar ouders geen
geld over schenen te hebben voor hun zoon, dien zij nu leerde waardeeren
als een ernstig, hoogst bekwaam man, maar in haar jeugdige onnadenkendheid
vergat zij dat hun ouders vroeger veel moeite met Mark hadden gehad,
omdat hij een lastige knaap was geweest, die hun veel zorg en onrust
had veroorzaakt.
Zij oordeelde dat hij een zware beproevingstijd achter zich had en zou
tot elk offer bereid zijn geweest om hem te helpen, maar dat haar ouders
voorzichtiger waren en niet van zins schenen nieuwe offers te voegen
bij die, welke Mark hun reeds gekost had, was haar onbegrijpelijk.
Maar voor het oogenblik moest de zaak toch blijven
[90:]
rusten, Mark was nog niet sterk genoeg om iets te ondernemen.
Het wandelen begon hem hier buiten gemakkelijker te vallen dan in de
stad; hij zag er veel gezonder uit, had meer eetlust en sliep nu ook
beter.
Nadat Agathe weer naar de stad was teruggekeerd, vroeger dan zij gedacht
had omdat haar moeder zieker scheen te zijn, waren Lucie en Mark veel
meer bijeen. Tilly had haar vriendinnetjes met wie zij uitging en grootmoeder
zat meestal stilletjes onder de veranda met haar handwerkje of haar
lectuur.
Na het eten dronken de jongelui bij haar thee en dan was Mark gewoonlijk
het meest op dreef. Hij vertelde zulke boeiende verhalen dat Tilly ofschoon
haast, blind en doof van slaap, niet naar bed te krijgen was, totdat
Grootmama eindelijk naar binnen ging omdat zij bang was voor de avondlucht
en de kleine meid mede nam.
Zoo bleven dan Mark en Lucie met hun beiden eens alleen buiten; het
was een heerlijke avond, de hemel goud gepoeierd door de sterren, geen
windje aan de lucht en een zachte, teere geur van reseda en heliotrope
steeg uit den tuin tot hen op.
Mark leunde zwijgend in zijn rieten stoel achter over en Lucie dacht
aan hetgeen Agathe haar had gezegd over zijn behoefte aan genegenheid.
Zij kreeg plotseling een gevoel of zij beiden bij elkander hoorden,
of het haar plicht was hem te steunen op den moeilijken weg door het
leven en zooals altijd gehoor gevend aan den indruk van het oogenblik,
zeide zij eensklaps:
"Mark, als je weer de wijde wereld ingaat dan moet je mij meenemen.
Ik zal dan bij je blijven en voor je zorgen. Ik geloof niet dat het
goed voor je is alleen te zijn, je weet je niet te ontzien en je moet
een gezellig tehuis hebben, dat heb je hard noodig, vooral in den vreemde."
[91:]
"Maar lieve kind! Hoe kom je op dat idée? Ik weet op geen
kilometers na waar ik terecht zal komen en 't is de groote vraag of
dat wel een geschikte plaats voor jou zal zijn."
"Dat kan mij niet schelen. Mij dunkt zelfs, hoe woester en onbeschaafder
het daar is, hoe liever ik het heb. Ik houd van avonturen. En ik kan
mij heel goed in alles schikken en ik ken een heele boel meer dingen
dan je denkt; natuurlijk zou ik zorgen, van nog veel meer op de hoogte
te komen."
Hij glimlachte, terwijl hij een blik wierp op haar tenger in het wit
gekleede figuurtje, met haar over hals en schouders vallende donkere
haar; haar kinderlijk uiterlijk vormde zoo'n grappig contrast met haar
grootsche plannen en flinken durf.
"Nu," zeide hij, altijd glimlachend, "'t is iets om over
te denken in de verre toekomst, maar voorloopig vrees ik dat het niets
is dan een heel vage droom."
"Maar waarom toch Mark?"
"Omdat, voor zoover ik nu kan nagaan, ik het leven weer van onder
aan de ladder zal moeten beginnen. Ik ben met een zwaren slag naar beneden
getuimeld en er nog een beetje beduusd van, maar zonder geld zal ik
weer geheel van voren af aan moeten beginnen en aan zoo'n bestaan mag
ik jou toch niet bloot stellen, zus!"
"Maar vader heeft toch geld en zal toch wel
"
"Onze goede vader heeft reeds genoeg lasten," antwoordde Mark
bedaard, "ik zal hem niets meer op de schouders leggen. Ik heb
hem genoeg gekost, nu moet ik mijn eigen weg zien te vinden."
"Maar Willem heeft zooveel geld noodig. Telkens wordt hem wat gezonden
en hij is nog maar niet klaar."
"Willem moet volgens zijn stand studeeren. Hij is heel vlug en
ijverig en zal de familie stellig eer aandoen. Hem wacht een mooie loopbaan."
[92:]
"Ik vind het een schande," riep Lucie heftig uit.
"Dat mag je niet zeggen," zeide Mark streng. "Je mag
nooit kritiek op je ouders uitoefenen, Lucie! Dat past je niet. Zij
doen hun best goed voor ons te zijn. En wij, doen wij dat ook altijd?"
"Neen en dat voel ik juist!" hernam Lucie op bitteren toon,
"ik ben niet zóó als zij 't wenschen. Ik zal hun
een oorzaak van teleurstelling worden. Tilly zal het soort dochter zijn
zooals zij gaarne hebben. Daarom Mark is 't beste dat ik hun uit den
weg ga en waar zal ik een beter levensdoel vinden dan voor jou te zorgen?"
"Lucie, je weet niet wat je zegt!"
"Of ik het weet! Ik wil bij je blijven en voor je werken. Ik wil
geen rijke freule zijn, die alleen aan haar plezier denkt. Ik moet mij
nuttig maken in de wereld. Als jij arm bent, dan zal ik ook arm zijn.
't Kan mij niets schelen. Ik zal je niet tot last worden. Ik ben zoo
eenvoudig in mijn neigingen en hoe gewoner ik gekleed ben hoe liever.
Ik zou dan een gezellig tehuis voor je maken en goed doen aan je omgeving.
Zoo dikwijls heb ik van zoo iets gedroomd en nu wordt het me ineens
duidelijk, wat ik altijd gewenscht heb. En zeg maar niet dat het onmogelijk
is, ik zal je toch niet geloven."
Mark stak zijn hand uit en drukte de hare met dankbaarheid en sympathie;
haar woorden troffen hem diep, maar hij was te verstandig om niet in
te zien dat het een mooie illusie moest blijven.
"Maar kindlief! Heb je reeds gedacht hoe Moeder het zou vinden?"
Lucie zweeg, zij kon zich geen oogenblik wijsmaken dat haar moeder dit
plan zou goedkeuren.
"Mark," vroeg zij aarzelend, "denk je dat het er veel
toe doen zou of zij 't goedkeurde of niet?"
"Ik geloof dat het er heelemaal op aankomt, Lucie."
[93:]
"Maar als Papa het goed vond - hij veel handelbaarder dan Mama!"
"Foei Lucie, begin je toekomst niet met een groote fout, ja ik
durf het gerust zeggen, met een zonde! Zelfs als je plan uitvoerbaar
was, jij ouder en ik fortuinlijker, dan was het nog onze eerste plicht,
niets te doen zonder de toestemming van onze ouders. Wij mogen niets
beginnen tegen hun wensch."
"Maar wij moeten ons eigen leven toch leven! Mark! onze ouders
zijn heel goed, maar wij zijn jonger, wij hebben een andere kijk op
de wereld. En dan - 't is toch ons lot dat wij kiezen."
"Lucie! Wat ben je modern! Je praat van je rechten, en vergeet
heelemaal dat wij op de eerste plaats plichten hebben
"
"Jegens ons zelf!"
"Neen jegens anderen, jegens onze ouders 't eerst. O ik weet wel;
wat nu onder jongelui de gewoonte is, minachtend te praten over Vader
en Moeder, of, liever nog de oude lui; te zeggen, dat die uit den tijd
zijn, dat zij ons jongeren niet meer begrijpen en dat het ons recht
is ons eigen leven te kiezen, ja, God vergeve het hun! dat wij hun geen
dank, geen eerbied, geen gehoorzaamheid verplicht zijn, dat zij eerst
onze achting en onze liefde moeten verdienen, maar dat wij hun die niet
verschuldigd zijn. Ja, zoo praten de jongelui in hun hooge wijsheid
en 't spijt me te merken dat mijn zuster die slechte theorieën
tot zekere hoogte deelt!"
"O neen Mark! Dat niet! Ik houd veel van mijn ouders en ik ben
hun ook gehoorzaam, maar toch, dacht ik dat jij zooveel niet gaf om
hetgeen zij wenschen, zij, hebben je niet behandeld zooals
zooals
de anderen
"
Mark sprong op en legde zijn handen op Lucie's schouders; zijn stem
trilde hevig van ingehouden aandoening.
[94:]
"Lucie, je weet niet wat je zegt! Je praat over dingen, waarvan
je geen begrip hebt. O als je vermoeden kon, wat een verdriet het mij
doet zoo dikwijls brutaal, onbedachtzaam en ongehoorzaam jegens mijn
ouders geweest te zijn, dan zou je mij niet tot voorbeeld nemen en je
tegen hun wil verzetten. Zij hebben zoo veel last en zorg van mij gehad.
Ik zal het nooit kunnen goed maken wat ik hun te danken heb en al was
het zoo niet, al viel er nog heel veel op hen te zeggen: Is het onze
plicht niet hen te eeren en te gehoorzamen omdat God het geboden heeft:
"Eert uw Vader en Moeder!" Welke moderne wijsheid kan tegen
dat goddelijk gebod opwegen?"
"Je hebt gelijk Mark, je hebt gelijk!" snikte Lucie, "maar
je hoort en leest tegenwoordig zooveel."
"Ja, rijp en groen zonder de gave des onderscheids, en't slechte
blijft over!"
"Ik zal niets doen zonder jouw raad en zonder de toestemming van
onze ouders! Maar wees dan niet meer boos op mij, ik meende het zoo
kwaad niet. Ik wilde jou zoo graag goed doen."
"Neen zusjelief," en hij kuste haar hartelijk, "ik ben
niet boos op je. Ik ben je dankbaar voor je goede bedoeling. En ik zou
het heerlijk vinden met zoo'n dapper kameraadje de wijde wereld in te
gaan, maar daarom hindert het "mij, je al die nieuwerwetsche wijsheden
zoo blindelings te hooren napraten, en dan ook kan ik niet velen dat
je een al te goed idée over mij hebt. Je weet niet wat ik te
dragen heb door mijn eigen schuld."