VII.
In een coupé
eerste klasse zit Gerard Wirtzinga. 't Was zomer en snikwarm dien avond,
dus had hij zelfs zijn bournous niet over zijn arm meegenomen en zijn
jas niet dichtgeknoopt, integendeel, hij had zijn luchtigste uniform
aangetrokken en verheugde zich in een wit piqué vest, terwijl
zijn officierspet een plaatsje naast hem op de bank had gevonden.
Hij liet het raampje neer, ging vlak voor de opening zitten en streek
zich eenige malen door zijn dik krullend haar.
Hij vouwde een nieuwsblad open en trachtte wat te
[147:]
lezen, maar even
spoedig legde hij het blad weer opzij en leunde achterover, zijn voorhoofd
herhaaldeijk met een zijden doek afvegend.
Denzelfden middag met een paar collega's over de tentoonstelling drentelend
- de tentoonstelling van achttien-honded vijf-en-negentig te Amsterdam
- was hij eensklapt stil geworden.
Eenvoudig een étalage uit den Haag, het woord 's Gravenhage,
dat hij toch anders zoo dikwijls voor zich zag, had hier plotselinge
herinneringen bij hem wakker geroepen, háár beeld hem
voor oogen gebracht.
Of was zijn onrust in werkelijkheid al begonnen bij het zien van die
kleine verrukkelijke schilderij-verzameling?
Waren het de oogen der heerlijke Madonna geweest, oogen die de gansche
menschheid, de geheele wereld schenen te vragen, lief te hebben haar
Zoon, dien zij nu nog vol moederlijke zachtheid in hare armen hield?
Innig en diep moet de schilder gevoeld hebben, de dichter van dit verrukkelijke
gedicht van Moeder-zijn: willen wijden en willen behouden, behoeden!
Had hij gelijkenis gezien tusschen die oogen en die van Celine, en was
hij zich daarvan pas heden bewust geworden?
Hadden de oogen der Madonna hem iets te zeggen gehad?
Was hem dat nu pas, plotseling, duidelijk geworden?
Sedert Celine's huwelijk had hij twee reizen naar Indië gemaakt,
maar hij was steeds op de hoogte gebleven van haar leven. Hij wist dat
zij een zoon gekregen had in den beginne van haar huwelijk; dat kereltje
kon nu al een jaar of acht, negen, misschien zelfs tien zijn. Hoe de
tijd toch vlood!
Bij zijn vorig verblijf in Nederland had hij haar niet gezien. Ach,
voor niemand was het meer een geheim geweest hoe ongelukkig zij getrouwd
was. Hij had toen den Haag gemeden, het noemen der residentie had hem
steeds een pijnlijke gewaarwording bezorgd.
Dat zachte schepseltje, dat voor hem zooveel vertegenwoordigde van wat
lieflijk en goed op aarde was, was door zijn liefde, zijn idealisme
bijna tot een wezen van hooger orde verheven.
Nu zou hij er haar niet meer vinden, dat wist hij.
Maar zijn plotseling zoo krachtig opgekomen en niet meer te onderdrukken
verlangen, zijn heimwee, om toch iets van haar terug te zien, had hem
naar den Haag gedreven. Het was hem geweest of hij slechts den voet
op het perron hoefde te zetten om iets van haar bij zich te hebben.
Aanvankelijk was hij van plan geweest s'morgens te gaan, hij wilde dan
tegen twaalf uur langs de scholen wandelen in de hoop haar kind te zien;
hij zou het dadelijk herkennen natuurlijk, hij zou opletten of er ook
een equipage of een huisknecht in de buurt wachtte; want hij kon zich
niet anders voorstellen of háár kind moest omringd zijn
door alle weelde, die zich denken liet.
Maar toen het plan eenmaal bij hem was opgekomen, toen was Amsterdam
hem met zijn tentoonstelling-geschetter en gescherm, onverdragelijk
geworden en na een kort afscheid van zijn beide kennissen was hij naar
het station gereden en had den eersten trein naar den Haag genomen.
En nu zat hij in zijn coupé, starend naar de zich samenpakkende
donderkoppen, toppen van wondere reuzenbergen, dien het gelukt was zich
in de geheimzinnge avondschemering los te scheuren van de aarde, om
eerst in statigen gang langs het luchtruim te varen en dan, in steeds
dreigender, doller en woester vaart, langs, over elkaar heen te stormen,
als een troep losgebroken stieren in de Schotsche hooglanden, wanneer
de nevelsluier neerdaalt op aard.
Plotseling zigzagde een eersten bliksemstraal door de lucht, oogenblikkelijk
gevolgd door een ratelenden donderslag.
Voort spoedde zich de trein, steeds sneller voort, maar de bliksemschichten
bleven hem bij en verlichtten het geheele gevaarte als met glimlachjes
van een reuzensater.
Zoo tenminste scheen het Gerard Wirtzinga; wat waren de menschen met
hun angsten en vreezen, hun wonderwerken, hun vooroordelen als torens
zoo hoog, wat waren zij, met torens en al, vergeleken bij één
bliksemstraal, die inslaat?
Toen hij in den Haag uitstapte, stortregende het, zoodat van wandelen,
met eenig vooruitzicht om droog te blijven, geen questie was.
Eerst besloot hij geduldig te wachten, maar langer dan vijf minuten
hield hij het in het station niet uit; hij ging naar buiten, riep een
rijtuig aan en liet zich naar de Witte brengen.
Toen het weer wat bedaarde ging hij er op uit, allereerst naar het Voorhout,
waar zij gewoond had.
Spoedig herkende hij haar huis en zijn hart popelde toen zich voor een
der ramen een kinderkopje bewoog, maar het volgend oogenblik vertoonde
zich een bloeiende jonge vrouw, die in de vensterbank ging zitten, het
kind over zijn kopje streelde en het bij zich op schoot nam.
Hoe had hij een oogenblik kunnen denken, dat dat kereltje haar zoon
kon zijn, die was immers al veel ouder.
Langzaam wandelde hij zoo dicht mogelijk langs het huis, een blik naar
binnen werpend. Hij ging verder, als hij op goed geluk niet vond, wat
hij zocht, zou hij informeeren, maar niet dadelijk.
Of Wellinge hertrouwd zou zijn? Waarschijnlijk wel, in ieder geval,
zoo hij nog in den Haag woonde, zou het wel in een groot huis zijn.
Wellinge was immers zoo zeer op geld gesteld geweest; hij zou wel gezorgd
hebben, ten slotte zooveel mogelijk bij elkaar te schrapen, al was het
dan ook op eene weinig nobele manier.
Al peinzend was hij langzamerhand afgedwaald naar de Hoogstraat, plotseling
op de Groenmarkt uitkomend, bedacht hij, dat hij nu dicht bij het postkantoor
was en daar het best inlichtingen zou kunnen vragen; maar hij ging de
nauwe Veenestraat in en kwam zoo, als van zelf, in de Spuistraat. Eensklaps
echter vond hij, dat deze tocht door de winkelstraten toch vrij doelloos
was; hij keek om zich heen om een sigarenwinkel te ontdekken, waar hij
eenige sigaretten wilde koopen, om daarna den zelfden weg terug te gaan
en aan het postkantoor eens te hooren. Spoedig had hij ontdekt, wat
hij zocht, hij stak de straat over en ging een winkel binnen. Toen hij
weer op straat was, sloeg hij den weg naar de post in, nu af en toe
een blik om zich werpend. "A. Wellinge. In tabak en sigaren,"
ziet hij plotseling vòòr zich op een winkelraam staan;
hij staart er naar tot de vergulde A zich uitzet tot Arnold en het hem
is of het schelle licht hem voor een moment verblind heeft.
Het volgend oogenblik heeft hij den deur van het winkeltje geopend en
bevindt zich voor een kleine wit marmeren toonbank, waarachter een jongetje
staat met blond haar, fijn gezichtje en lichtblauwe plekken onder de
groote oogen.
Dat is háár kind. Al had de naam niet op de deur gestaan,
hij zou het kind herkend hebben.
Een seconde ziet hij niets om zich heen; hij ziet alléén
Celine in haar amazone, zooals hij haar het laatst heeft aanschouwd.
Hare teere rankheid, hare tengerheid en kinderlijke gratie hadden haar
te paard zoo onwederstaanbaar bekoorlijk gemaakt; zij had een rijkleed
gedragen van het allerfijnste laken, van voren op het lijfje een witten
tullen strik, die
[148:]
als een vlinder
neergedaald op haar borst, nu vol aanbidding opkeek naar haar bijna
klassiek mooi gevormd kinnetje. De zonnige eerlijke oogen waren met
een tinteling van levensweelde op al het schooone rondom haar gericht,
zij had een blosje op de wangen, het haar in de nek gekapt, voor losgaan
echter behoed door een onzichtbaar netje. Langs de slapen echter krulde
en speelde het schalk en vrijmoedig, het sprankelde en tikkelde langs
de oortjes en kriewelde in het nekje, maar dit hinderde haar niet, zij
was er aan gewoon, zij streek het zelfs nooit weg. En die weelde van
blond haar, sierlijk weggolvend en uitdagend-dartel opspringend, maakte
haar anders wel wat smal gezichtje onuitsprekelijk aantrekkelijk.
Meestal had zij een gewoon, halfhoog, zwart zijden rijhoedje op, met
lichten sluier, maar ditmaal had zij een Rembrandt op het lokkige kopje
gedragen. Geen enkel sieraad, zelfs geen broche. Gerard Wirtzinga had
moeten toezien hoe zij haar voetje in Arnold's gevouwen handen had gezet,
waarna ze vlug in het zadel was gewipt, daarna van den groom de teugels
aannemend, terwijl ze in haar rechterhand de rijzweep hield, en, na
een kort, vriendelijk groetje aan Wirtzinga, was ze naast Arnold weggedraagd
op haar glanzend bruin paardje met de glasfijne beentjes en den ranken
nek, dat den kop fier ophief, trotsch op zijne aanvallige berijdster:
teere kapel, welke zich voor een oogenblik had neergezet op deze arabesk
der schepping...
"U wenschte, meneer?"
"O... ja... een paar havana's graag."
Vlug als een jonge acrobaat is het kind bij een vrij hooge schap gekomen
en vóór Wirtzinga bij hem kon zijn, om hem, zoo noodig
te helpen, staat hij met één sprong weer op den grond,
het kistje met de gewenschte sigaren in de hand houdend.
En terwijl hij het openmaakt zegt hij, gevat een pakje loten naar voren
schuivend:
"Ook eens een kansje wagen op de Gouden Zuil, meneer, eenige gelegenheid,
toe neem u eens een lootje, tweé, drié, viér?"
Wirtzinga knikte zwijgend, dat het voldoende was. Stil van eene vreemde
gewaarwording, bijna stom van ontroering en teleurstelling ziet hij
op het blonde kopje neer en trekt stelselmatig zijn beurs om een "muntje"
op de toonbank te leggen.
Met veel beweging opent de kleine de lade om hem kleingeld terug te
geven en telt hardop:
"Vier havana's één gulden, vier loten drie gulden,
om u te dienen, zes gulden terug, ik dank u zéér."
Aanvankelijk zonder bepaalde bedoeling dwaalt Wirtzinga's blik even
naar de loten, waarop vijftig cents vemeld staat.
Het kind meent hem oogenblikkelijk te vatten.
"O, ja, luitenant, maar wij kunnen ze genoeg kwijt raken voor vijf-en-zeventig
cents, genoeg, gaat grif," en in zijn toon klinkt iets van "wat
ben jij voor een kale snuiter om over zo'n bagatel te vallen?"
Dan, als iemand van jarenlange ondervinding en veel zaakkennis:
"Het is een eenig mooie kans, één uit duizenden,
de Gouden Zuil mòet onder het publiek, luitenant!"
Weer ziet Wirtzinga neer op het lokkige kopje, dan zoeken zijn oogen
die van het kind. Het zijn de oogen van Celine, maar in de hare glansde
liefde, goedheid en eerlijkheid, die van het kind hebben iets sluws,
vooral nu, nu er duidelijk de vrees in te lezen is, dat de koop nog
eens zou afspringen en hij het geld zou moeten teruggeven.
"Behoud die vier voor u en probeer zelf maar eens een kansje op
de Gouden Zuil," zegt Wirtzinga zacht, de lootjes naar den jongen
schuivend.
En het kind, niet weinig gestreeld over den hoogst gunstigen indruk,
dien hij na alles schijnt gemaakt te hebben en daar niet weinig pedant
op, maar tevens verwonderd over zo''n "streek," blijft min
of meer verbluft achter en kijkt naar de vier papiertjes op de marmeren
toonbank, als waren het bloemblaadjes of engelenwiekjes door een toverwind
tot hem gedragen, dan ziet hij op de deur, maar de zeeofficier is verdwenen;
hij heeft den weg naar den trein genomen.
Hans strijkt even over de vier lootjes, legt ze netjes op elkaar en
voegt ze weer bij de overige.
"Ook eens een kansje wagen, meneer?"