IX. KLEINE GERRIT.
Kalm, deftig - zonder
ontroering of zenuwachtigheid kwam Mama bij haar dochter en wenschte
haar geluk met 't kleintje. 't Jonge moedertje lachte, met een zwak-zalig
lachje. "En kind, nu moet-je je-decideeren hoe je jongen heeten
zal. 't Was zoo'n idée fixe van jou en je man, dat 't een meisje
zou zijn - maar nu moet je een jongensnaam bedenken. Heb-je er al met
Jan overgesproken?"
"Nee, nog niet, heeft 't zoo'n haast?"
"Ja.., ten minste, morgen ochtend moet hij naar 't stadhuis. Om
't aan te geven."
"We zullen hem zeker Jan noemen, naar mijn besten, goeden Jan."
"Nee, kind, o! foei, één Jan is genoeg in de familie
en dan, 't geeft zoo'n verwarring."
[48:]
"Nu dan...
Willem... Henk '" of wat ook," haar stem klonk mat en vermoeid.
"Kijk eens," hernam Mama, zonder er op te letten, "'t
hoort, dat de oudste zoon naar den vader van den man heet, maar dat
gaat hier natuurijjk niet, dus dan zou ik hem naar Papa noemen. André
is ook een mooie naam."
Eugénie antwoordde niet, doch sloot de oogen.
"Je moet maar zien wat te slapen," merkte Mama wijsgeerig
op. Later op den avond - 't kind was 's middags om twee uur geboren
- kwam Marie nog eens kijken en vroeg als een groote gunst, even bij
haar zuster te mogen gaan.
"Toe Jan, ik zal heel stil zijn, één minuutje maar."
En toen, onhoorbaar zacht, gleed ze de kamer binnen en nadat ze 't kleine
luiermannetje in de wieg had bekeken, boog ze zich over 't bed harer
zuster heen.
"Nini, ik ben zoo blij voor je., dat't er is. Weet-je, ik ben 't
zelve aan Jan's ouders gaan zeggen, wat een goede, menschen zijn dat
toch! Mama zegt, dat je jongen naar Papa zal heeten, maar àls
ik je was... zou ik 'm Gerrit noemen, naar zijn vader." ...
"Marie ... nu moet-je heusch weg," klonk Jan's stem vermanend.
Hij was haar gevolgd en stond aan de deur der kamer. "Je weet,
de afspraak was eventjes."
De baker vond het alles behalve een rustigen nacht, mevrouw wou maar
niet slapen, hoe ze ook preekte. Ze vroeg wel om niets en was niet lastig
[49:]
maar als je nu
weet, dat er iemand in 't ledikant naast je ligt met de oogen wijd open,
dan kan je ook niet slapen en dat vond baker toch maar 't ergste.
't Kind was nog al rustig, dat viel mee - maar 's morgens vroeg, wou
mevrouw al, dat ze meneer riep.
Toen Eugénie alleen met hem was en hij naast haar bed zat, trok
ze hem naar zich toe en fluisterde hem in: "Man, je moet straks
naar 't stadhuis, hè. . . om onzen jongen aan te geven?"
Hij knikte toestemmend. .
"En Jan, zeg... mag ik hem noemen zooals ik wil?"
"Ja, zeker, vrouwtje, ik heb r't al met je Mama afgesproken, André,
naar je Papa."
"Dat is, wat Mama wil, maar Jan
ik zou zoo graag zijn naam
kiezen"... en toen nog zachter:
"Weet-je. .. man, hij moet Gerrit heeten, naar jou vader... en
wil-je voor mij bij je ouders gaan en vragen of je moeder kleinen Gerrit
ten doop wil houden en"
Jan deed zijn best zijn ontroering te verbergen; hij was bang dat zijn
vrouwtje zich te veel zou opwinden. "
"Ik zal 't doen, liefje 't is snoezig van je hoor.. maar je moet
nu kalm zijn, ik hoor, dat je den geheelen nacht wakker hebt gelegen."
"Ja, ik heb aldoor liggen denken, ik verlangde er zoo naar om het
je te zeggen... maar nu ga ik slapen."
Ze had den geheelen nacht liggen denken, met haar zwak, moe hoofd liggen
denken en toch had 't haar geen kwaad gedaan, integendeel 't had haar
lichter gemaakt. Ze dacht aan wat Marie haar had ingefluis
[50:]
terd en ook aan
wat ze haar vroeger op dat punt gezegd had. Maar meer dan aan dat alles
dacht ze aan haar ventje, aan 't kleine mannetje, waarvan zij de moeder
was. Wat hield ze nu reeds innig veel van hem, ,ze kon zich bijna niet
meer voorstellen hoe haar leven geweest was zonder hem. 't Was haar
als had ze al heel, heel lang dien kleinen schat bezeten, reeds zóó
lang voor zijn geboorte toch had ze bem al haar denken gewijd. En nu
was hij er en nu groeide hij op, snel groeide hij op in haar gedachte,
hij werd groot, hij werd man. .. en toen op eens was 't haar, alsof
haar borst werd saamgeperst, alsof ze niet meer ademen kon. Zoo er eens,
als hij man was, een vrouw kwam, die hem af troonde van zijn moeder,
die wel den zoon wilde liefhebben, maar niets met de ouders te doen
wilde hebben.
En als hij... haar - zoon, ook eens zoo zwak zou zijn als zijn vader,
als hij zich leiden liet door trots en dwaasheid en - zich sterken liet
door zijn, even trotsche en dwaze vrouw, wat dan? O! ze voelde 't nu
reeds, hoe 't haar dan te moede zou zijn en tevens voelde ze ... wat
die arme oudjes al dien tijd geleden hadden.
Een groot medelijden kwam over haar, een groot verlangen om iets goed
te maken en dan ook ... een groot bijgeloof, een angstig voorgevoel...
de zonden der ouders worden bezocht aan de kinderen tot aan 't vierde
en vijfde geslacht! 't Kind zou mogelijk lijden voor wat de ouders misdaan
hadden,..
Spoedig; zoo spoedig, als ze kon, zou ze be
[51:]
ginnen met goed maken. Ze zou Jan vragen, 't kind naar zijn vader te noemen, dat was ten minste iets en zijn moeder moest het ten doop houden, dat was nog iets en... suf voortsoezend lag ze met open oogen en zag ze, doch langzamerhand werd ze kalmer.