XIX. (= 18)
Voort
van de plek der ruste, in 't kampperk van het leven.
Die steile bergen op, dal van de plaats der eer,
Verlaat uw rozenhof voor donk're olijvendreven,
Op naar uw kruis
DE GÉNESTET.
Er heerscht heden
in het prachtige huis van den heer De Lerken een stemming, die, ofschoon
niet geheel nieuw voor de familie, haren neerdrukkenden invloed heden
meer dan anders doet gevoelen.
In zuidelijker streken kondigt een benauwde drukkende lucht het spuwen
van Etna of Vesuvius, het beven der aarde aan; in de woestijn doet ze
den Bedouien verschrikt naar den horizon turen, terwijl zijn paard,
brieschend en snuivend, den sammoen voelt naderen; op den oceaan beveelt
de kapitein het minderen der zeilen en het beneden blijven der passagiers:
in den huiselijken kring - daar doet men best om, bij zulk een aan gevaren
zwangere lucht, ook de zeilen wat te minderen of zoo stil mogelijk zich
uit de voeten te maken.
De deur van mevrouw De Lerkens kamer bleef dan ook den geheelen morgen
gesloten - mevrouw had zware hoofpijn, misschien ten gevolge van het
drukkende der lucht. Ze is echter niet alleen in die kamer, want als
de meid de gang doorloopt en toevallig even voor de deur
[187:]
staan blijft, hoort
ze daarbinnen luid en heftig spreken, en later, als ze weer eens toevallig
voorbijgaat, komt mijnheer met een bleek en ongewoon bekommerd gezicht
naar buiten stormen.
Ferdinand heeft dien morgen zijn lievelingshond zoodanig geschopt, dat
het arme dier, jankend en kermend, zijn mand opzocht en die niet weer
heeft durven verlaten, daarop smeet hij met groot gedruisch zijn laarzen
door de gang, omdat ze niet goed gepoetst waren, en liep toen uit, na
nog even met Estella gesproken te hebben, die er zeer bleek en vastberaden
uitzag en, als er visites kwamen belet gaf, ofschoon ze gekleed, op
haar kamer zat en - een van de bezoekers graaf Deltrès was.
Wanneer de familie verzameld is en een der bedienden binnenkomt, ontstaat
er plotseling een doodelijke stilte of een geforceerd vroolijk discours,
hetwelk echter hoofdzakelijk door mevrouw De Lerken gevoerd wordt, daar
Estella roerloos neerzit en volstrekt geen deel schijnt te nemen aan
hetgeen rondom haar voorvalt, terwijl bij het koffiedrinken zoowel als
bij het diner, zeer weinig wordt gebruikt en Ferdinand dadelijk na het
eten weer uitgaat, maar nu, op zijn paard, dat hij steigeren en springen
laat tot alle Stikkelaars naar buiten komen vliegen.
Maar ook aan zulke drukkende dagen, als deze is, komt een avond en de
avond vindt mijnheer en mevrouw De Lerken in de huiskamer, terwijl Estelia
de honneurs van het theeblad waarneemt.
"Philippine, we moeten nu toch eindelijk tot een verklaring komen,
dunkt me," zoo begint de kassier met bevende stem.
"Zijn er nu nog geen verklaringen genoeg geweest?" vraagt
mevrouw met een ongeduldig gebaar haar ruischend kleed op de canapé
uitspreidend.
"De ergste moet nog komen," zucht haar man en schuift onrustig
op zijn stoel heen en weer.
[188:]
"Je weet,
De Lerken, hoezeer ik er tegen ben, dat geldzaken buiten het kantoor
behandeld worden. Ik verzoek je daarom. . . ."
"Stella, roep je broer!" zegt de kassier op vaster toon dan
zijn vrouw in langen tijd van hem hoorde.
Als Ferdinand binnenkomt, ontvangt zijn vader hem met een droevigen
blik. "Ga zitten jongen! is de deur wel toe?"
"Een kopje thee, Fer?" vraagt Stella, wie het drukkend gevoel,
dat de nadering van den Sammoen vergezelt, de borst zoo toenijpt, dat
ze bijna niet spreken kan en de kopjes in haar hand trillen.
"Ajeblieft, Stella! Maar mijn hemel, wat is er toch? Zijn we hier
op een begrafenis?"
"Het heeft er waarlijk iets van," zegt mevrouw De Lerken,
beproevende achter een spotlach den angst, die haar meer en meer bekruipt,
te verbergen.
Mijnheer veegt met den zakdoek over zijn gezicht en reikt Ferdinand
een geopenden brief over.
Deze leest en zijn gelaat staat zeer ernstig als hij opziet en vraagt:
"Welnu, pa?"
"Ik heb het niet," zegt deze.
"Da's erg, verduiveld erg!" meent de zoon des huizes.
"Zullen wij nu ook mogen weten wat dat papier beduidt?" vraagt
mevrouw bits.
"Zeg het haar, Ferdinand," stamelt de kassier in grooten angst.
"Dit is een brief, mama van iemand die drie jaar geleden papa twaalf
duizend gulden in bewaring heeft gegeven en ze nu terugvraagt - binnen
den kortst mogelijken tijd nog wel!"
"En je hebt het niet op 't oogenblik, De Lerken?"
"Neen," barst mijnheer nu los, "ik heb het niet, op 't
oogenblik niet, en in 't geheel niet! Of denk je misschien dat ik al
dien tijd zoo onder verdriet en zorg zou
[189:]
hebben gebukt gegaan,
dat ik je zoo dikwerf zou hebben gesmeekt om je wat te bezuinigen, als
mijn zaken in orde geweest waren? Maar de vrouw van den eenvoudigen
kassier moest leven als een gravin, de zoon van den vroegeren kantoorklerk
moest aan de academie tot de eersten behooren, met de aanzienlijksten
des lands omgaan en. . . ."
"O ja, natuurlijk is het onze schuld," zegt mevrouw boos.
"Laat ons niet van schuld praten, mama: de zaak is reeds erg genoeg
zonder dat we elkaar nu nog daarenboven verbitteren door nuttelooze
verwijten. De som is twaalf duizend gulden, niet waar, papa?"
"'t Is waarachtig geen gekheid," meent Ferdinand. "Ik
wou dat de vent in Indië gebleven was, in plaats van ons zoo te
komen ontstellen."
"Ik wenschte, dat hij zijn effecten nooit bij mij gedeponeerd had,"
zucht mijnheer.
"Maar wat hebt u er dan mee gedaan, papa?" vraagt Estalla
nu.
"Stella... ik ik heb ze zes weken geleden gebruikt om een andere
schuld te dekken."
"God beware!" roept Ferdinand: "dat wordt hoe langer
hoe erger!"
"Dus diefstal, pa?" vraagt het meisje en drukt de handen voor
het gezicht, als om den aanblik van den schuldige te ontgaan.
"Wij hadden hem niet zoo spoedig thuis gewacht," valt mevrouw
hier in, "en hoopten voor dien tijd. . . ."
"Indien het nog op eene eerlijke wijze was," zucht Estelia,
"maar zoo!"
"Verwijtingen?!" barst mevrouw nu los, "verwijtingen
van een kind! Ik wist het wel, De Lerken, dat je eigen dochter je het
hardst zou vallen, dat is zoo de gewoonte van menschen die meenen zelf
volmaakt te zijn."
"Ik heb het verdiend, Stella," zucht de kassier gelaten 't
hoofd buigend; "ga je gang, kind, ik heb het verdiend... "
[190:]
"Neen papa,
ik zal u niets verwijten,... Arme papa," en zij slaat de armen
om zijn hals, "het spijt en bedroeft mij.... maar ik zal u niets
onaangenaams zeggen. Ik heb u reeds zoo lang gewaarschuwd, zoo dikwijls
gesmeekt om mama en Ferdinand te bepalen, hoeveel ze verteren konden
en hun niets meer te verstrekken, dat ik nu, nu het te laat is, geen
woord meer daarover spreken wil. Maar wat u betreft, mama," gaat
ze, tot haar moeder gewend voort, "in dit uur zal ik nogmaals herhalen
wat ik reeds zoo dikwerf zeide: U zijt de oorzaak van dit alles; u hebt
u aan de schandelijkste verkwisting schuldig gemaakt, ons opgevoed in
een weelde, die ons niet altijd volgen kon in het leven; u hebt Ferdinand
gesteund en versterkt in zijn spilzucht, mij bespot en bedild om mijn
zuinigheid; u hebt willen bluffen tegen de aanzienlijksten van de stad
in; kostbare partijen gegeven: de prachtigste toiletten en meubelen
gekocht en, zooals het nu blijkt, zijt u geëindigd met papa over
te halen tot allerlei oneerlijke handelingen, zijt u zijn medeplichtige
bij schandelijl, bedrog en misbruik van vertrouwen... ."
Mevrouw De Lerken is doodsbleek geworden, ze trilt aan haar geheele
lichaam en de wijze waarop ze haar dochter aanziet, toont hoe ze die
ernstige woorden opnam, maar ze spreekt geen woord, want 't zou tevergeefs
zijn als ze beproefde eene weerlegging van Estella's beschuldigingen
te vinden.
"Komaan, Ferdinand," brengt ze eindelijk uit, "laat deze
beide onschuldigen te zamen de zaak bespreken; wij de verkwisters, zijn
overbodig."
Ferdinand vindt het verschrikkelijk onaangenaam, dat de oude lui in
zulke moeielijkheden zijn geraakt en daar hij geen kans ziet hen daaruit
te redden, heeft hij reeds geruimen tijd gepeinsd op een middel om deze
weinig amusante familievergadering te ontvluchten; de woorden zijner
moeder konden dus niet anders dan welkom zijn en reeds staat hij op
van zijn stoel, als hij een blik vol
[191:]
smeekend verwijt
van zijne zuster ontmoet en plotseling weer zitten gaat.
"Neen mama! neen. EstelIa heeft gelijk. We hebben er pa in gebracht;
we moeten hem er ook weer uit zien te helpen," zegt hij. "Laten
we de zaak nu nog eens kalm bespreken." Mevrouw zet zich weer,
verpletterd door den afval van haar laatsten bondgenoot. "Er is
dus een te kort van twaalf duizend gulden, niet waar, pa?"
"Dat is niet alles," zucht De Lerken, onrustig op zijn stoel
heen en weer schuivend.
"Maar papa hebt u dan nog meer ge.. . . ge. . . ?"
"Gestolen, bedoel je!" vraagt de oude heer met gebogen hoofd.
"Ja, ik heb van nog een ander kapitaal dat ik beheerde, tien duizend
gulden afgenomen; dat is verleden jaar geweest, toen ik een paar rekeningen
die reeds vijf jaar stonden - ik geloof bij den meubelmaker en den behanger
- heb afbetaald."
"Het was van de beide voorkamers, die ik wat heb laten in orde
brengen, toen je zuster van school thuis kwam, Ferdinand," valt
mevrouw hier in. "Zoo ze wat meer mijn raad gevolgd had, dan had
ze een goed huwelijk kunnen doen en hadden wij ten minste eenige sátisfactie
van de toen gedane uitgaven."
"Dus zoudt u twee en twintig duizend gulden moeten weten te vinden,"
zegt EstelIa tot haren vader. "Kunt u geen hypotheek op het huis
nemen?"
"Dat is reeds lang geleden gebeurd, kind!"
"Ja. . . .? En kan er ook niet om uitstel gevraagd worden?"
"Wat helpt uitstel? Ik kan het toch niet terugkrijgen."
"Komt tijd, komt raad," meent Ferdinand. "Ik vroeg uitstel!"
"Hij wil het dadelijk ontvangen om het in een speculatie te steken.
Als ik uitstel vraag, ruikt men lont en, . . . Neen, we moeten iets
anders bedenken."
"Verkoop allereerst uwe juweelen, mama!" zegt Stella.
[192:]
"Dat nooit!"
roept mevrouw met een hoogen blos en woedenden blik op haar dochter.
"Vraag een vriend om u te helpen," raadt Ferdinand.
"Een vriend die met twee en twintig duizend gulden helpen kan en
helpen wil..., zoek er mij zoo een, Ferdinand!"
"Maar, mijn God, wat moeten wij dan toch doen!" roept mevrouw
uit en wringt de handen, waaraan de bedreigde juweelen schitteren.
"Ik weet het niet!" zucht mijnheer op doffen toon.
"Ik ga naar Amerika," roept Ferdinand op eens, "daar
zitten toch al twee van mijn academievrienden!"
"Stella, weet gij dan geen raad," vraagt de heer De Lerken
zich angstig tot zijn dochter wendend, die nu haar hoofd opheft en hare
betrekkingen in het gelaat ziet.
"Ja, ik weet misschien raad," zegt ze, "maar u zult dien
niet willen opvolgen. Ik zou namelijk voorstellen om alles wat wij bezitten,
huis meubelen, rijtuig, paarden, goud, zilver en juweelen dat alles
te verkoopen, daarmede het te kort te dekken, onze schulden te betalen
en als arme, maar eerlijke menschen ons brood te verdienen."
"Kind, je bazelt!" roept mevrouw bleek van drift; mijnheer
kreunt als iemand die hevige pijn lijdt.
"Maar ik geloof waarachtig ook, ma, dat dit het eenige is wat er
opzit," zegt Ferdinund bedaard.
Mevrouw is op het punt van een beroerte te krijgen.
"Alles verkoopen? Als een gemeene bankroetier? Nooit; in der eeuwigheid
niet!"
"Maar Philippine. . ," stamelt de kassier.
"O ja, gij zult er wel voor zijn, De Lerken, dat had ik vooruit
kunnen weten. Het zou ook al te fatsoenlijk, al te comme il faut wezen,
als de zaak zonder schandalen geschikt werd. Neen, je hebt gelijk; hoe
gemeener, hoe meer ophef, hoe meer schandaal, des te beter! Deurwaarders,
dienders, advocaten in je huis, juist een kolfje naar je hand!"
[193:]
De uitwerking die
mevrouw De Lerken van aanvallen als deze gewoon is, blijft heden tegen
verwachting geheel achter; integendeel, ze wekt den zachtmoedigen echtgenoot
tot een ongewoon krachtig verzet op.
Hij ziet zijn vrouw strak in 't gelaat en, als ze eindelijk, buiten
zich zelve van drift, zwijgt, zegt hij bedaard: "Je hebt zoo lang
over fatsoen gepraat, Philippine, mij zoo dikwerf trachten aan te toonen,
dat ik volstrekt niet weet wat fatsoenlijk is, zoolang voor het fatsoen
geleefd en gebluft en schulden gemaakt, - dat we nu nog eindigen zullen
met het geheel en al te verliezen."
"Ja, als dat ten minste gebeuren moet als ons huis verkocht moet
worden - dan zijn we zeker ons fatsoen kwijt."
"Ik geloof, mama, dat het fatsoen niet bestaat in het bezit van
een huis, maar wel daarin dat men ieder het zijne geeft."
"Dat is zeker waar, Stella," zegt haar broer met een zeer
benauwd gezicht, "maar zoo op straat te staan, zonder iets in je
zak.. . ."
"De Lerken," roept mevrouw eensklaps opspringend, "ik
weet een middel!"
"Een middel! Goddank! Maar welk? welk?" zoo klinkt het verward
geroep.
"Hoe dom, dat we er niet eerder aan gedacht hebben!" gaat
mevrouw De Lerken voort, terwijl de anderen nieuwsgierig naderbij schuiven.
En dan zachter sprekend, voegt ze er bij: "We hebben immers nog
het kapitaal van mevrouw Van Slooten."
"Welnu?" vraagt mijnheer en ziet haar doodelijk verschrikt
aan.
"Welnu? Dat is immers ruim dertig duizend gulden! Juist zooveel
als we noodig hebben
je begrijpt me."
"Mama... .!?" klinkt het uit twee monden, die bestorven zijn.
[194:]
"Een weduwe...
.!" mompelt De Lerken.
"Ge kunt het immers later teruggeven. Als ge er nu uw vrouw en
kunderen mede redt en binnen een paar jaar met speculeeren het misschien
driedubbel terugwint... ."
"Een weduwe ," herhaalt de kassier, "een wees."
"Arme kleine Florence", zucht Ferdinand ter zijde.
"Arme Florence?" herhaalt mevrouw De Lerken schimpend. "Die
zoogenaamde arme Florence trouwt een rijken graaf, die in één
jaar misschien driemaal zooveel inkomen heeft als het geheele kapitaal
harer moeder. Zij behoeft dit geld nu niet meer; zij krijgt immers haar
zin; de broer van haar vriendin werd afgewezen, omdat ze beter wild
onder schot had en dat. wijd is nu zoo goed als geschoten. Neen, Ferdinand,
met haar behoef je geen medelijden te hebben; zij weet wel voor zich
zelve te zorgen!"
"Een weduwe," mompelt de kassier weer, "en Van Slooten
was mijn vriend!"
"Denk toch niet aan die vreemden, De Lerken! Denk aan je vrouw,
je kinderen! Denk aan de toekomst van je zoon, aan de ellende, de schande,
de armoe die je wacht!"
"O Philippine, het is te erg, al te erg!"
"Papa," en Estella treedt op haar vader toe en vestigt haar
doorborende oogen zoo vast op hem, dat hij onwillekeurig naar haar blijft
opzien, "papa, u kunt, u moogt die slechte raadgevingen niet volgen!
U hebt het geld van iemand die u vertrouwde, gebruikt, voeg hierbij
nu niet de schandelijkste daad die een mensch doen kan, een diefstal
aan weduwen en weezen, een misdaad aan een overleden vriend te plegen."
"Stil, kind! stil, spreek niet zoo hard!"
"Maar, niet waar? u zult het niet doen, papa," gaat ze smeekend
voort. "U hebt uw kinderen te lief om hen een geschandvlekten naam
achter te laten; u hebt te veel achting voor u zeIven om zuIk een laaghartigen
schurk
[195:]
te worden. Papa,"
en ze slaat de armen om zijn hals en kust hem op het brandend voorhoofd,
"ik wil uwe armoede met u deelen! ik wil voor u werken, nacht en
dag, u liefhebben en eeren - en nooit zal er een woord van verwijt over
mijne lippen komen, maar o! doe dát dan ook niet, doe dàt
niet! Wees, blijf eerlijk man papa, ik smeek u er om!"
"Luister niet naar haar, De Lerken! Neen, zoo dwaas, zoo onverstandig
zul je niet zijn, je te laten overreden door dat dweepzieke schepsel,
dat hare vriendin - want het is alleen om die ellendige Florence - boven
hare ouders en broeder stelt."
De krijschende stem der moeder de smeekende der dochter wisselen elkaar
nog geruimen tijd af; 't wordt donker en donkerder in het vertrek, de
stormwind loeit om het huis, als wilde hij deszelfs val verhaasten met
zijn woeste vlagen, de regen druppelt zachtjes er op neer als treurde
en weende hij over de straks verloren grootheid - maar de overwinning,
hetzij, ten goede of ten kwade, is nog steeds niet beslist.
De zwakke man, die nu de eene, dan de andere, soms ook beide, belooft
haar raad te volgen, kermt en steunt en schuift in zijn leunstoel heen
en weer en wischt de groote zweetdroppen af, die op het klamme voorhoofd
parelen, terwijl Ferdinand zwijgend den strijd aanziet en, wanneer zijn
opinie bepaaldelijk gevraagd wordt, zich houdt bij zijn gezegde: "'t
zou een gemeene streek zijn, maar... op straat gezet te worden is ook
niet alles!"
Eindelijk verlaat Stella luid snikkend het vertrek en mevrouw acht nu
het oogenblik gekomen om, met al de middelen die haar ten dienste staan,
langs al de sluipwegen die zij doorkronkelen kan, met al de overredingskracht
die zoo zelden hare uitwerking miste op den zwakken echtgenoot, hem
tot hare meening over te halen. Zij smeekt en beveelt, prijst en laakt,
verwijt en vleit beurtelings: zij stelt Florence, de wees die hij
[196:]
vreest te benadeelen,
voor als een coquette, die met hun zoon heeft gespeeld om gravin te
worden; de weduwe, wier toekomst hem beangst, als een intriguante die
op listige wijze de genegenheid, welke graaf Deltrès voor Estella
zou hebben opgevat, heeft weten te vestigen op hare dochter, beide weldra
zich badend in de weelde, die Florence's huwelijk met zich zal voeren
Daarentegen hangt ze een roerend tafereel op van de schande, de ellende
en armoe die hemzelf en hen allen wachten, ingeval hij niet tot den
voorgeslagen stap besluit en belooft hem gouden bergen van eene geldbelegging,
waardoor hij binnen weinige jaren het kapitaal van mevrouw Van Slooten
kan terugwinnen. Als de kassier van tijd tot tijd zijn stem nog eens
verheft en aarzelend fluistert over het laaghartige en gevaarlijke van
zulk een daad, brengt ze hem spoedig tot zwijgen en zóo wel berekend
zijn hare drogredenen, zóo fijn gesponnen het net van leugen
en huichelarij, waarin zij hem langzamerhand verstrikt, terwijl zij
schijnbaar zijn geweten tracht te sparen, maar al deszelfs drang en
waarschuwingen ontzenuwt en krachteloos maakt door hare woorden - dat
hij eindeijk met gebogen hoofd en stokkende stem - zijne toestemming
stamelt.
De deur gaat juist nu open en Estalla treedt binnen.
Een blik op zijn dochter doet den ouden man ontwaken uit zijn verdooving;
- hij ziet haar aan, zooals ze daar staat, doodsbleek, maar met opgeheven
hoofd en helderen blik, niet bevend en aarzelend zooals de anderen,
maar met grootsche, edele gedachten zetelend op het hooge voorhoofd....
en hij schaamt zich voor zijn kind.
"O, mijn arme Stella. mijn lieve, lieve Stella," snikt hij,
"ik kon, ik durfde niet anders.. . . zij heeft mij gedwongen! O
mijn kind, vergeving!"
Zij treedt haastig nader, en, zich tot den zwakken, karakterloozen man
overbuigende, fluistert ze: "Wees gerust, papa, en dank mij want
ik heb u verhinderd
[197:]
een schurk te worden
Mevrouwv Van Slooten is gewaarschuwd!"