[1:] I.
.
en booze tongen fluisteren
.Gij moet er niet naar luisteren
't Is laster. 'k Weet veeleer in 't lieve vaderland
Geen stedeken, alzoo aandoenlijk interessant
Zoo gij maar 't oogpunt weer waaruit gij moet bekijken -
En dat ik waarheid spreek, moog uit mijn dicht u blijken,
DE GENESTET.
Op het plekje gronds
dat wij - tegenwoordig met een weinig minder ophef dan vroeger - ons
vaderland noemen, vindt men hier en daar van die kleine landstadjes,
waar het bizonder net en bizonder stil is; van die stadjes die niet
aan het spoor zijn gelegen, die bijna geen handel drijven, ja zelfs
geen garnizoen hebben; waar de couranten en brieven ontvangen worden
als men overal elders het nieuws reeds weet en welks bewoners, zoo wel
wat de politiek als de modes betreft altijd een geruimen tijd ten achteren
zijn bij die van andere plaatsen.
Stikkel is zulk een landstadje. Volgens burgemeester en wethouders telt
het zevenduizend zielen; - in alle aardrijkskundige boeken wordt het
op vijf gesteld - en zoo men de Stikkelaars gelooven mag, is het een
alleraardigst plaatsje, waar men een heel pleizierig leventje leiden
kan. Wel zijn er, behalve het stadhuis en de hoogere burgerschool, geen
groote gebouwen, maar de huizen zijn over
[2:]
het algemeen flink
en ruim; de tuinen soms zoo groot dat Amsterdammers ze den naam van
park of plantsoen zouden geven; men vindt rondom het plaatsje keurig
onderhouden en allerliefste wandelingen en er is overvloed van versche
lucht en frisch drinkwater.
's Zomers kan men er zeer genoegelijke rijtoertjes maken - als men ten
minste niet te dikwerf verandering wenscht - 's winters rijdt men er
schaatsen en het geheele jaar door smaakt men allerlei genoegens zoowel
door het bezit van een gemeenteraad, een schutterij en weerbaarheidsbond,
als van een rechtbank, hoogere burgerschool en wat meer in staat is
om een landstadje in de oogen der bewoners tot iets belangrijks en gewichtigs
te maken.
De gemeenteraad, bij voorbeeld! brengt meer dan men zoo oppervlakkig
meenen zou bij tot de verlevendiging van het plaatsje en de vroolijkheid
der Stikkelaars.
De Weelbode - een courant die, even als zoovele harer zusteren, misbruik
maakte van de zegelopheffing om driemaal 's weeks uit te komen, verkrijgt
eigenlijk eerst belangrijkheid en waarde door hare uitvoerige verslagen
van de vergaderingen door dien gemeenteraad gehouden. Het is namelijk
een groot en telkens nieuw feest voor de Stikkelaren als ze in genoemd
courantje lezen kunnen, hoe de heer A. een voorstel deed dat door den
heer B. werd wederlegd; hoe er gestemd werd en de stemmen staakten,
en eindelijk - dat de raad overging tot eene zitting met gesloten deuren.
Maar dit is nog in de verste verte het grootste genoegen niet dat door
den gemeenteraad aan de belangstellende burgers wordt verschaft.
Het is dán als er "gevochten" is in de vergadering.
Als A. een veeg van B. en C. een langen neus van D. gehad heeft, als
E. er langs kreeg en F. geen mond meer durfde opendoen. Dan juicht Stikkel!
dan komen op de sociëteit de heeren elkaar met de courant in handen
[3:]
te gemoet, dan
wordt er geschaterd van pret en in de handen geklapt van genot over
dat "standje."
Overigens komt de vergadering van den Stikkelschen gemeenteraad vrij
wel overeen met alle andere vergaderingen, die tot heil van kerk en
staat worden belegd; de verkiezingen gaan gepaard met allerlei handelingen,
waarvan het beter is, dat ze bedekt dan geopenbaard worden, de leden
twisten, betoogen en weerspreken zichzelf en anderen en dikverf wordt
het belang van het algemeen aan de bizondere belangen opgeofferd of
om een oude veete een flink nieuw voorstel tegengewerkt.
Evenals de vergaderingen van staten-generaal of synode onderscheiden
zich die van den gemeenteraad van Stikkel door eene langzaamheid, die
oningewijden dikwerf voor talmzucht houden, door een voortdurend benoemen
van commissiën van onderzoek, en door ieder verzoek, ieder reqest
met zooveel nauwkeurigheid te behandelen, dat zelfs de Stikkelaars vergeten
hebben wat er eigenlijk gevraagd is, als de toestemmende en afwijzende
beschikking eindelijk door de Weekbode den volke wordt verkondigd.
Zooals alle Stikkelaren u met stralende blikken verzekeren zouden, is
een tweede voorrecht en genoegen, waarin het stadje zich verheugen mag,
het bezit van een hoogere burgerschool.
Het verkrijgen van dien schat heeft echter niet weinig moeite gekost.
Nadat er ongeveer drie jaar lang in den gemeenteraad allerlei voorstellen
ingekomen, plannen beraamd en commissiën benoemd waren, werden
er herhaaldelijk vergaderingen met gesloten deuren gehouden, hetgeen
reeds zooveel verwachten deed, dat het stadje in een soort van koortsachtige
spanning geraakte. Eindelijk verkondigde de courant: dat op den zevenden
Augustus 1860 den gemeenteraad van Stikkel besloten had eene hoogere
burgerschool op te richten en behalve de som van f 12000 die de stad
zou opbrengen, er een subsidie zou worden aangevraagd van f 9000.
[4:]
Geheel Stikkel
juichte. Of neen - geheel Stikkei niet, maar dat de landsambtenaren
en andere schraal bezoldigden zuchtten bij de gedachte aan de som die
men van hen door hoofdelijk en omslag voor de nieuwe instelling zou
eischen, daar werd niet op gelet - men is reeds gewoon aan hunne klachten,
en men weet vooruit dat er niets aan gedaan kan worden, of ten minste
- dat er niets aan gedaan wordt.
Men wachtte nu met ongeduld het antwoord op het verzoek om subsidie
af.
Nu, eene subsidie te bekomen - als is het dan ook voor eene hoogere
burgerschool - gaat niet zeer gemakkelijk; er spoedig een te bekomen,
schijnt tot de onmogelijkheden te behooren. Weer duurde het een poos
- maar eindelijk kwam ook de subsidie!
Het gebouw werd als door een tooverslag opgericht; een directeur gevonden,
docenten snelden van alle kanten toe, de leden van den raad gevoelden
zich zeer machtig, en deden na lang aarzelen de benoemingen. Nu had
men onder de Stikkelsche jongelingschap verscheidene van die docenten
kunnen vinden, maar - dit was voor de leden van den raad eene bizon
der goede gelegenheid om zich over de eene of andere beleediging te
wreken of hunne macht te toonen, en zoo gebeurde het dat - niettegenstaande
er veel gekuipt en verzocht werd - vreemdelingen met de posten gingen
strijken.
De school werd geopend met eene rede - die later in de Weekbode gedrukt
werd - van den burgemeester, een toespraak van den directeur, en - O
gruwel! een aantal leerlingen van negen; allen voor de eerste klasse.
Maar - de hemel zij dank! spoedig kwamen er meer die wenschten van den
boom der kennis te eten en daarenboven - niet van de hoogere burgerschool
alleen kon het geluk der Stikkelaars afhankelijk zijn. Er was toch buiten
dat een schutterij, een weerbaarheidsbond, een rechtbank.
[5:]
De laatste verschafte
altijd één of meer fatsoenlijke families die partijen
gaven, een de ander griffier of advocaat die nog ongehuwd was - en wat
het weerbaarheidsbond betreft, ieder kon, ja zelfs veel burgerjongens
waren er lid van geworden, toen in zeker belangrijk tijdsgewricht Neerlands
zonen waren opgeroepen tot verdediging van het dierbaar plekje grond,
de erve der vaderen. De dames hadden een prachtig vaandel geborduurd,
er werd jaarlijks een schietwedstrijd gehouden, men liep eenmaal 's
weeks in een blouse met groene tressen rond en - last not least - het
weerbaarheidsbond gaf van tijd tot tijd een groot bal!
De schutterij was eigenlijk een genoegen dat men den minderen stand
in StikkeI bereidde.
Des maandags worden de bewoners van het stille stadje geregeld uit hun
middagdut opgeschrikt door het roffelen van de trom; kort daarop ziet
men met geweren en trompetten dragen, terwijl eenige, in het schutterijpak
gestoken, mannen zich naar de plaats van vereeniging spoeden. Maar dit
is niet alles! De zusters, de tantes, de broers van de schutters, met
het kroost op den arm om het de grootheid der vaders te doen aanschouwen
en zoodoende het vuur van den heldenmoed te ontsteken in de jeugdige
borst, zijn ook op het appèl, ja, spoedig vereenigt zich een
groot gedeelte van het Stikkelsche gepeupel rondom de roemruchtige verdedigers
van het vaderland.
Na zeer veel voorbereidende maatregelen zet de stoet zich in beweging;
de straten weergalmen van een muziek die, op zijn minst genomen. Oorverscheurend
is, het handjevol schutters, geëscorteerd door hunne familie en
geheel verscholen door het hen omgevende publiek, stapt trotsch op zijne
waardigheid, maar geheel uit den pas, voort. Aan sommige vensters verschijnen
jonge dames - want aan het hoofd van die schutters bevinden zich officieren
en daar, waar geen luitenants van de artillerie
[6:]
of Cavalerie zijn,
maken die van de schutterij nog opgang; zij hebben echter nauwelijks
den tijd om de hun aangedane beleefdheid op te merken, want ze zijn
- zoo ze ten minste een weinig orde willen houden - verplicht van den
eenen kant naar den anderen te vliegen.
Natuurlijk heeft Stikkel bij zóóveel genoegens ook eenige
mindere aangename zijden. Zoo moet men b. v. ten koste van alles zijn
slager of bakker te vriend houden, daar hij de eenige is, die goed vleesch
of goed brood levert; zoo moet men het maar zonder visch. zonder wild,
of zelfs zonder vruchten doen, als de meid u bericht, dat zij filet
te bekomen zijn, al loopt ze ook de geheele stad rond. Ook is het wellicht
minder genoegelijk voor de dames om, als ze in November, rillend van
kou een wintermantel komen koopen, te worden ontvangen met de verzekering
dat de modellen iederen dag komen kunnen. of ook wanneer zij zich een
duur stel bont of borduursel aanschaften in een andere plaats te worden
gevraagd: of ze het niet naar den laatsten smaak vermaken zouden?
Misschien zouden sommige menschen het ook hatelijk vinden om, als ze
bij toeval hakken aan hun laarzen dragen, hun stap te hooren weerklinken
door de ledige straat, of wanneer ze iets zeggen of doen dat niet juist
zóó is, als men dat van oudsher in 't stadje gewoon was,
daarover jaren lang te moeten hooren praten, en zeker is het iets hatelijks,
als men plotseling gasten krijgt en nergens versch gebak of ook zelfs
maar de eene of andere lekkernij te bekomen is; of als het uur van wandelen
daar is, achter ieder venster nieuwsgierige gezichten en glurende blikken
bespeurt.
Wat de conversatie betreft - de geboren Stikkelaars zullen u zeggen,
dat ze zeer aangenaam is, de nieuwaangekomen, dat het door al de familieavondjes
in cliquen zeer moeielijk wordt gemaakt om kennissen te vinden of in
een kringetje toegang te krijgen. Maar er is altijd veel te doen in
Stikkel - en vooral 's winters is er aan
[7:]
soupeetjes en dineetjes
geen einde. Nu en dan brengt ook een concert of comedie de Stikkelaars
in een klein zaaltje te zamen; er wordt druk gedanst, zomer en winter,
en over het geheel leidt men er een zeer genoegelijk leventje.
Iedereen kent en groet elkaar, iedereen bemoeit zich met alles, wat
zijne kennissen aangaat; men gaat veel uit en ziet elkaar druk. Slechts
in bizondere gevallen wordt er iets in gevonden, wanneer een heer eene
dame aanspreekt op de wandeling; de dames vinden er ook niets in hunne
mannelijke bekenden zeer intiem te groeten, en het aantal amourettes
dat - gedeeltelijk als een gevolg van dien vrijen toon - de belangstelling
van het publiek, steede gaande houdt, is buitengewoon groot. Ook komen
er onder de Stikklaars heel veel engagementen tot stand, die dan door
het geheele plaatsje met invitaties en felicitaties gevierd worden en
- zoo ze niet weer uitraken - met een echt ouderwetsche bruiloft eindigen.
Mijn lezer kent nu Stikkel reeds genoeg om te begrijpen dat wanneer
in genoemd stadje een weduwnaar met zijn huishoudser trouwt, een arme
kantoorklerk een erfenis krijgt, een nieuwe ontvanger of notaris benoemd
wordt, dit feiten zijn, die de algemeene belangstelling wekken en in
de verschillende kringen met meer of minder vuur besproken worden.
Stel u dan voor, lezer of lezeres, dat zich in datzelfde Stikkel een
jong advocaat komt vestigen, van wien het gerucht meldt, dat hij schatrijk
en ongehuwd is; stel u voor dat die advocaat graaf Hugo Deltrès
van Alteren heet en door de welsprekendheid zijner eerste pleitrede
al de hoorders in verbazing brengt en verbeeld u dan - zoo ge kunt!
- den toestand van nieuwsgierigheid en opgewondenheid, waarin de Stikkelsche
heeren en dames na zijne verschijning verkeeren.
Helaas! de Stikkelaars zouden zich in den nieuwen stadgenoot droevig
teleurgesteld vinden. 't Is waar, hij rijdt paard en verbreekt door
den stap van zijn hengst
[8:]
eenigszins de doffe
stilte in de straten. ook houdt hij een hond die zekere drukte geeft,
daar hij - wellicht op fransch grondgebied geboren - van een zeer oorlogzuchtigen
en blafferigen aard is; maar hiermede is ook alles gezegd wat graaf
Deltrès tot opvroolijking van Stikkel bijbrengt. Bals bezoekt
hij nooit, concerten zelden; hij heeft zich nergens laten presenteeren
en op de sociëteit ziet men hem slechts bij uitzondering, geen
enkele jonge dame kan er zich op beroemen ooit door hem met een blik
te zijn verwaardigd en, wat zijn stadgenooten nog het vreemdste toeschijnt,
hij stelt niet het minste belang in Stikkel en zelfs de belangrijkste
gebeurtenissen, die in het plaatsje voorvallen... laten hem geheel onverschillig.
De wijze, waarop graaf Deltrès van Alteren beschouwd en besproken
wordt, heeft gedurende de drie jaar, die hij binnen Stikkel's wallen
doorbracht, verscheidene verwisselingen ondergaan.
Eerst wekte hij de algemeene belangstelling, daarna verbazing over zoo
veel onverschilligheid en allerlei vermoedens, - het een nog minder
gegrond dan het andere, - en toen den toorn van de mama's, wier dochters
hij zoo geheel en al onopgemerkt liet en van de papa's wier zoons hij
ver voorbijstreefde. Eindelijk werd hij door het groote publiek voor
een zonderling uitgekreten, door enkelen heel interessant gevonden,
door anderen weer een saaien vent genoemd, maar ook besloeg hij in het
hart van menig jong meisje een ongevraagde plaats, en vervulde hij een
niet onbelangrijke rol in haar plannen en droomen.
Want deze waarheid, door de eeuwen bevestigd, bleef ook in Stikkel van
kracht; het onbereikbare wekt het meest de begeerte; op den top van
gindschen steilen, onbeklimbaren berg, ziet onze verbeelding bloemen
en vergezichten, zooals geene der beklommen bergen bood.
Zij, die onverschillig blijft voor den trouwsten aanbidder, haakt naar
de hulde van den koelen man, die haar voorbijgaat zonder één
blik aan hare schoonheid te wijden, en
[9:]
hij, die zich geen
moeite wil geven voor het hart dat dadelijk ontvlamt als het zwam, wenscht
vurig een vonk te slaan in een schijnbaar koude marmerborst.
Graaf Deltrès van Alteren woont nog steeds in Stikkel, klaarblijkelijk
even onbewust van de ergernis die hij geeft als van de zoete wenschen
en verlangens die hij opwekt; hard werkend - wat zeker zeer vreemd is
in een schatrijk adellijk heer - en even gewillig voor arme als voor
rijke cliënten, wat wellicht even vreemd is in een advocaat.
In de drukste wijk van het stadje bewoont de jonge rechtsgeleerde het
fraaiste bovenhuis, hetwelk door een zekere jufvrouw Baks wordt verhuurd,
maar alleen aan zeer soliede jonge menschen, want jufvrouw Baks heeft
drie dochters en,...
Nu, wat den eenzamen graaf betreft, zijn goede naam was zoo onbesmet
als eenig jong meisje zich haar eigen zou kunnen wenschen. En om in
een stadje als Stikkel, waar iederen stap ter rechter of ter linker
wordt bespied, om in, zulk een stadje een onbesproken naam te hebben,
dat beduidt iets; bijna geen enkele geboren Stikkelaar heeft het ooit
zoover kunnen brengen, al heeft hij het ook beproefd met al wat in hem
is!
Jufvrouw Baks verhuurt dan ook met een gerust geweten haar fraai bovenhuis
aan graaf Deltrès en, zoo ooit kamers lief en vroolijk waren,
dan zijn het deze. De suite is ruim, licht en luchtig, de slaapkamer
juist groot genoeg om het zomers niet benauwd te hebben en 's winters
niet in bed te liggen rillen van kou; de studeerkamer is meer dan dit
alles: ze is allerliefst.
Waarlijk, zoo de mama's die, in billijke verontwaardiging ontstoken
over de onnatuurlijke koelheid, die graaf Deltrès toonde en de
- volgens haar - bespottelijke afzondering waarin hij leefde, eens zijn
studeerkamer waren binnengetreden, ze zouden het hem misschien gemakkelijker
hebben kunnen vergeven, dat hij dit vertrek ver
[10:]
koos boven de benauwde
societeitszaal of luidruchtige gezelschappen.
Want in die kamer vereenigde zich comfort met weelde, eenvoud met pracht;
de geheele stoffeering getuigde van den kieschen smaak en fijnen kunstzin
des bewoners, terwijl de uitgezochte bibliotheek, de open haard en gemakkelijke
sopha als om strijd tot thuisblijven uitlokten.
Volgens gewoonte brengt Deltrès ook dezen avond op zijne kamer
door. Voor de schrijftafel, die de marmerbusten en fraai gebonden werken
van eenige geniën draagt, met het donkergelokte hoofd op de hand
gesteund, de schitterende oogen op één punt gevestigd,
is de man gezeten, die nog steeds, in meerdere of mindere mate, de belangstelling
der Stikkelaars gaande houdt. Zijn uiterlijk.... is een van die uiterlijken,
die men bewonderen, liefhebben, maar niet beschrijven kan; een van die
uiterlijken, die macht oefenen en blikken tot zich trekken, maar waarvan
men niet weet of ze mooi of leelijk zijn.
Hij is nu alleen - maar eerst kortelings verlaten door een cliënt;
een metselaar in de zondagsche jas, die eenmaal tot trouwjas diende;
met een verbruind gezicht en ruwe handen, maar met een eerlijk, gevoelig
hart - dat bewezen de tranen die hij schreide, toen hij den jongen advocaat
vertelde van zijn vrouw en hoe hij haar had liefgehad en hoe ze hem
bedroog schandelijk bedroog!
Als de man de kamer heeft verlaten, peinst de advocaat nog lang over
dien echtgenoot en zijne smart. "Arme drommel," mompelt hij,
met de lange witte vingers in zijn haar woelend, "arme drommel!
hij dacht niet dat de rijke heer aan wien hij zijn nood klaagde, van
zoo nabij wist wat het beteekent: een vrouw zonder eer, een vrouw die
haar man verlaat, - hij weet niet dat de rijke heer ooit zulk een vrouw
heeft gekend, zulli een vrouw die haar man verliet en haar kind!"
"Haar kind!" gaat hij nu op heftiger toon voort,
[11:]
"haar kind!
O, gij hebt nog iets vooruit op den graaf, arme metselaar, uw vrouw
is schuldig ja! maar ze was geen moeder geen moeder zooals die andere..,
zij had geen kind, geen zoon die op kon groeien om haar te vloeken "Haar
vloeken...? Och neen, de dooden vloekt men niet; men weent slechts om
hen en om hetgeen ze misdeden.
"O moeder! zoo ge het geweten hadt, toen ge ons verliet, zoo ge
het geweten hadt, dat behalve uw man, daar nog een ander wezen was,
een ander hart dat onuitsprekelijk leed om de verlorene, zoudt ge dan
toch gedaan hebben wat ge nu deedt...,?
"Ja, want ge waart vrouw en ge hadt lief - en dan, dan zijn de
vrouwen tot alles in staat, tot het grootste maar tot het laaghartigste
ook!
"Maar toch, ge wist toen niet wat ge misdeedt, misdeed jegens mij...
uw zoon!
"Ge hebt mijn kindervreugd verstoord, moeder! ge hebt mijn jongelingsdroomen
overdekt met den donkeren sluier des argwaans, ge hebt mij gemaakt tot
een grijsaard, nu, terwijl ik een levenslustig man kon wezen!
"Want - met gloeiend schrift hebt ge 't mij in de ziel gebrand;
ontvlucht ze, de vrouw, zij verraadt u met haren glimlach, zij liegt
met hare tranen, ze verbergt een dolk in haren zachten boezem
"O moeder! oneindig, oneindig veel hebt ge misdaan jegens mij.
Immers, in de ure der verzoeking kon ik mij uwer niet herinneren met
heilige vereering; gij waart nooit mijn goede engel, mijn beschermgeest
in het gevaar. Slechts met afschuw kon ik denken aan u, aan u, die mij
onder het hart hebt gedragen, ik kon slechts blozen over u en uwe schande
en o! dit, moeder! had een langer leven dan het uwe niet kunnen boeten;
- gij leerdet mij het geslacht te verachten, dat trouwelooze vrouwen
en ontaarde moeders voortbrengt!"
[12:]
Hij streek met
de hand over het hooge voorhoofd en
wischte den traan weg die daar brandde in zijn oog.
"Zal ik het dan nimmer vergeten! Vergeten...? Alsof een zoon zijn
schuldige moeder vergeten kon! Zoo ze rein en goed geweest ware, dan...
misschien. Thans!? In mijne gelukkigste uren jaagt de gedachte aan haar
mij een blos op de wangen, te midden van mijne schoonste plannen verschijnt
zij mij met het brandmerk der schande op het voorhoofd - O moeder...!
Neen, indien ge geweten hadt wat uw kind eenmaal om u zou lijden...!
dan zoudt ge niet gezondigd hebben - ik weet, ik geloof het!"