II.
De stores van een
ruim paviljoen terzijde van het residentiehuis hingen 's morgens altijd
omlaag, ten einde daar binnen een frissche koelte te behouden.
't Was een aangenaam vertrek, ruim en met een smaak gemeubeld, die ongetwijfeld
te kennen gaf, dat hier een edel harmonisch leven werd geleid. Bloemen
en slingerplanten zag men overal, in de hoeken, voor de ramen afhangend
van het plafond; een boekenkast, luchtige maar elegante rottingmeubelen,
een Palembangsche mat op den vloer, een paar kooitjes met kanarievogels,
parkietjes en rijstvogels, een kom met goudvisschen, fijne staalgravures
naar beroemde schilderijen van Raphaël en Murillo, een guitaar
op een hoektafeltje en voor het raam een gemakkelijke ligstoel, waarop
een jonge vrouw half lag uitgestrekt.
Jong? De eerste aanblik deed het denken, maar bezag men haar nauwkeuriger,
dan merkte men dat die blanke kleur de matte bleekheid was, door ziekte
op het kalme gelaat gestreken; dat de lokken, hoe blond ook, menig zilveren
haar, bij de slapen vooral, deed doorschemeren, dat duidelijke strepen
op dat voorhoofd en over die wangen geteekend waren, en men liet de
gedachte aan jeugd varen. Zij had de handen gevouwen en de oogen gesloten;
sliep zij, of wel lispelden hare dunne, kleurlooze lippen een gebed?
Er werd aan de deur getikt.
Zij sloeg de oogleden op en een zachte, vriendelijke glimlach vergoedde
den blik, dien de uitgedoofde oogen niet geven konden, zoo verwelkomde
zij degene, die zonder het "binnen" af te wachten, in kwam.
"Goddank, alleen!" riep een klankvolle meisjesstem, "hoe
gaat het u van morgen, liefste, beste tante Alwine?"
"Ik sluimerde een beetje, juist toen ge kloptet."
"En ik heb u gewekt, ongelukkig schepsel dat ik ben. Nooit doe
ik nu iets, wat goed is."
"Je hebt juist iets goeds gedaan. De dag is ons niet tot slapen
gegeven."
[85:]
"Maar de nacht
wel. Arme, lieve martelares, wie weet hoeveel malen ge vannacht de klok
hebt hooren slaan! Ik ben een slecht wezen en als u niet zoo goed jegens
mij waart..."
"Foei, Théo, wat ben je weer druk! Wil je mij waarlijk niet
tot last maar tot genoegen zijn, neem dan dat stoeltje en zit naast
mij."
Doch de bezoekster wilde nu eens geheel haar zin doen en ging kruiselings
op de mat zitten, met de eigenaardige behendigheid aan alle Oostersche
meisjes eigen.
Zij was volgens het oordeel der heeren een beauté, maar de dames
vonden haar te brutaal van uiterlijk om mooi te zijn. Zij had een paar
oogen en een trek om den mond, die duidelijk te kennen gaven, dat zij
niet voor een kleinigheid vervaard was; maar die trotsche, moedige,
zelfs overmoedige donkergrijze kijkers werden beschaduwd door zulke
lange zwarte wimpers, dat zij al hun vuur daaronder konden verbergen;
hield zij ze neergeslagen, dan was er geen zachter, liever gelaat te
bedenken. De haar meest ongenegene dame moest bekennen dat zij een prachtig
hoofd met haar had: zwart als hare wimpers en wenkbrauwen, fijn als
zijde en in ontelbare krulletjes langs haar gelaat en
schouders afhangende als een allonge-pruik uit den tijd van Louis XIV.
"'t Haar alleen maakt haar mooi," zeiden de dames, "sneed
zij het af, dan zoudt ge zien hoe onbeduidend haar gelaat werd."
"Onbeduidend is een gezicht nooit met zulke oogen," antwoordden
dan haar verdedigers.
De liggende dame streek haar langs dien rijken haardos, nog vochtig
door het bad, dat zij eenige oogenblikken te voren had genomen. Zij
droeg niet als haar vriendin de sarong en kabaja, maar een soort van
peignoir van wit mousseline, zeer elegant met kanten en volants opgemaakt.
"Wat een weer was 't gisteren, niet waar? We hebben allen hier
bij elkander gezeten, en wat zal uw tante bang geweest zijn, Théo?"
"Ik hoor het gaarne; zoo'n onweer in 't gebergte klinkt me nog
lang in de ooren al ben ik ook op Batavia terug."
"Een enkelen keer, ja, dan luister ik er ook gaarne naar, doch
met meer angst dan genoegen. 't Is nuttig, dat wij soms op die wijze
de stem Gods hooren, maar liever hoor ik ze, wanneer ze mij spreekt
door den adem van de avondzoeltjes en in de geuren der bloemen."
"Hoe is 't mogelijk, dat gij en gij vooral zulk een behoefte hebt
te denken aan een goeden, liefderijken God. Jegens u is Hij toch niet..."
Met een snelle beweging legde tante Alwine haar hand op Théo's
lippen.
"Je wilt mij van morgen weer opwinden, Théo; ik weet dat
[86:]
je niet meent,
wat je woorden zeggen, maar toch moogt gij ze niet uitspreken. Dat is
dubbele laster."
"Heb ik dan geen gelijk? Als God waarlijk goed was, zou Hij u dan
niet de kracht geven op te staan en nuttig te zijn zooals gij kunt en
wilt en u niet veroordeelen uw dagen te slijten als een levend begravene?"
"En wie zegt u dat het juist zijn goedheid niet is, die mij dit
lijden overzendt? Lijden is een kostbare steen, dien Hij ons schenkt,
maar een ruwe en ongeslepene. Wij moeten dien eerst schitterend slijpen."
"De Hemel beware mij voor zulke geschenken."
"Gij zult ze ook ontvangen, 't is ons aardsch lot dien last te
dragen, maar aan u is het ook dien te torschen als een zwaar juk of
als een dierbare schat."
"Troost u, Alwine-lief, hoe gemakkelijker hoe liever, maar win
mij niet voor uw theorie; ik zie het leven in als een lange, vervelende
weg, vol slijk en doornen. Gaan moet ik dien, waar ik komen zal weet
ik niet, maar ik neem mijn rokken op en licht mijn hieltjes in de hoogte
om mij niet te kwetsen of te besmeuren."
"En als dan een slag komt, die u neerwerpt tusschen de doornen
en het slijk?"
"Wat voor slag zou dat wezen?"
"Ziekte, teleurstelling, dood! een van die vele vormen, waarin
de smart tot ons komt!"
"Nu, die vrees ik niet, 't is maar hoe men dat opneemt. Was ik
in uw plaats, ik zou wel herstellen. Ik ging naar Europa, raadpleegde
dokters en professoren. Teleurstellingen verwacht ik niet, daar ik nooit
plannen maak voor de toekomst en dood. Wie zou er kunnen sterven, die
door zijn dood mijn leven knakte?"
"En George?"
"Och, die is onsterfelijk, daar denk ik niet aan, en al was dit
zoo denkt ge dan waarlijk, dat ik er te zwaar door ge drukt zou worden?
Neen, Alwine, ik vraag niet veel van het leven en daarom zal het mij
ook geen teleurstelling schenken.
Maar zal ik u de waarheid zeggen? Me dunkt, zoo'n storm als van gisteravond
verkies ik boven kalme windstilte; ik schrik minder terug voor een heftig,
bitter lijden, dan voor eentonigheid, voor 't dagelijks tik-tak van
het leven."
"O gij, onnoozele, het lijden zelfs verguldt ge met de zonnestralen
uwer illusies."
"Ge zijt een engel, Alwine; zoo te leven als gij met die jarenlange,
treurige kwaal, die uw energie verlamt, aan uw gelukszon, juist toen
zij zoo schoon begon te schijnen, een einde maakte, neen, dat kon ik
niet. Ik zou, ware ik in uw plaats mij los zien te wringen uit die banden;
als een gevangen vogeltje zou ik tegen de tralies opspringen."
[87:]
"En wat hielp
het u dan?"
"Uw berusting, uw onderworpenheid, neen, die zouden nimmer de mijne
worden. Blind zijn, geen zon te zien schijnen en dan lam bovendien."
"God beware u voor minder, Théo, en toch, ik zou niet anders
mijn lot willen veranderen; de oogen van mijn lichaam zijn gesloten,
maar mijn ziel is toch vrij; ze kan haar troost zoeken, waar deze alleen
te vinden is. Och, Théo, 't geeft zoo'n gerustheid als we denken,
dit lot heeft onze goede Vader het best voor ons geoordeeld. Laat het
zwaar zijn en treurig, wat deert het mij? Langs dezen weg kom ik, zoo
ik niet bezwijk, in het Vaderhuis."
"Waarom heb ik uw hoop niet?"
"Daar gij mijn geloof en mijn liefde niet bezit, Théo."
"Ik zeg het u nog eens, voor den storm schrik ik niet terug."
"Maar wel voor den dag na den storm. Dan hebben wij hulp van boven
't meest noodig: hoe velen kunnen dat lijden en stil lijden begrijpen?
Hoe zou ik wezen zonder het anker, dat ik bezit? Ik geloof, dat ik in
vertwijfeling zou vallen. Er ligt een boek op tafel, niet waar, Théo.
Wilt ge dat lezen? Toen ik voor het eerst het onder de oogen kreeg,
wist ik wel iets, maar nog niet alles van het lijden en toen begreep
ik nauwelijks hoe de smart zulke schakeeringen kende. En later, hoeveel
balsem vond ik er niet in."
Théo las den titel:
"Recit d'une Soeur de Mme Craven-Ferronaijs. O foei, Fransche sentimentaliteit.
Ja, later, als ik een oud vrouwtje ben, Alwine, met gerimpelde wangen
en moegeweende oogen, zal ik 't lezen, maar nu neen, nu lees ik liever
die heerlijke reizen van O. Brun. Ik heb den schrijver even lief gekregen,
als de landen, die hij beschrijft."
"Ge zult het den schrijver spoedig persoonlijk kunnen zeggen."
"Wat bedoelt ge?"
"Nu gij uw oordeel zoo onpartijdig zegt, wil ik u het geheim ook
maar ontdekken; ik ken uw gewoonte en vreesde dus, dat gij u door eigenzinnigheid
zoudt laten vervoeren, tegen uw gemoed te spreken als ge wist wie de
schrijver was."
"Nu, wie dan?"
"De gast, dien wij verwachten, Fernand Aldersma."
"Maar dat is toch niet waar, Alwine!"
"Zeker wel, Théo; zijn mama is nog familie van uw grootvader,
zooals ge weet, en dus kunt gij spoedig samen kennismaken en hem vragen,
of hij niet te veel geïdealiseerd heeft."
't Was goed voor Théo dat Alwine's oogen niet zien konden hoe
diep die woorden haar ontroerden, zij zweeg een poos, als om haar stem
weer vast te doen worden, en sprak toen met gemaakte onverschilligheid:
"'t Spijt me dat het niet zal kunnen gebeuren, 't is beter ook
dat mijn illusies niet te vroeg verstoord worden, ik ga morgen
[88:]
ochtend naar Batavia
terug. Vanavond kom ik afscheid nemen."
"Lieve Théo, dat is een nieuw idee; je hadt nog plan ten
minste één week te blijven en waarom verander je nu zoo
in eens? Verlangt ge zoo naar Verheide?"
"Wat een parlement is hier vergaderd," riep een mannenstem
van buiten en bijna dadelijk trad een rijzig heer binnen van middelbaren
leeftijd in een grijs huisjasje en met een gegalonneerde pet op het
nog lokkige hoofd.
"Hoe ratelt uw tongetje weer, juffrouw Théo, je maakt het
mijn arm zusje toch niet te druk, hoop ik?"
"Wees maar niet bang, resident; al doe ik het ook, morgen zal tante
Alwine geen last meer van mij hebben; ik vertrek zeer vroeg, om vier
uur."
"Wat zeg je er van, Charles, is dat lief van haar gedaan?"
"Zeker niet, en juist nu wij zulk interessant gezelschap hebben
gekregen: uw neef, juffrouw Van Vaerne, al zijn de beide mama's op geen
besten voet met elkander; maar dit is geen reden voor u om weg te loopen."
"O neen, resident, uw logé, of hij een neef van Adamswege
is van mij, of niet, zal de eer niet hebben te influënceeren op
mijn besluit. Ik ga morgen heen en daar blijft het bij."
"En 't bal bij den majoor-Chinees, en ons piquenique en de races,
hebt ge dat alles vaarwel gezegd? Maar waarom dan toch? O pardon, ik
dacht er niet aan dat u geëngageerd is, neen dan zeg ik niets meer."
"Dat raad ik u dan ook aan; me dunkt, dat ik hier lang genoeg ben
geweest. Zes weken, dat is bijna zoolang als de tijd, dien de dochter
van Jephta noodig had om afscheid te nemen van haar jeugd."
"Om te sterven, en u om een nieuw leven te beginnen."
"Wat is het beste van de twee?"
"Ja, dat is een moeielijke vraag voor menigeen, maar niet voor
zoo'n jong meisje, dat aan den ingang staat van haar geluk."
"Is mevrouw in de dispens, dan zou ik meteen afscheid van haar
kunnen nemen?"
"Neen, Helène is in de voorgalerij. U heeft mij het doel
van mijn bezoek doen vergeten door uw philosophie, juffrouw Théo,
en we spraken toch juist over hem. De jonge Aldersma is pas aangekomen,
zal ik hem u presenteeren, Alwine, of wilt ge liever wachten?"
"Waarom? Ik ben nu zeer wel. Blijf hier, Théo, dan kunt
ge hem nog eerst zien."
"Ik ben er niets nieuwsgierig naar; ik ga onmiddellijk heen. Adieu,
Alwine-lief. Zoen de kinderen voor me, ik zal denken aan de boeken voor
George en Lucie."
"Och toe, Théo, blijf even!"
"Neen, zeker niet, mijn neen is neen!"
"Is u bang Verheide ontrouw te worden?"
[89:]
"Misschien
wel, resident; maar u begrijpt toch, dat ik u geen hartsgeheimen vertellen
zal. Och, laat mij door!"
"Neen, dadelijk komt Helène met onzen gast en dan is u gevangen.
Ik blijf hier staan."
"0, er zijn andere manieren om van hier te vluchten dan door de
deur." En zij sprong op de vensterbank, schoof snel achter de store
en stond een oogenblik later buiten.
"Nu, bonjour, mijnheer Molvink, bonjour, tante Alwine, veel pleizier
met O. Brun" en zij snelde weg, het erf langs door de achterdeur,
die op een kampong uitkwam.
"Een vreemd meisje," zei de resident lachend.
"Ze hebben haar verwend door allen mogelijken glans en rijkdom,
maar verzuimd er ooit naar te vragen wat zij dacht of voelde, en nu
weet zij zelf 't nauwelijks meer."
"Wat die Verheide voor een man is? Ik vrees voor haar."
"O, 't is zoo jammer van dat kind, zoo rijk begaafd, zoo door en
door goedhartig, dat zij in een omgeving is, die alleen hecht aan uiterlijk
en schijn; maar, Charles, vertel me nu iets van Antoinette's zoon. Lijkt
ze op hem?"
"Ja, zeer veel, hij heeft niets van zijn vader, wel de Van Vaerne's
oogen, een erfdeel zeker van zijn grootvader. Hij kan zich goed voordoen,
heeft een ferme houding, een rosse, aangename manier van spreken. Zij
heeft eer van haar opvoeding."
"Je zegt dat, alsof het je speet."
"Alwine, hoe komt ge er aan! 't Is een bewijs te meer, wat voor
een vrouw zij toont te zijn. Maar 't was een zonderling gevoel voor
mij toen ik hem het eerst zag; voor dien jongen, dacht ik, heeft zij
haar eigen geluk en het mijne opgeofferd."
"'t Is zoo misschien beter."
"Wie weet dat? Helène is een engel van zachtheid en God
weet, hoe lief zij en onze twee engelen mij zijn, maar Antoinette...
Alwine, ik heb haar zoolang vereerd als mijn hoogste ideaal, zonder
te denken dat ik haar ooit zou mogen beminnen, en dan te weten dat ook
zij mij liefde kon geven, maar dat alleen die knaap tusschen ons stond."
"Bij haar schijnt de herinnering aan vroeger geheel uitgewischt,
of wel, zij wilde u toonen hoe goed haar besluit was."
"Och, dat behoefde niet; ik weet genoeg dat er geen vrouw is zooals
zij, en wat haar zoon betreft, ik zou een goed vader voor hem geweest
zijn."
"En ik ben overtuigd, dat je nooit van haar ontvangen hadt, wat
Helène je geeft, haar geheel, onverdeeld hart. Maar laat ons
die oude herinneringen niet aanroeren, breng hem hier, Charles; ik ben
nieuwsgierig zijn stem te hooren en later moet je mij nauwkeurig beschrijven,
hoe hij er uitziet. Bij zulke gelegenheden mis ik mijn oogen het meest,
maar anders gaan er dagen om, zonder dat ik er aan denk, dat ik een
blind vrouwtje ben."
[90:]
De resident kuste
zijn zuster op het bleeke voorhoofd en fluisterde haar toe:
"Je zijt de engel van ons huis, goede, lieve Alwine, bid voor mij;
opdat de vrede van mijn hart en mijn huis niet verstoord worden door
de herinneringen aan het verledene."