VII.
"De morgen
gaat veel te gauw om," zeide mevrouw Van Leeuwenburgh, terwijl
zij op de klok zag, die twaalf uur aangaf.
"Ik vind de middag veel pleizieriger," meende Emilie, die
een zeer fijnen tulen doek doorstopte.
"In het leven ook?"
Haar gelaat nam een bitse uitdrukking aan. Mevrouw, die maar twee jaren
jonger was dan zij, had steeds de pretentie zoo erg jeugdig te willen
schijnen en toch voor een weduwe was het minder onaangenaam flink tusschen
de dertig en veertig te stappen, dan voor een jong meisje zooals zij;
zij had den morgen van haar leven zou lang verlengd totdat het eindelijk
volle middag was geworden.
"Dat hangt er van af," antwoordde zij koel.
"Wel neen, ik vind het dwaasheid van de dichters om het leven zoo
wiskundig te verdeelen tusschen morgen, middag en avond, want het beste
uit verschillende dagen. De morgenstond is soms kort, of wel de avond
blijft lang weg, maar hij komt toch; dan is het nacht en daarna weer
een nieuwe morgen en zoo gaat het afwisselend voort, totdat alles gedaan
is."
"Gelukkig voor u, dat u zoo denkt, mevrouw; wat mij betreft, ik
zeg het alle oude en nieuwe dichters na. 't Leven kent maar een morgen."
"Kom, kom, ik zou maar resoluut bekennen dat je nu aan den avond
zijt, wie weet hoe gauw dan een nieuwen morgen aanbreekt."
"De avond nu reeds, heeft u dan ook al een avond leven gekend?"
"Meer dan eens, zie dat is nu de echte frissche morgen, dien Fernand
nu doorleeft, een morgen dien geen gisteren kende, maar, lieve Emilie,
die tijd is lang voorbij voor ons beiden."
[31:]
"Maar, mijn
hemel, mevrouw! Wat ziet u er toch bezorgd uit, men zou zeggen dat alle
zorgen der wereld op u drukten."
"Och, Emilie, de toekomst nadert hoe langer hoe meer. Ach, bestond
zij toch niet, niets dan een tegenwoordig en desnoods een verleden."
Fernand kwam binnen; hij was groot geworden in de drie jaren, die hij
nu ouder was; een knappe jongen, met de eigenaardige bevalligheid in
zijne houding van zijn moeder, maar met alle teekenen van de forschheid
en de wilskracht in het gelaat, die hem als man beloofden te versieren.
"Mama," zeide hij, op denzelfden kinderlijken, half vleienden
toon van vroeger, "zullen wij niet wat lezen uit de P a r a d i
s e l o s t ?"
"Heel graag," antwoordde mevrouw Van Leeuwenburgh en legde
haar werk ter zijde.
Emilie zocht het hare bij elkander en verliet ijlings het vertrek, wat
zij altijd deed als mevrouw weer met die geleerdheid begon. Fernand
zag haar na en zei glimlachend:
"Wat zou het vervelend zijn, mama, als u ook zoo weinig van literatuur
hield als juffrouw Emilie."
Mevrouw Van Leeuwenburgh glimlachte: zij zou het Fernand niet gaarne
bekend hebben, dat er een tijd was, waarin zij even hard elke ernstige
studie verafschuwde als Emilie, maar dat zij om haar zoon alleen zich
op veel toelegde en in vele dingen een belangstelling toonde, die zij
volstrekt niet bezat.
Maar zij wilde hem onontbeerlijk zijn; zijn droogste studies wilde zij
begrijpen om hem als 't kon bij te staan of ten minste aan te sporen
haar zijn dagelijksche indrukken mede te deelen. Zij wilde niet dat
iets, wat in zijn geest omging, haar vreemd zou blijven, en daarom schaamde
zij zich niet, sedert jaren, elken dag eenige uren bij Gortz les te
nemen, zelfs in de doode talen en de wiskunde, terwijl haar Fernand
op school was; zoo. werd zij dan langzamerhand een buitengewoon ontwikkelde
vrouw, ofschoon haar eerste onderwijs zich niet verder had uitgestrekt
dan over het gewone programma eener meisjesschool.
Haar vlugge geest, scherp verstand en zekere natuurlijke tact gaven
haar bij Fernand het aanzien of zij veel meer geleerd had, dan werkelijkheid
het geval was, en boven verwachting slaagde zij in haar plan om altijd
over hem de meerderheid te bewaren, die weduwen zoo moeilijk tegenover
haar zoons verkrijgen.
Zij waren spoedig verdiept in de lectuur; mevrouw Van Leeuwenburgh maakte
nu en dan een opmerking, als de eene of andere gedachte haar trof. Fernand
echter stond dikwijls in vuur en deklameerde soms meer dan bij las.
Wat zag zij hem dan gaarne, terwijl een zachte blos over zijn wangen
gleed en zijn oogen schitterden, en zijn lippen trilden; dan klopte
ook haar hart van geestdrift, meer echter van moe
[32:]
dertrots dan van
het gevoel, dat de dichter in haar hart wilde ontsteken.
"O mama, wat is de poëzie toch schoon," zeide hij eindelijk
toen het half één sloeg en een zacht, pretentieus schelletje
hen tot de koffietafel riep, "ik geloof dat ik ook dichten kan."
"Wel, dat heb je reeds meermalen getoond, of denk je dat ik vergeten
heb, welk mooi vers ik op mijn verjaardag van je ontving?"
"Och, dat was geen poëzie! 't Waren maar rijmen, want ik werd
bedwongen door de eerste letters van uw naam, dat was nog al moeilijk;
Antoinette is een lastige naam; mijnheer Gortz zei dat het bepaald kunstig
was, maar kunstigheid is nog geen poëzie; neen zeker niet. Poëzie
is iets heel anders en bestaat niet in rijmen of in maat. Ik wil studeeren
in de letteren, mama!"
"Kom, verdiep u zoo niet in de toekomst, je zult wel worden waartoe
je bestemd zijt, zonder dat je er je hoofd mee breekt."
"Maar, mama-lief, u spreekt er nooit over, wat ik worden moet,
en 't wordt toch wel tijd; ik ben al haast zestien jaren. En iets moet
ik zijn in de Wereld."
"Zestien jaar! kom, er schelen nog al een paar maandjes aan, waar
blijft de tijd? Zestien jaar! Zestien! Emilie wacht, laat ons gaan!"
Maar met een somberen slag klonk het in mevrouw Van Leeuwenburgh's ooren
"zestien jaar", hij moet een beroep kiezen, hij moet weg,
hij zal mij niet meer geheel en al toebehooren.
Zij was stil en nadenkend aan tafel; Fernand kibbelde met juffrouw Emilie
over het pleizierige van den winter en den zomer, maar mevrouw, die
anders gaarne zulke twisten hoorde, nam er geen deel aan.
"Mama, waar denkt u over?" vroeg hij bezorgd.
"Aan het verloren paradijs," was haar antwoord. En plotseling
viel het haar in, dat zij niet loog. 't Paradijs was dat niet het vervlogen
leven, waren dat niet die lange winteruren, zoo gezellig in de zaal
doorgebracht naast haar studeerenden jongen, waren dat niet die heerlijke
wandelingen 's avonds en nu, elke minuut verhaastte het oogenblik waarop
de jonge arend zijn vlucht zou gaan nemen om haar eenzaam alleen te
laten. En zij kon, zij mocht zich niet verzetten!
Nadat Fernand weer naar school of liever naar 't Gymnasium, waar hij
de hoogste klassen eindigde, vertrokken was, bleef zijn moeder nog een
oogenblik diep in gedachten staan.
"Ik ga uit," zeide zij plotseling kortaf en ging zich kleeden.
Emilie schudde weer het hoofd.
"Hoeveel jaren moet het toch duren," vroeg zij zich af, "vóór
dat een Oostersch mensch al zijn eigenaardigheden aflegt. Dat zou nu
niemand in Holland doen. Een handwerk over den vloer
[33:]
halen, dat weken
lang duurt en dan zoo maar er uit loopen, de wol op den grond, het patroon
op de vensterbank. Mijn hemel, hoe moet het er toch uitzien in hun land?
Ik geloof dat daar alles altijd ten onderste boven ligt."
En zoo pruttelend bracht zij alles in orde, zoodat er geen sporen van
onregelmatigheid te zien waren, toen mevrouw Van Leeuwenburgh weder
binnenkwam en na een vluchtigen groet het huis verliet.
"Heeft ze nu weer nieuwe handschoenen aan, en de anderen laat ze
maar liggen. Zij is getoiletteerd als een prinses en toch wat heeft
ze eigenlijk aan? Ik zou me schamen met zoo'n hoedje als het hare op
straat te loopen; maar 't is vreemd, zij maakt de kleeren mooi, in plaats
dat ze haar versieren."
Een zware zucht ontsnapte Emilie's beklemd hart en zij zag eens naar
den spiegel om zich de aangename verzekering op te dringen, dat zij
toch alles behalve tot schaduw diende voor de lichtverschijning van
mevrouw. Maar wat baatte het ook, dat de spiegel haar dat toefluisterde,
als anderen niet van die meening waren?
Ondertusschen ging mevrouw Van Leeuwenburgh langs het huis der Van Noordens
en zag even in. Zij kwam er weinig en hield den vriendschappelijken
omgang op een eerbiedigen afstand, tot groote spijt van den kapitein,
die het zoo heel onaangenaam niet vond een fijn soupéetje bij
de jonge weduwe met zijn tegenwoordigheid op te luisteren. Zijn familie
was in dien tusschentijd vermeerderd en bij had er verschrikkelijk veel
drukte mee. 't Was wat zoo'n klein kind in huis te hebben; hij sliep
nauwelijks meer en overdag werkte hij als een koelie, was zijn verzekering
als hij vroeger dan anders in de Societeit kwam en zich doodaf terneer
vleide op een zachte sofa. Maar hij moest vermoeider zijn van het zien
werken en tobben zijner vrouwen oudste dochter, dan van het heen en
weer loopen in de verschillende kamers, waar hij altijd iets te vitten
vond, zijn eenige bezigheid.
Juist ging Nora uit, toen mevrouw Van Leeuwenburgh voorbij het huis
kwam; zij was in die jaren weinig grooter geworden, zij verschilde wel
anderhalf hoofd met Fernand; daarbij zag ze er bleek en mager uit; de
zorgen hadden hun stempel op haar kinderlijk gelaat gedrukt. Zij groette
beleefd, maar wilde mevrouw Van Leeuwenburgh voorbij loopen.
"Ga je naar school, Nora?" vroeg mevrouw.
"Neen, mevrouw, ik ga niet meer naar school."
"Niet meer? En hoe oud ben je nu?"
"Twaalf jaar, maar papa zegt dat ik genoeg ken en dat ik het huishouden
moet leeren."
"Alsof dat niet vanzelf geleerd wordt? Hoe is het met mama?"
"Mama is wel, maar de kleine jongen heeft den geheelen nacht geschreeuwd
en van morgen kreeg hij de stuipen; nu is zooeven
[34:]
Jantje van de trappen
gevallen en heeft zijn hoofd bezeerd. Ik moet den dokter roepen."
"Wat een drukte toch! Hebt ge een meid?"
"Neen, de meid is gisteren weggeloopen, omdat papa haar geen opslag
van loon wou geven."
"En nu moet je dus alles alleen doen?"
"Ja; mama past op 't kleine kind en gelukkig dat ik al een beetje
koken kan; nu behoeft mama niet naar het eten om te zien. Papa zet,
dat de aardappelen in de Societeit beter zijn en de biefstuk ook; als
papa daar eet heb ik 't veel gemakkelijker, Mama en de kinderen zijn
altijd tevreden."
Wat klonk dat woord "kinderen" diep treurig uit den mond,
van het kleine meisje, dat zichzelf reeds geen kind meer voelde. Nora
moest rechts gaan, en mevrouw liep de stad in. Zij rilde voor een leven
zoo vol proza, zorgen, smarten en angsten, die nooit nog een dichter
vonden, daar zij zoo banaal schijnen en die toch aan een jeugdig leven
als dat van Nora alle frischheid ontnamen.
Zoo was langzamerhand het hoofddoel harer gedachten een weinig uit haar
geest gedrongen, toen zij voor een eenvoudig huis stilstaande, aanbelde.
Een oude meid maakte de deur open, bracht haar in een zindelijk achtervertrek
en eenige oogenblikken later trad de geestelijke, die naast Fernand's
ziekbed gestaan had, bij haar binnen.
"Ha, mevrouw Van Leeuwenburgh," zeide hij hartelijk."Waaraan
heb ik de eer van uw bezoek te danken?"
"Ik moet u over een ernstige zaak spreken, die mij het meest ter
hare ligt; de toekomst van mijn Fernand."
"Ja, hij wordt groot, de aardige jongen, hij zal zijn mama wel
reeds over het hoofd gegroeid zijn."
"0 zeker, hij is reeds langer dan ik; hij wordt man, dat merk ik
alle dagen meer een meer."
"En laat ons hopen een waardige man. Ja, mevrouw, 't moeielijkst
van uw taak komt nog!"
"Dat weet ik genoeg. Ik heb ergens gelezen , hoe de moeder van
een beroemd man uitriep: "Mijn God! Wat is het moeilijk een man
te maken." Ik heb het nog weinig ondervonden; niets dan vreugde
en geluk mocht ik van Fernand beleven."
"God heeft u blijkbaar gezegend. Uw zoon heeft een buitengewonen
geest, maar vooral een goed karakter. 't Is anders moeielijk genoeg
vader en moeder tegelijk te wezen."
"Zeker, maar ik geloof toch dat het zoo beter is dan indien..."
Zij zweeg en de pastoor knikte met het hoofd, doch hun meening spraken
zij niet uit.
"En denkt Fernand er reeds aan wat hij worden moet, hij zal toch
zeker hogere studieën doen?"
"Daarover wilde ik u juist spreken," en na een seconde van
stilzwijgen, waarin zij haar geheimste gedachte uit het diepste
[35:]
van haar hart scheen
op te halen, ging zij voort: "zou hij geen geestelijke willen worden?"
De grijsaard zag haar aan met zijn vriendelijke oogen, die echter reeds
zooveele harten gepeild, zooveel zielen bloot gezien hadden, en zij
wist niet - waarom zij haar blik onwillekeurig nedersloeg.
"Hebt gij het hemzelven nooit gevraagd?"
"Neen," klonk het antwoord.
"En waarom niet?"
"Och, omdat
ik weet het zelf niet
. ik sprak hem nooit
over zijn toekomst, wij leven du jour au jour, dat is het beste."
Weer zagen die zachte en toch doordringende oogen haar aan en langzaam
zeide hij:
"Mevrouw, gij wenscht op dit oogenblik slechts uw eigen geluk te
verzekeren."
"Mijn eigen geluk? En hoezoo dan? Is het geen opoffering van mijn
kant als ik mijn eenig kind wijd aan den dienst van God?"
"En zult gij dan ook niet klagen als de stem van dienzelfden God
hem over de zeeën roept, hem als missionaris het Evangelie te verkondigen
in andere werelddeelen?"
Zij verbleekte.
"Neen, dat niet, ik kan hem niet verlaten, hij moet hier blijven,
hij kan in Leeuwenburgh een kapel bouwen, een gesticht wat hij verkiest."
"Dus, een reden slechts hebt gij om voor uw kind die waardigheid
te wenschen. Gij wilt hem geketend zien door een eed om hem zijn leven
lang aan uwe zijde te houden: gij wilt hem niet God schenken maar u
zelf zijn bezit verzekeren? Neen, zoo denkt de ware Christen-moeder
niet, die haar kind ten offer brengt."
Mevrouw Van Leeuwenburgh zag zich verraden; zij bloosde en zij, die
anders haar woorden zoo meester was, sprak niets meer.
"Weet u nog," hernam de geestelijke op vaderlijken toon, "wat
ik u zeide, toen God werkelijk uw zoon scheen te roepen en u zich tegen
zijn besluit verzette met alle krachten uwer ziel?"
"Ja en ik heb daarna dikwijls mijn hart onderzocht, maar ik vond
daar niets in dan moederliefde en zucht tot opoffering, maar alleen
zelfzucht."
Hij glimlachte en schudde het hoofd.
"Welnu dan, ik zal met uw Fernand spreken; ik geloof niet dat hij
roeping heeft tot den priesterlijken stand en ik zal mij wel wachten
hem te doen zien dat gij het verlangt, want geloof mij, mevrouw, gij
bezit een grooten invloed op zijn enthousiasten geest; zoo gij er op
aandringt, zoo gij in levendige kleuren hem 't leven afschildert, dat
u beiden wacht, zie ik
[36:]
hem in staat met
vuur in een beroep te treden, waarvoor hij niet geschikt is en welke
verantwoordelijkheid zal er dan op hem rusten! Geloof mij, niet om zulke
redenen treedt men in 't heiligdom."
Mevrouw Van Leeuwenburgh stond op en sprak met vuur:
"Neen, hem onherroepelijk ongelukkig zien, door mij, dat nimmer,
maar ach! hij is mijn eenigste en dan te denken, dat... "
Zij beefde.
"Mevrouw, ik begrijp u, doch 't is wel wat vroeg om zich nu al
angstig te maken. Hoeveel jaren blijven u nog over om u te verzoenen
met de gedachte, dat hoe zoet het tegenwoordige leven is, er ook nog
op een andere wijze gelukkige dagen kunnen bestaan?"
Zij maakte een beweging die haar afkeer uitdrukte.
"Maar bovenal dat wij niet op deze aarde zijn om ons eigen geluk
te zoeken, maar om den wil te doen van onzen Vader in den Hemel, die
ons leerde hoe wij in zelfverloochening en nederigheid onzen vrede moeten
vinden."
Mevrouw Van Leeuwenburgh zuchtte diep, zij had veel op de lippen, maar
zij sprak niets uit, waarom wist zij zelf niet.
't Was eigenlijk belachelijk zoo vooruit te klagen en te zuchten; haar
jongen was immers nog een kind en nu reeds zweefde dag en nacht een
schrikbeeld voor haar oogen.
Zij nam dus afscheid en dankte meer beleefd dan waarlijk erkentelijk
voor den goeden raad, dien zij ontvangen had. Toch volgde zij dien op;
zij weerhield zich en sprak met haar zoon er niet over, wat zij 't liefst
van hem maken zou, vooral niet toen na eenigen tijd de geestelijke haar
glimlachend zeide:
"Nu, ik weet genoeg van de plannen, die in Fernand's hoofd omgaat.
Geen woord mevrouw over uw geheimen wenscht want hij bezit de ware roeping
niet!"