VI.
"Mama-lief!
wat heeft u daar toch veel geld," riep Nora, die hare moeder voor
de secretaire zag zitten, door eenige hoopen goudstukken en bankbiljetten
omringd.
"Raak het niet aan, kindlief!" sprak mevrouw, die een beetje
bijgeloovig was, "er rust geen zegen op dat geld!"
[26:]
Nora
zag haar met hare heldere zwarte oogen verwonderd aan, doch vroeg niets,
want zij was voor een kind van haar leeftijd buitengewoon bescheiden.
"Voor dat geld," ging mevrouw Van Noorden zacht voort, "heb
ik je oudste zusje verkocht."
"Maar, lieve mama, dat heeft u toch niet gedaan, Theodore is immers
bij haar grootmama."
"Ze moest bij mij zijn, Nora, evenals jij en de andere kindertjes,
maar ach, we zijn niet rijk."
"En is Theodore nu rijk?"
"O ja, zeker."
"Ik zou niet graag zoo rijk willen wezen, mama, als ik dan ver
van u moest zijn."
Mevrouw Van Noorden kuste haar kleine vertrouwelijk op 't nadenkende
voorhoofdje.
"Mag ik haar briefje nog even lezen, mama?"
Zij nam het fijne witte papiertje in handen en bezag het van alle kanten.
"Wat schrijft ze toch al mooi, mama, zoo kan ik 't nog niet en
zij is toch maar twee jaar ouder dan ik; ze maakt ook geen fouten, geloof
ik."
"Maar Nora zou toch niet zoo aan haar mamaatje schrijven, niet
waar?"
"Neen, zeker niet! Zij eindigt met te zeggen, dat zij u haar eerbiedige
groeten doet; dat is wel goed gezegd, maar ik zou dan er achter geschreven
hebben: Lieve mama, ik omhels u duizendmaal en ik verlang u zoo te kussen
en op uw schoot te zitten."
"Ach, dat verlangt zij niet eens meer," en mevrouw Van Noorden
wischte een paar tranen af, "dat heeft zij afgeleerd; haar grootmoeder
neemt mijn plaats in, en ik heb dat geld immers, ik mag tevreden zijn."
Nora legde het briefje voorzichtig neer en bleef zwijgend staan, toen
haar vader binnenkwam.
"Vrouw! geef me een paar guldens, ik moet even bij den kleermaker
aangaan om een dozijn halsboordjes te koopen."
"Bij den kleermaker hebben we toch een rekening."
"Dat doet er niet toe; ik ben je geen verantwoording van mijn daden
schuldig; 't is of dat geld van je verloopen schoonouders alleen aan
jou toebehoort en aan niemand anders; ik heb er ook evenveel recht op."
Zwijgend reikte zijn vrouw hem een muntbiljet van tien gulden over.
"Ziezoo, dan kan men toch merken, dat zijn vrouw eens deftig is
getrouwd geweest. Dat eene kind brengt me bijna evenveel op, als deze
zes schreeuwers me kosten; gelukkig dat ik tenminste dat voordeeltje
er van heb."
Hij ging de kamer uit en Nora fluisterde:
[27:]
"Mama,
't is toch beter dat Theodore niet hier is; ik denk, dat papa nog minder
van haar zou houden dan van ons."
"Dat mag je niet zeggen; papa houdt veel van jou, beste Nora; maar
zoo zijn de mannen, zij zijn niet zoo teer als de vrouwen, en toonen
niet dat ze van iemand houden."
"Ik geloof toch niet dat de kleine Leeuw zoo zal wezen, wat dunkt
u, mama, zou hij zoo worden als papa, of zijn werkelijk alle mannen
zoo?"
"Kom, Noralief, nu wordt je te wijs, later zal je het wel zelf
ondervinden. We zullen van avond maar eens naar Leeuwenburgh gaan als
Dorus en Sinjo naar bed zijn, want papa komt zoo vroeg niet thuis."
't Was een heerlijke zomeravond; de laatste zonnestralen verdwenen achter
een sluier van lichtgrijze wolken, die er nu echter uitzagen als rozenblaren
op een gouden grond. Een witte sluier, die uit den hemel scheen te vallen,
zonk over de velden en de stad; de dennen van Leeuwenburgh teekenden
zich zuiver tegen den blauwen hemel af, onbewegelijk als ze waren, door
geen tochtje gewiegeld. 't Was frisch en geurig onder de hooge boomen,
die op 't grasperk stonden waar mevrouw Van Leeuwenburgh, Emilie, Fernand
en zelfs mijnheer Bruno een soort van crocket speelden toen mevrouw
Van Noorden en haar dochtertje over de brug stapten.
De huisvrouw ging het tweetal tegemoet.
"Dat doet me pleizier," zeide zij, "dat u er eindelijk
toe besluit mij familiaar te komen opzoeken; zijn de kleintjes eindelijk
naar bed? Kom, Nora, ga mijn plaats maar bij het spel innemen; ik ben
al wat moe en wij zullen op de bank bij de deur gaan zitten, niet waar,
mevrouwtje, en ons verbeelden dat we in de Indische buitengalerij zitten?"
Zij zetten zich neer en met volle teugen genoot de arme, vermoeide vrouw
de heerlijke avondfrischheid. Zij spraken over huishoudelijke dingen,
waarvan mevrouw Van Leeuwenburgh echter lachend bekende, dat zij weinig
verstand had.
"Ik heb graag alles keurig in orde," zeide zij, "ik mag
geen stofje zien, maar zelf mijn handen gebruiken, dit kan ik niet.
Ik heb dan ook zooveel meiden en Emilie op den koop toe met mijnheer
Gortz, dat ik mij met niets behoef te bemoeien."
Mevrouw Van Noorden zag haar verwonderd aan; de lieve weduwe zag er
nog zoo jong uit, zij was zeker ouder dan zijzelf, en toch scheen zij
geen zorg, geen verdriet te kennen, maar toch na dezen blik twijfelde
mevrouw Van Noorden of dit laatste wel zoo was. Er lag een trek om mevrouw
Van Leeuwenburgh's mond, als zij niet sprak, er waren een paar strepen
op haar voorhoofd, die nooit meer uit te wisschen waren en maar een
oorzaak had ze daarop kunnen teekenen. Een nu vervlogen, doch eens bittere,
heftige met niemand gedeelde smart, waarvan de herinnering haar misschien
nog zeer deed, doch slechts in het voorbijgaan.
[28:]
"En
ik doe alles zelf," was 't antwoord.
"Ook wasschen en brood bakken, hoor ik? Emilie heeft zeker uw man
wijsgemaakt, dat het goedkooper was; zij houdt er ook graag zelf toezicht
over, maar het zelf te doen, dat is een andere zaak."
"Ik zal spoedig hulp hebben aan mijn Nora."
"Aan dat kind? Och, mevrouw, laat zij toch wat spelen en zich amuseeren;
vroeg genoeg komt de ernst des levens. Zie, nu ik weg ben, verloopt
het spel; kijk Gortz eens met Emilie, ik moet een oogje over die twee
houden, en Fernand gaat zeker zijn ezeltje aan Nora toonen."
"Wat wordt hij groot, mevrouw!"
"Helaas!"
"Zucht u er om? Me dunkt, dat het toch een groote troost voor u
moet zijn, als uw eenig kind man geworden is en u ondersteunen kan."
"Ik ondersteun hem liever, want ik kan nog wel alleen gaan."
"En ziet u hem dan niet graag groot?"
"Om u de waarheid te zeggen, neen! Ik zou den tijd willen tegenhouden,
ik zou hem zoo graag nog zien als een klein, zwak ventje dat niet leven
kon zonder mijn hulp."
"Maar, mevrouw."
"Te denken dat er eens een eind moet komen aan dit leven is voor
mij zoo treurig. Ik begrijp niet dat men twijfelen kan aan een gelukkig
leven, dat eeuwig duurt. Ik verlang geen hemel, waar men denken moet:
vroeger of laat eindigt alles."
"U heeft de tijd nog, mevrouw. Hij is zoo jong. En wat moet hij
worden?"
"Ik weet het niet, 't staat hem vrij. Moest ik voor hem kiezen,
dan zou mijn besluit gauw genomen zijn."
Een kort stilzwijgen volgde; mevrouw Van Leeuwenburgh scheen in diepe
gedachten verzonken en mevrouw Van Noorden vroeg het eerste:
"Lijkt Fernand op zijn vader, mevrouw?"
"Niets," was het levendig antwoord, "hij moet op mijn
vader gelijken. ten minste dat schijnt me zoo toe naar het portret,
ik heb hem nauwelijks gekend. Heeft u wel eens op Fernand's oogen gelet,
mevrouw?"
"Ja, ze zijn donkergrijs; men treft die kleur weinig aan, ik heb
ze maar eens gezien."
Haar Albert had zulke oogen en daarom waren ze haar bij Fernand zoo
dadelijk opgevallen.
"Die heeft hij stellig van zijn grootvader, want de mijne zijn
koolzwart en Aldersma had, geloof ik, een paar groene oogen."
Voor 't eerst noemde zij den naam van haar man, doch op zulk een onverschilligen
toon, dat mevrouw Van Noorden in haar vermoeden versterkt werd. Neen,
een vrouw die met haar echtgenoot gelukkig was geweest zou niet zóó
over hem spreken;
[29:]
zij
kon nu na twaalf jaren den naam van Albert niet uitspreken zonder dat
haar oog vochtig, haar stem onvast werd en als Van Noorden eens niet
meer was, dan zou zij toch niet van den vader harer kinderen, hoe lastig
en onbeduidend hij ook was, zoo koud en met zulk een blijkbaren tegenzin
de herinnering aanroeren.
Niets intiems werd dien avond nog gesproken; mevrouw Van Leeuwenburgh
drong er op aan dat moeder en dochtertje bij haar zouden soupeeren.
Mevrouw Van Noorden zat op heete kolen; haar kindertjes konden eens
wakker worden en als Van Noorden nu thuis kwam en haar niet vond...
Die laatste zorg drukte haar niet lang, want juist toen men zich aan
de keurig gedekte tafel wilde plaatsen, kwam de kapitein, als had hij
een voorgevoel gehad van 't fijne soupéetje, dat voor zijn vrouwen
dochter was klaargezet; hij liet zich niet lang bidden, zette zich neer
met een houding en gelaat als deed hij het gezelschap een groote eer
aan, door zich bij hen te voegen, redeneerde druk met Bruno Gortz, die
zoo naïef was om al zijn onbekookte beweringen over politiek, kolonieën,
batig slot en zelfs stedelijke zaken, in hoogen ernst te bestrijden,
en liet juffrouw
Emilie telkens zijn glas vullen zonder iets te laten merken, dat hij
er eenig bewustzijn van had, waar al die vloeibare stof bleef. De dames
stoorden zich niet aan de conversatie van het tweetal en spraken op
hun manier voort. Fernand en Nora zwegen beiden; de eerste om onafgewend
zijn geestigen blik op den altijd door sprekenden en drinkenden kapitein
te vestigen; de andere uit afgematheid, want Fernand had zich meer dan
één uur lang met haar in den tuin geamuseerd om den koppigen
ezel allerlei paardrijderskunsten aan te leeren.
"Houd de zweep eens vast, Nora, neem Ugly nu bij den kop, daar,
trek hem voort," zoo riep hij haar onophoudelijk toe, zonder er
een oogenblik aan te denken, dat hij met een meisje in plaats van met
een jongen speelde. Zij hadden de voorstelling besloten met een flinken
galop door den grooten moestuin, waarbij beiden gelijken tred hielden
met het eindelijk in vuur gebrachte dier; Nora deed alles wat Fernand
zei, en toen hij haar in ver trouwen mededeelde dat hij mama tegen zijn
verjaardag zou vragen een pony te mogen hebben, die hij samen met Ugly
wilde dresseeren om zijn wagentje te trekken en kunsten te doen op het
bleekveld achter het huis, beloofde zij hem een schabrak voor het toekomstige
paard te borduren; nu zou zij een paar mooie vederbossen maken uit de
hanenveeren, die Fernand bij elkander wilde zoeken. Hij had een plaat
gezien, met op zulke wijze uitgedoste ezels en stond er nu op zijn Ugly
ook zoo te tooien.
Nu vielen Nora's oogen bijna dicht, maar haar kleine geest was onophoudelijk
bezig met te overdenken hoe zij haar belofte zou volbrengen, en toen
eindelijk mevrouw Van Noorden
[30:]
wanhopend
opstond, daar haar man geen harer telegraphische teekenen wilde begrijpen,
en altijd door druk redeneerde en
gesticuleerde, zoodat Emilie ernstig vreesde voor de mooie glazen en
bordjes, werd zij met een schok wakker en zag verwonderd om zich heen.
"Fernand,"fluisterde zij, "ik zal mama vragen mij te
helpen met die pluimen, want ik weet niet hoe ik ze vast moet maken.
Onze hanen hebben zulke mooie veeren niet."
"Ik zal je een paar pauwenveeren meebrengen; die zullen er mooi
in staan; ik moet ze bepaald tegen Zondag hebben, Nora."
"Ik zal mijn best doen, Fernand."
En op die belofte scheidden ze.