XXVI.
Den derden dag na
Marie Louise's verdwijning ontving mevrouw d'Armentières een
slecht geschreven morsig briefje, waarop niet anders stond dan:
"Wanneer gij iets wilt weten van Marie Louise le Blanc, kom dan
morgen avond tegen zes uur op den kruisweg van Saint Mègrin en
breng duizend kronen mede."
[192:]
Een juichtoon ontsnapte
mevrouw d'Armentières en Simone; onmiddellijk zonden zij het
briefje naar de Hollanders en nog geen uur later was Philip van Oudenaarde
bij hen in het hotel.
"En wat zullen wij doen?" vroeg de gravin.
"Natuurlijk naar den kruisweg gaan," riep Simone, "de
duizend kronen daar zal ik wel voor zorgen."
De gravin en de wereldwijze man glimlachten over haar jeugdig vuur.
"Dat gaat zoo gemakkelijk niet, mejonkvrouw. Ik heb den luitenant
van politie dadelijk in kennis gesteld met het briefje. Hij denkt even
als ik, dat het een valstrik of zelfs bedrog kan zijn."
"O neen!" riep Simone ongeloovig en teleurgesteld uit, "dat
kan ik niet gelooven."
"Omdat gij het niet wilt," merkte haar tante op, "geloof
mij, laat gerust de behllndeling van deze zaak aan die heeren over.
Zij zullen geheel in het belang van ons pleegdochtertje handelen."
Gaarne was Simone medegegaan, maar haar verloofde zoowel als haar oom
en tante verzetten er zich tegen. Zij mocht alleen met haar tante, den
ouden heer en eenige bedienden rustig in de koets blijven zitten, die
op ongeveer een kwartier van den kruifweg bleef staan om zoo het boschmeisje
uitgeleverd mocht worden - haar op te nemen.
De agenten van den luitenant van politie omsingelden op eenige afstand
den kruisweg; zij waren allen vermomd als boeren en toen zagen eenigen
hunner tegen den vastgestelden tijd een haveloos
[193:]
troepje naar het
bepaalde punt trekken, maar het boschmeisje was niet bij hen.
De moeder en de kinderen bleven op eenigen afstand in het kreupelhout
verscholen, en de man ging alleen op den kruisweg staan.
De luitenant van politie, vergezeld door Van Oudenaarde, naderde hem.
Hendrik had gaarne alleen de zaak behandeld, maar Philip die hem terecht
wantrouwde, had hem bij Raoul de Soigny gelaten, halverwege de koets
en den kruisweg onder voorwendsel dat zij hier de wacht moesten houden.
Hij was echter zeer gerust, want nog vóór dat de gravin
d'Armentières het briefje ontvangen had, was het zijn vriend
gelukt de verblijfplaats van Gros Pierre op te zoeken.
Hij hoorde het van dezen man, die bij hem in zijn kroegje steeds een
onderkomen zocht, om gestolen voorwerpen door zijn tusschenkomst te
verkoopen.
Gros Pierre was kort na het vinden van het boschmeisje in Parijs gekomen
en had zijn vriend op de hoogte gebracht van deze vreemde vondst.
Roelf begreep tot zijn uitbundige vreugde dadelijk, dat het gevonden
kind niemand anders was dan het ontvluchte boschmeisje en zonder zijn
vriend Hendrik te raadplegen bood hij Gros Pierre een groote som aan,
wanneer hij haar uit den weg ruimde.
Hendrik juichte in zijn hart, toen hij het hoorde; de vrouw had ondertusschen
het briefje naar het
[194:]
hotel d'Armentières
gebracht, en Hendrik lachte in zijn vuistje, toen hij alle voorzorgsmaatregelen
zag door haar vrienden en de politie genomen. Hij wist immers beter
dan iemand anders dat het kind vermoord en ergens in het bosch begraven
was; morgen zou Roelf haar lijk gaan zien en Gros Pierre het bloedgeld
uitbetalen.
Toen de heeren bij den kruisweg kwamen, toonden zij den vagebond een
beurs met goudstukken en beloofden hem die als hij het meisje bij hen
bracht.
De man begon echter luid te zuchten en klaagde:
"De heeren mogen met mij doen, wat zij willen, maar het meisje
is zeker een dochter van den duivel. Zij is ons ontsnapt en wij konden
haar niet inhalen."
Toen grepen de politieagenten de moeder en de kinderen vast; ook deze
verklaarden hetzelfde; de familie werd in verzekerde bewaring genomen
en treurig trokken zich Philip met den luitenant van politie terug.
Zij vertelden het nieuwtje aan Raoul en Hendrik, de eerste was ook zeer
ontstemd, de tweede verheugde er zich over hoewel hij ook trachtte zeer
bedrukt te kijken.
De menschen speelden hun komedie uitstekend, vond hij en luisterde er
nauwelijks naar hoe de luitenant van politie verklaarde dat men die
lui wel tot bekentenis zou dwingen wat zij met het meisje hadden aangevangen;
als het kind dood was, wie kon hem dan beschuldigen? Zijn waardigen
[195:]
vriend Roelf zou
hij wel bijtijds doen ontvluchten.
De teleurstelling en het verdriet van de dames in de koets was nog grooter,
Simone snikte hevig en de oude heer herhaalde telkens:
"Ach! mijn arme vrouw! Het zal haar dood zijn - zij stelt er zich
zooveel geluk van voor van de ontmoeting met haar kleindochter en nu
weer deze bittere teleurstelling!"
De gravin trachtte hem te troosten doch haar taak was zwaar en in de
droevigste stemming kwam men in het hotel d'Armentières terug.
Daar was echter alles vroolijkheid; de lichten waren opgestoken, de
bedienden wachtten de aankomst der koets op het voorplein af.
"Ach!" zuchtte Simone, "zij denken dat wij in triomf
met onze lieveling terugkeeren."
Maar wie schetst aller verbazing, toen zij uitstapten en treurig te
moede in het portaal traden, het boschmeisje, stralend van geluk en
schoonheid, nog wat bleek alleen hen tegemoet te zien komen, in een
wit kleed met bloemen in de hand, even schoon als op den dag toen zij
gedoopt werd.
"Simone!"
"Marie Louise! droom ik? Ben je het waarlijk?"
Nadat de eerste opgewondenheid voorbij was en ook de heeren zich hadden
overtuigd dat het meisje zich weer ongedeerd in hun midden bevond, vertelde
zij hoe dien morgen haar gastheer een groot mes had geslepen; zij had
hem met zijn vrouw hooren fluisteren en toen hij opstond en het mes
achter zich houdend haar bij zich riep, was zij
[196:]
snel in een boom
geklauterd; hij klom haar na, maar zij ontvluchtte op haar oude manier
van tak tot tak springend - zoodat hij het volgen spoedig moest opgeven.
De vrouw hield niet op te roepen:
"Het kind gaat met den duivel om; gisteren heeft zij levende hazen
gevangen, die ik niet aan het spit durfde braden, omdat ik vreesde dat
er tooverij bij in het spel was, maar de kinderen bereidden ze en aten
er smakelijk van."
Tot haar grootste blijdschap bemerkte het boschmeisje dat het woud ten
einde liep; zoodra zij het hout dunner zag worden, klom zij uit de boomen
en liep zoo hard zij kon in de richting, waar zij een kerktoren had
ontdekt. In het dorp wees men haar den weg naar Parijs en zoo kwam zij
behouden in het hotel harer vrienden aan.