XXV.
De geheele dag en
nacht werd door Marie Louise's vrienden in licht te begrijpen spanning
doorgebracht.
Telkens hoopte men iets te hooren van den luitenant van politie, maar
helaas! er kwam niets.
In het Hotel d'Armentières was de spanning het grootste; het
naderende huwelijksfeest, dat anders aller belangstelling zou hebben
gaande gemaakt was nu geheel op den achtergrond gedrongen.
Bruid en bruidegom dachten meer aan het verdwenen meisje dan aan hun
eigen geluk, gravin Diana had werk om haar man, die luid klaagde over
den last welken zij hadden van het vreemde kind, tot kalmte aan te sporen,
- de bedienden moesten telkens voor het hoofd der politie verschijnen
om ondervraagd te worden; dan kwamen er nog boodschappen van het oude
hollandsche paar of men nog niets gehoord had of belangstellende vragen
van vrienden, kennissen en zelfs van geheel onbekenden of men geen spoor
van het boschmeisje had gevonden.
Opnieuw was zij het onderwerp van aller gesprekken; de dwaaste verhalen
gingen er over haar rond; de een wist dit, de andere dat nieuwtje omtrent
haar. Er waren er zelfs, die stijf en sterk be
[186:]
weerden haar hier
of daar te hebben gezien en ondertusschen zwierf het arme kind weer
door de bosschen, die toen in den omtrek van Parijs nog zeer dicht en
eenzaam waren, maar niet meer zoo onbezorgd en gelukkig als vroeger.
Zij wist nu beter wat het leven eigenlijk was, zij voelde en leed nu
meer als mensch; daarom drukten de ontberingen haar misschien nog zwaarder
dan wanneer zij vroeger niet verlaten door de bosschen had gedoold.
Den geheelen nacht had zij gezworven, en was toen in een boom geklommen,
waar zij ten minste veilig zou zijn tegen schadelijke dieren; haar kleederen
scheurden door deze ongewone inspanning, en belemmerden haar in haar
bewegingen. Haar handjes, die niet meer vereelt waren, bloedden dadelijk
door de doornen der struiken, waartusschen zij zich moest opwerken;
haar fijne schoenen bleken niet bestand tegen de hobbelige steenen en
scherpe wortels en lieten weldra haar teere voetjes bloot.
Het weer was koud en zij voelde nu de ruwheid van den wind, zooals zij
die vroeger nooit had ondervonden; snikkend hield zij zich aan een tak
omklemd en bad onophoudelijk:
"Goede Vader in den Hemel, bescherm mij toch! Breng mij terug bij
mijn goede pleegmoeder en bij Simone! Verlos mij uit dit donkere bosch!"
Eindelijk was de nacht voorbij, de eerste stralen der zon glinsterden
door het geboomte, en de vogeltjes begroetten met vroolijk gezang het
verdwijnen der duisternis en het aanbreken van den dag.
[187:]
Ook in Marie Louise's
gemoed werd het lichter, zij verhief de stem en begon te joedelen en
te zingen in wedstrijd met haar oude vrienden in het bosch. Zij klom
uit den boom en begon haar weg te zoeken door het dichte struikgewas,
maar haar kleederen belemmerden haar vrije bewegingen; zij stak ze op,
wierp haar kousen en schoenen weg, maar spoedig betreurde zij het hen
niet meer tot haar beschikking te hebben, want de doornen en steenen
verwondden haar wreed.
Zij liep in het wilde door, niet wetend of zij het bosch uit of inliep;
de honger deed zich voelen en zij trachtte te vergeefs dien te stillen
met wilde vruchten; zij vond ze nu wrang en oneetbaar, gewoon als zij
was aan de goede en krachtige spijzen bij haar pleegmoeder of in het
klooster - zij zwierf rond, uren lang - de zon stond reeds in het midden
van den hemel en nog zag zij geen uitweg en ondertusschen was geheel
Parijs in beweging om haar te zoeken.
Wat betreurde zij het nu, zich in het bosch te hebben begeven, in plaats
van op het vlakke land te blijven, waar zij meer gelegenheid zou hebben
gehad een bewoond huis te vinden.
Eindelijk kon zij niet verder, zij zette zich neer, uitgeput, gewond
aan handen, voeten en gezicht vooral geheel moedeloos en terwijl zij
daar schreiend nederzat, was het plotseling of een sluier voor haar
geest wegtrok. Het scheen haar toe of zij dit alles reeds vroeger had
beleefd of zij toen ook zoo hopeloos, zoo schreiend, en bloedend
[188:]
had neergezeten
onder hooge boomen, en toen viel het haar in dat zij ook weggeloopen
was, omdat men haar sloeg en opsloot - ja, waar was dat geweest - wie
waren dat? - en eindelijk zag zij plotseling de zee en zij hoorde de
golven, - verder kon zij het alles niet samen brengen, maar dat was
zeker het begin geweest van haar zwervend leven van boschmeisje.
Terwijl al deze oude herinneringen haar bestormden, vielen haar roodgeschreide
oogen toe en overmande haar de slaap; nog niet lang kon zij zoo geslapen
hebben, toen een ruwe stem haar deed opschrikken.
"Wat drommel! Een meisje met mooie kleeren aan en zoowaar goud
aan hals en ooren - hoe komt die hier in het bosch?"
Ontsteld sprong zij op en zag een haveloos gekleede man en vrouw voor
haar staan, die blijkbaar hout hadden gesprokkeld en haar verbaasd aanstaarden.
"Wie ben je?" vroeg hij ruw, "en hoe kom je hier?"
Het kind begon echter luid te snikken en kon niet antwoorden.
"Neen, Gros Pierre! Zoo moet je haar niet aanspreken, je brengt
haar van streek," zeide de vrouw; "ben je verdwaald?"
"Och, goede menschen," smeekte het meisje, "zeg mij toch
hoe ik van hier uit naar Parijs kan komen naar het klooster van Notre
Dame de Bon Secours of naar het Hotel d'Armentières."
[189:]
"Wat, hoor
je daar thuis? Dan ben je ook van goede komaf. Laat eens zien! Wat heb
je daar aan je armen? Mooie gouden braceletten en ringen! Kom geef ze
mij maar! Wij kunnen er brood voor onze kinderen van koopen; hier in
het bosch is er toch niemand om je te bewonderen."
Gewillig deed Marie Louise de armbanden van haar polsen en de ringen
van haar vingers; een hield zij, het was die, welken Simone haar gegeven
had op den dag van haar doopsel.
"Ik laat ze u graag, als u mij maar op den rechten weg brengt en
een stukje brood geeft, want ik heb zoo'n honger."
De vrouw fluisterde haar man toe:
"Laten wij het kind meenemen, zij is zeker verdwaald of anderen
hebben er belang bij dat zij nooit uit dit bosch te voorschijn komt.
Wij moeten haar bjj ons houden dan zult gij zien dat men een grooten
losprijs voor haar betaalt!"
Hij grinnikte van ja en zeide:
"Kom maar mede, wij zullen jou deftig in ons hotel ontvangen en
een gastmaal voor je aanleggen, zooals je bij je rijke ouders nog niet
hebt gegeten."
"Ik heb geen ouders," zuchtte het kind.
"Hoe heet je dan?"
Zij dacht even na; in haar nog onervaren geest kwam het op dat zij nog
te kort Marie Louise le Blanc had geheeten om bij deze vrouw bekend
te zijn, dus antwoordde zij:
"Het boschmeisje!"
"Het boschmeisje! Is mij dat een naam, hoe
[190:]
kom jij er aan
- zoo kunnen wij je nooit terecht brengen, als je niet anders heet.
Of wil je het niet zeggen?"
De vrouw bemerkend dat haar man met zijn grove stem en ruwe manieren
het kind geheel in de war bracht, verzachtte zijn vraag:
"Heet je heusch niet anders? Bedenk je nu maar eens goed? 't Is
in je eigen belang dat wij het je vragen."
"Marie Louise le Blanc," gaf zij ten antwoord.
"Nu ja, er zijn zooveel Le Blancs als Le Noirs in de wereld, maar
bij wie woon je dan? Hoe heeten de menschen, die voor je zorgen?"
"De gravin d' Armentières".
"O, de Armentières, die ken ik heel goed," en hij grijnslachte,
zoodat het meisje er van huiverde.
Jaren geleden was hij wegens wilddieverij op het grondgebied van den
graaf, getuchtigd en in een hok opgesloten geworden.
Zij gingen langs een pad, dat eenigszins gebaand scheen, omdat de struiken
en het gras daarvan platgetrapt waren, - het boschmeisje liep tusschen
man en vrouw in. Eindelijk bereikten zij een armzalige hut van dorre
takken en mos. Voor de met een versleten mat gesloten opening speelden
een paar havelooze kinderen in het zand.
"Hier brengen wij je een speelkameraad," zeide de moeder,
en ging op een omgevallen boomstam zitten.
"Moeder, wij hebben honger! Brengt u ons brood?" vroegen zij
allen.
[191:]
De moeder zette
het mandje voor hen neer, haalde er eenige beschimmelde korsten brood
uit en deelde ze uit aan de kinderen, die ze met de dolle begeerte van
den honger verslonden.
"Daar jonge juffrouw! Ik vrees er voor dat je aan fijner kost gewend
bent, maar ik heb niets anders," en zij gaf haar een stuk mee van
den onsmakelijken voorraad. Marie Louise nog hongeriger dan de kinderen,
at er een stukje van, doch spoedig was haar honger gestild en zij vroeg
nu of zij slapen mocht.
In het huisje lag een hoopje lompen over droge bladeren dat het bed
van het gezin voorstelde.
"Daar is ons slaap salet!" spotte Gros Pierre, "ja schoone
dame, zoo zijn wij menschen nu gehuisvest en dat eten? De honden bij
je graaf d'Armentières zouden het niet believen."
Maar het boschmeisje hoorde hem nauwelijks meer, zóó had
zij zich neergelegd ot zij viel in vasten slaap.