XXIII.
Marie Louise ontving
van een der zusters schrijfles. Haar vlug begrip maakte van haar een
bevattelijke leerling, het werk boeide haar zeer en zij scheen in deze
bezigheid haar verdriet te vergeten.
Een der zusters trad pinnen en zei de dat Marie-Louise op verzoek van
haar beschermster mevrouw d'Armentières onmiddellijk naar het
hotel moest vertrekken omdat zij zich ongesteld voelde en naar haar
pleegdochter verlangde.
Het meisje schrikte hevig en maakte zich vol onrust gereed tot het vertrek;
de zusters lieten haar zonder eenig kwaad vermoeden gaan en betreurden
het alleen dat het meisje door dit ongeregelde leven niet zooveel nut
van haar studie
[176:]
kon hebben dan
haar meesteressen het hoopten.
Dien avond kwamen intusschen de oude heer en mevrouw in Parijs aan;
Philip van Oudenaarde had geschikt logies gevonden voor hen en zond
een bode om hen af te halen en naar de nieuwe woning te brengen.
Hij moest hun uitvoerig alles vertellen wat hij naders gehoord had van
het boschmeisje en het verlangen der beide grootouders werd hoe langer
hoe sterker zekerheid te hebben over haar geheimzinnige afkomst.
Nauwelijks in Parijs aangekomen had de oude mevrouw dan ook geen geduld
om tot den volgen den morgen te wachten; maar het dringende verzoek
van haar man en van Philip deed er haar eindelijk in berusten kalm te
gaan slapen om morgen zoo vroeg mogelijk naar de gravin d'Armentières
en verder naar het klooster te gaan.
Mevrouw d'Armentières was juist met haar toilet gereed, toen
de koets met het hollandsche paar en hun trouwe gezellen, neef Hendrik
en de heer Van Oudenaarde, de binnenplaats opreed en het gezelschap
uitstapte.
De gravin ontving hen hoogst beleefd, gaf haar belangstelling in deze
zaak te kennen met haar hoop dat hun verwachtingen zouden vervuld worden
en stapte toen met hen in de koets, die hen allen naar Notre Dame de
Bon Secours zou voeren.
Wie schetst echter hun verbazing toen zij daar moesten vernemen, dat
gisteren reeds mademoiselle
[177:]
Le Blanc was afgehaald
en dit wel op vertoon van een briefje van de gravin zelf.
Het was een oogenblik van grenzenlooze verwarring - mevrouw viel in
onmacht - en haar man vergat alles rondom hem - om zich aan haar te
wijden en te trachten haar tot bewustzijn te brengen - de gravin betoogde
dat de brief, dien men haar vertoonde onmogelijk door haar kon geschreven
zijn. Philip van Oudenaarde verzekerde, dat hij er niets van wist en
wierp intusschen schuine blikken op neef Hendrik, die het meeste geweld
maakte en de arme zusters, wier verlegenheid medelijden inboezemde,
bittere verwijten deed.
Te midden van deze ontsteltenis kwam ook Raoul de Soigny, die wist dat
zijn zuster dezen morgen in het klooster kwam en gaarne bij het onderhoud
wilde tegenwoordig zijn, zich bij het gezelschap voegen.
"Het meisje is ontvoerd," zeide hij dadelijk, "en op
zeer listige, sluwe manier. De schurken hebben het briefje van mijn
zuster nagebootst en daarvan een schandelijk misbruik gemaakt!"
"Maar wie kan het zijn? Wie heeft het leven van ons arm boschmeisje?"
Hij haalde de schouders op.
"Ja wie? Het kan zijn, dat boosdoeners op een flinken losprijs
hopen, en haar daarom geschaakt hebben. Zij weten hoe mijn bruid haar
liefheeft en de gravin d'Armentières belang in haar stelt. Dit
is voldoende om hen op een grooten buit te doen rekenen."
[178:]
"Dat komt
mij ook het waarschijnlijkste voor," meende neef Hendrik hoogst
ernstig.
"Maar," sprak zijn oom, een weinig gerustgesteld over zijn
vrouw, die langzamerhand bijkwam onder de goede zorgen der zusters,
"dan moeten er toch middelen zijn om haar op te sporen."
"Ja zeker," antwoordde Raoul, "wij moeten onmiddellijk
bij den luitenant van Politie aangifte doen van de ontvoering."
Neef Hendrik verklaarde zich dadelijk bereid met den markies mede te
gaan; zijn deelneming in het ongeluk dat zijn oom en tante trof, was
zoo groot dat niemand - dan misschien de heer Van Oudenaarde, die nu
eenmaal wantrouwen tegen hem had opgevat - zijn goede bedoelingen in
twijfel trok.
Onmiddellijk reden de beide heeren naar de woning, van het hoofd der
politie, terwijl Philip van Oudenaarde besloot voorloopig de oude menschen
niet te verlaten; mevrouw d' Armentières keerde naar haar hotel
terug in de zoete hoop dat hier misschien iets haar zou kunnen inlichten
over de geheimzinnige verdwijning van het arme boschmeisje.
Maar deze hoop bleek ijdel; Simone toen zij het gebeurde vernam, brak
in tranen uit en men had de grootste moeite haar te beletten zelf haar
vriendinnetje te gaan zoeken.
Zoodra zij echter hoorde dat Raoul het op zich had genomen haar te vinden,
werd zij kalmer en zeide:
[179:]
"O, als hij
het in handen heeft, dan zal zeker alles in het werk worden gesteld
om mijn arme lieveling zoo spoedig mogelijk te vinden."
"Wat 'n treurige schaduw in deze blijde dagen vóór
je huwelijk," zuchtte de gravin, "want nu vrees ik dat de
voltrekking zal worden uitgesteld".
"Lieve tante! Ik zal het niet betreuren, als Marie Louise dan maar
teruggevonden wordt - en als ik mijn dapperen Raoul daarvoor zal mogen
danken."
De graaf d'Armentières was echter over dit voorval niet zoo goed
te spreken; alles was voor het feest reeds geregeld en hij zou 't verschrikkelijk
vinden, wanneer het ten wille van Marie Louise zou uitgesteld moeten
worden.
"Dat boschmeisje heeft al wat een ellende en stoornis in huis veroorzaakt,"
zeide hij knorrig, "en ik zal blijde zijn, wanneer die Hollanders
hun kind of kleinkind in haar herkennen en dan meenemen naar hun waterland,
dan veroorzaakt zij ons ten minste geen last meer!"
"Beste oom! Dat meent u niet. Wij hebben alles gedaan om haar zoo
min mogelijk u in den weg te doen zijn en - dit geval is voor haar zelf
ongelukkig genoeg."
"Wij zullen met onze mooie pupil weer een paar dagen het onderwerp
zijn van het gepraat van de stad en het hof," pruttelde de graaf.
"Hoe dikwijls zijn wij het al niet door haar geweest."
"Dan weet ik er niets beters op dan dat gij u
[180:]
met ons vereenigt
om alles in het werk te stellen ten einde haar zoo spoedig mogelijk
terug te vinden," plaagde de gravin.
Hun gesprek werd afgebroken door het binnenkomen van een lakei, die
de komst aankondigde van een heer - wiens naam hij erg verhaspelde.
"Laat hem binnenkomen," zeide de graaf, "het is zeker
eén van haar Hollandsche vrienden."
Het was inderdaad Philip van Oudenaarde, die de oude lui naar hun hotel
gebracht en daar aan de zorgen hunner trouwe bedienden overgelaten had
en nu eèn onderhoud verzocht met de familie d'Armentières.
"Zijt gij het boschmeisje op het spoor?" vroeg hem dadelijk
de graaf d'Armentières nadat de eerste plichtplegingen gewisseld
waren.
"Helaas! neen! Ik heb den markies de Soigny nog niet gesproken,
maar er is iets dat mij zwaar op het hart ligt en dat ik mij verplicht
acht u, die zooveel belang stelt in het meisje, mede te deelen."
"Wij zijn geheel en al oor!" zeide de gravin en de graaf gaf
hem met de hand een teeken om voort te gaan.
"Welnu dan! Ik kan mij vergissen en zal dan de eerste zijn om het
ruiterlijk te bekennen, maar er zijn redenen, die mij doen vreezen dat
de neef van mijn goede vrienden, wien zij hun volle vertrouwen geven,
niet vreemd is; aan de ontvoering van het kind, waarin zij hun kleindochter
meenen te zien."
En in korte woorden vertelde de heer Van Oudenaarde de geschiedenis
van Hendrik's, oom en tante,
[181:]
hoe zij al hun
kinderen hadden verloren, hoe hij door kruipende vleierij zich in de
gunst der oude menschen had weten te dringen, hoe hij hen geheel onder
zijn invloed had, goede sier maakte van hun geld, dat hij eens vast
hoopte het zijne te mogen noemen, zijn aandringen om hen naar Parijs
te vergezellen, zijn reis vooruit naar de groote stad, waarvan Philip
de kwade gevolgen hoopte te verijdelen door hem te vergezellen, eindelijk
zijn afwezigheid gedurende den geheel en dag van gisteren.
De graaf d'Armentières luisterde met meer aandacht naar het verhaal
dan men van hem zou verwacht hebben en toen de Hollander geëindigd
had, sloeg hij met de hand op tafel en riep uit:
"Dat laat zich wel hooren. Kinderlooze lieden staan altijd bloot
aan de listen en kuiperijen van zulke lage wezens. Ik zal blijde zijn
de berekeningen van dien schurk te leur te stellen, want dat hij de
schuldige is, betwijfel ik geen oogenblik. Niemand dan hij kan bij de
verdwijning van het boschmeisje belang hebben."
"Zijn uiterlijk beviel mij ook volstrekt niet," meende de
gravin, "en als ik mijnheer Van Oudenaarde niet had leeren kennen,
zou ik door hem een zeer slechte meening hebben opgevat van de Hollanders!"
Philip van Oudenaarde boog zich even bij het ontvangen van dit compliment
en de graaf ging voort:
"Ons eerste werk moet zijn den luitenant van politie op de hoogte
te stellen van deze vermoedens.
[182:]
Die man en mijn
zwager zullen nu zeker niet meer bij hem zijn."
De heeren vertrokken en de beide dames vergezelden hen in den geest
met haar wenschen en gebeden.