XXII.
In het hotel d'Armentières heerschte een levendige, vroolijke drukte; men maakte er de toe
[169:]
bereidselen voor
het huwelijk van Raoul de Soigny en Simone d'Armentières.
In de groote zaal lag de bruidskorf tentoongesteld; de vriendinnen der
jonge bruid kwamen de mooie stoffen, de kostbare kanten en toiletten
bewonderen; menigeen benijdde in stilte Simone, die behalve al deze
schatten nog iets meekreeg in het huwelijk wat toen ter tijd bij fransche
huwelijken al zeer zeldzaam was, het hart en de liefde van den haar
bestemden echtgenoot.
Het bruidje zag er stralend van geluk uit, terwijl zij haar vriendinnen
haar mooie uitzet toonde en hoog opgaf van haar geluk en de liefde van
haar bruidegom.
Toch gleed er nu en dan een schaduw over haar lief gelaat, zij zag rond
als miste zij iets en moest zich dan inspannen om op haar gewonen opgewekten
vroolijken toon met haar vriendinnen te spreken.
Nauwelijks waren deze vertrokken, of Simone snelde weg naar haar kamertje
op een hoogere verdieping, vlak naast dat van Marie Louise le Blanc
gelegen en even als dit op den tuin uitziende.
Zij begaf zich dadelijk naar de kamer van het boschmeisje en vond haar
in een hoek van het vertrek dicht bij het raam ineengedoken.
Het was een heerlijke lentemorgen; de zoete geuren van het jonge loof
en de eerste voorjaarsbloemen stegen uit den grooten, lommerijken tuin
omhoog; de zon schitterde over dat gewemel van fijn teer groen en gaf
er tinten aan van goud en smaragd.
[170:]
Maar het meisje
scheen niet te genieten van dat mooie tooneel; zij zat stil en droevig
bij het raam en haar blikken waren niet af te slaan van haar vriendin.
Vergeefs trachtte Simone haar belangstelling te wekken voor het een
of ander mooie stuk, een sieraad of een kunstvoorwerp; zij, die anders
zoo gevoelig scheen voor alles wat mooi was, wierp er nu slechts verstrooide
blikken op.
Haar gedachten waren ergens anders of liever zij verlieten geen oogenblik
haar vriendin, die nu weldra zoo geheel andere belangen en een ander
levensdoel zou hebben.
Wanneer Raoul Simone naderde en met haar vertrouwelijk sprak, glom er
iets in haar oogen dat herinnerde aan vroeger, toen zij nog tegen wolven
en vossen streed.
Zij drukte de vuistjes in elkander en een bloeddorstige wreede trek
ontsierde haar gelaat; duidelijk las men er de begeerte op om dengene,
die haar van haar liefste vriendin ging berooven, hetzelfde lot te doen
ondergaan als de dieren van het woud, maar slechts één
oogenblik duurde die verzoeking.
Wanneer zij zag hoe Simone vol liefde en geluk de oogen ophief naar
haar bruidegom, dan verdween de toorn en de jalouzie uit haar brandende
blikken en maakten plaats voor een uitdrukking vol droefheid en onderwerping.
Zij wendde dan de oogen af en vouwde de handen om stil een gebed uit
te spreken voor het geluk van haar lieve vriendin.
[171:]
Vandaag was zij
echter nog bedroefder dan anders; de noodlottige dag, die haar zou scheiden
van Simone d'Armentières naderde meer en meer.
Raoul de Soigny had zijn ontslag genomen uit den zeedienst en zou met
zijn jonge vrouw het kasteel zijner voorouders bewonen.
Wat er later gebeuren zou, wist men nog niet, maar zeker was het dat
hij in den eersten tijd er niet aan dacht het boschmeisje mede te nemen
naar hun nieuw tehuis.
Zij zou bij mevrouw d'Armentières blijven, in afwachting dat
men later iets bepaalds over haar lot besliste.
Na lang met zichzelf te hebben gestreden stond zij op, ging naar Simone
toe en zeide op haar eigenaardigen nog altijd eenigszins vreemd klinkenden:
toon:
"Simone, wilt gij uw tante een gunst voor mij vragen?" "Zeker
Marielief, wat wilt ge dan?"
Groote tranen rolden over de wangen van het boschmeisje toen zij antwoordde:
"Mag ik teruggaan naar het klooster Sainte Marie en dan bij de
goede zusters blijven totdat - totdat..."
"Nu hoelang?"
"Totdat gij getrouwd zijt?"
Verwonderd zag Simome haar aan en vroeg een beetje ontstemd:
"Maar kind! Hoe kom je daaraan? Wat 'n inval! Wil je dan niet getuige
zijn van mijn geluk?"
[172:]
Snikkend wierp
zij zich om Simone's hals en fluisterde:
"Ik kan niet, ik kan niet; want nu moet ik u verlaten - u wie ik
alles dank!"
Simone werd ook aangedaan en gaf haar vriendinnetje haar liefkoozingen
terug.
"Ik zal er tante over spreken," antwoordde zij.
Na rijp beraad met haar broer en nicht besloot mevrouw d'Armentières
het verzoek van het boschmeisje toe te staan en haar opnieuw aan de
zorgen der zusters te vertrouwen.
Haar scherp oog was de vreemde uitdrukking in Simone's oogen niet ontsnapt
en zij vond het beter de nog zoo weinig beschaaide innerlijke natuur
van het meisje in geen al te moeielijken tweestrijd te brengen, door
het dagelijksch aanzien der voorbereidingen tot Simone's huwelijk en
daarop volgend vertrek.
Simone bracht haar zelf weg naar het klooster en nam hartelijk afscheid
van haar, met de vaste belofte haar zeker nog eenige malen vóór
het huwelijk te komen bezoeken.
Marie Louise was wèl bedroefd, maar hield zich toch buitengewoon
goed en scheen tevreden dat alles zoo was beslist.
Daags na haar vertrek vroegen echter twee heeren, wier uiterlijk min
of meer de vreemdelingen verraadden, de gunst mevrouw d'Armentières
te mogen spreken.
Eerst trachtte gravin Diana zich te doen verontschuldigen wegens haar
drukke bezigheden met het aanstaande huwelijk van haar pupil, maar de
[173:]
heeren drongen
zoo aan op een afzonderlijk onderhoud dat zij besloot het hun toe te
staan.
De heeren waren zooals men licht begrijpt, Philip van Oudenaarde en
neef Hendrik.
Bij de gravin toegelaten, herkende zij den eerste dadelijk als de gast
van den heer de la Condamine en werd door hem in korte woorden op de
hoogte gebracht van het doel hunner komst - namelijk om het boschmeisje
weder te ondervragen over haar oude herinneringen, daar hetgeen hij
van haar verteld had reeds zulk een indruk op de oude menschen had gemaakt,
dat zij zich haar grootouders waanden.
Zeer bescheiden vroeg hij dus om een onderhoud met het kind; neef Hendrik
sprak geen woord maar luisterde aandachtig; nooit was hij zoo blijde
geweest het Fransch tamelijk goed te kunnen verstaan als vandaag.
Mevrouw d'Armentières betreurde het dat het meisje niet tehuis
was, maar gaf alle inlichtingen waaruit het den beiden mannen meer en
meer bleek dat zij op een goed spoor waren gekomen en dat het instinkt
der oude vrouw haar juist had gewaarschuwd, toen zij in het boschmeisje
het kind van haar zoon vermoedde.
Men sprak af, dat mevrouw d'Armentières den volgenden morgen
- heden had zij reeds over haar geheelen dag beschikt - met Philip van
Oudenaarde en neef Hendrik naar het klooster zouden gaan om haar te
ondervragen.
Onder vele dankbetuigingen gingen de heeren
[174:]
weg; ondertusschen
had Hendrik schijnbaar geheel onwillekeurig en te goeder trouw zich
goed op de hoogte gesteld van de verblijfplaats van het boschmeisje.
Buiten gekomen liet hij Van Oudenaarde zijn eigen weg gaan, daar hij
nu maatregelen voor het logies van zijn oom en tante wilde nemen.
Van Oudenaarde, die den heer de la Condamine wilde spreken en niets
op het gezelschap van zijn landgenoot gesteld was, zag hem gaarne vertrekken
en zoo ging elk zijns weegs.
Hendrik overtuigde er zich eerst van dat Philip van Oudenaarde in zijn
koets was weggereden en een goed eind verwijderd was en toen hij het
terrein vrij zag, keerde hij naar het Hotel d'Armentières terug.
In der haast schreef hij een briefje en liet dit door den knecht aan
mevrouw brengen; daarin verzocht hij haar verlof om heden nog vrij met
Marie Louise in de spreekkamer te mogen spreken, en smeekte haar in
alle bescheidenheid dit verlof op schrift te geven.
De tijd was nog zoo lang tot morgen meende hij en het ware zulk een
voorrecht voor de oude menschen, die wellicht van avond reeds in Parijs
zouden aankomen, als hij hen verheugen kon met eenige zekerheid over
de afkomst. van het boschmeisje.
Mevrouw d'Armentières had het op dit oogenblik juist verbazend
druk met allerlei regelingen voor de plechtigheid, maar vriendelijk
en hulpvaardig als
[175:]
altijd, schreef
zij een paar regels aan de overste met verzoek den heer Van Oudenaarde
toe te staan onder haar opzicht Marie Louise le Blanc te spreken.
Een trek van duivelsche vreugde teekende zich op zijn gelaat af toen
hij het kostbare stuk in handen had; snel verborg hij het, en in zijn
logement aangekomen, sloot hij zich op, ontdeed het papier voorzichtig
van zijn zegels - een werkje waarin hij groote handigheid bezat - en
schreef toen het handschrift van de gravin tot voorbeeld nemend - een
briefje, dat zelfs de meest geoefende niet voor nagemaakt zou houden.