XVIII.
Het waren harde
dagen voor het boschmeisje in den eersten tijd dat zij zich geheel alleen
tusschen die vreemde nonnen en kinderen bevond, hoewel deze alles deden
om haar met liefderijke zorgen te omringen. Zij kon zich niet goed wennen
aan het regelmatige kostschoolleven, dat natuurlijk nog veel meer aan
de klok gebonden was dan bij de gravin d'Armentieres.
Eerst wilde zij niets eten en niets doen; zij zat onbewegelijk bij het
venster en zag naar buiten waar hevige sneeuwbuien de lucht verduisterden;
het scheen of zij niet moede werd het dwarrelen der sneeuwklokken te
volgen.
Geen redeneeren baatte, tot strengheid had de overste verboden haar
toevlucht te nemen; men moest dus stil afwachten totdat zij uit zichzelf
wat meer aan haar nieuw leven zou gewennen.
Dit gebeurde eerst langzamerhand; de vriendelijkheid der zusters en
der kinderen scheen eindelijk indruk op haar te maken. Zij begon eerst
wat meer belangstelling te koesteren voor haar omgeving, toen luisterde
zij naar de lessen, die men haar op gemakkelijke, bevattelijke manier
gaf en eindelijk begon zij pleizier te krijgen in het onderwijs dat
zij ontving en toonde veel ijver.
Toen den Zondag daarop mevrouw d'Armentieres en Simone haar bezochten,
was zij innig blijde en vertelde haar zelfs, dat zij reeds begon te
naaien en te leeren lezen en dat zij ook wat kon bidden.
[141:]
Zij liet de dames
bedaard heengaan en scheen tevreden te zijn met in het klooster te blijven.
Haar verblijf in het huis Sainte Marie de Bon Secours verminderde echter
niet de algemeene belangstelling in het boschmeisje.
Integendeel! het scheen of de nieuwsgierigheid van het Parijzer publiek
nog vermeerderd was.
De bezoekers stroomden in de spreekkamers.
Alle vriendinnen en kennissen niet alleen van de zusters, maar ook van
de dames-pensionaires zochten een voorwendsel om haar te komen zien
en smeekten dan als hoogste gunst gedurende het speeluur een wandeling
te mogen maken in de tuinen of ten minste uit het venster een blik te
mogen werpen op de speelplaats om het boschmeisje al was het maar heel
uit de verte te zien.
Allen stonden echter verbaasd; men had er zoo vast op gerekend een soort
monster te aanschouwen en in plaats daarvan zag men een aardig, jong
meisje, dat zich uiterlijk in niets scheen te onderscheiden van haar
kameraadjes.
Marie Louise zooals de zusters haar nu noemden en lieten noemen, begon
hoe langer hoe meer met haar schoolmakkertjes op haar gemak te komen;
zij speelde met hen - en was dan de vroolijkste en opgewektste van allen.
Haar groote behendigheid in het klimmen en springen was het eenige,
wat haar kenmerkte en wat dikwijls de grootste pret, maar ook wel eenigen
angst aan de meesteressen en leerlingen bezorgde.
Haar woordenvoorraad vermeerderde ook zeer
[142:]
en zij begon reeds
als een gewoon mensch te praten; men kon nu gemakkelijk met haar een
gesprek voeren.
Haar stem klonk alleen nog een beetje vreemd en diep in de keel; zij
sprak de lettergrepen één voor één uit als
vreesde zij zich te vergissen.
Merkwaardig was het echter te zien hoe haar jonge ziel zich opende voor
de lessen in den godsdienst; vooral de overtuiging dat een Vader over
haar had gewaakt, terwijl zij alleen in de bosschen tusschen dieren,
blootgesteld aan alle onguurheden van het weer, had rondgedwaald, maakte
diepen indruk op haar.
Reeds na een maand kon de overste aan haar pleegmoeder berichten, dat
Marie Louise le Blanc voldoende voorbereid was om gedoopt te worden
en dat de plechtigheid over eenige dagen in de kloosterkapel zou plaats
hebben.
Algemeen was de sympathie, die men het meisje bewees; de nieuwsgierigheid
had plaats gemaakt voor ware, warme belangstelling.
Onbekende vriendinnen zonden haar dagelijks bloemen, waarmede zij de
kapel versierde of vruchten, die zij tusschen haar medeleerlingen verdeelde.
Ook boeken, snuisterijen, sieraden werden haar gegeven en zij verheugde
er zich over met de naïeve blijdschap van een kind.
Het regelmatige schoolleven deed haar goed; in de eerste dagen van haar
verblijf te Parijs was zij magerder en bleeker geworden, nu kreeg zij
een veel frisscher kleur, haar gestalte: ontwikkelde zich
[143:]
en haar gelaat
had al de frischheid van een jonge veldbloem.
Behalve nieuwsgierige dames vulde zich de spreekkamer ook met geleerden
en kunstenaars.
De heer de la Condamine kwam haar verscheidene malen bezoeken en ondervroeg
haar over haar herinneringen; zij kon zich echter daarover weinig rekenschap
geven, - zij wist behalve van haar boschleven niets anders te verhalen
dan van een reis over het groote water, een schipbreuk, van menschen,
die haar sloegen en eindelijk van alles wat den laatsten tijd was voorgevallen.
De geleerde achtte het nu zeker, dat zij geboren was in den Oost-lndischen
Archipel en wachtte met verlangen bericht af van den heer van Oudenaarde,
die beloofd had onderzoek te doen naar haar afkomst, maar tot nu toe
ontving hij nog geen bericht uit Holland.
Zelfs dichters, waaronder de zoon van den grooten Racine, wenschten
haar te zien - de zusters trachtten wel zooveel mogelijk het meisje
aan die algemeene nieuwsgierigheid te onttrekken, maar dikwijls was
het haar niet mogelijk wanneer heeren en dames van hoogen rang, stand
en naam, hetzij door hun geboorte, hetzij door hun geleerdheid of beroemdheid
op allerlei gebied van kunst en wetenschap het als een groote gunst
afbedelden haar voor enkele minuten te mogen spreken.
Marie Louise bleef echter te midden van al deze bewijzen van vriendschap
en waardeering eenvoudig en nederig, zooals zij steeds was geweest.
Wanneer
[144:]
men haar vroeg,
wat zij liever deed, in het bosch leven of zooals hier in een kring
van beschaafd menschen, dan antwoordde zij:
"Ik was toen zeer gelukkig! Ik voelde mij vrij en onbezorgd, ik
wist niet beter of dat was het eenige leven dat men leiden kon. Ik voelde
geen koude of hitte zoo was ik er tegen gehard; ik rustte zacht in het
gras of op de droge bladeren; tegen den regen wist ik mij te beschutten
in de holen der rotsen. Het eten smaakte mij, hoe ruw het ook was, want
ik wist toen niet beter."
"Maar nu?"
"O, nu heb ik zooveel geleerd; Ik weet, dat dit geen leven is voor
een mensch en ik weet nu ook dat, wanneer ik zonder ongelukken al deze
gevaren heb overleefd, ik het te danken heb aan mijn Vader in den Hemel,
die onzichtbaar over mij waakt!"
"Zoudt gij weer tot dat leven willen terugkeeren?"
Een uitdrukking van angst en afschuw kwam over haar bewegelijk, uitdrukkingsvol
gelaat; zij rilde en antwoordde op vasten toon:
"Neen, o neen! ik schrik er voor terug, ik schaam er mij voor.
Ik wil geen bloed meer drinken en geen wortels meer eten, ik ben zoo
blijde dat ik worden mag als andere kinderen."