XVII.
In een stille straat
van het oude Parijs stond het klooster Sainte Marie de Bon Secours.
De zusters wijdden zich hier toe aan het onderwijs van van verlaten
meisjes, maar gaven ook aan dames van de wereld, die behoefte voelden
om voor korter of langer tijd zich met geestelijke zaken bezig te houden,
gelegenheid tot een even aangenaam als gepast verblijf.
Zoo hadden weduwen van hoogen stand, die geen vermaak meer vonden in
de ijdelheid der wereld daar haar kamers; jonge douairières,
die geen al te ruim inkomen bezaten, en kinderen moesten opvoeden, trokken
zich daar voor eenige jaren terug om later wanneer het tijd werd haar
kinderen aan het hof voor te stellen, over ruimer financiën te
kunnen beschikken.
Ook vrouwen, die van haar man tijdelijk of voorgoed gescheiden waren,
hetzij door omstandig
[130:]
heden, hetzij door
oneenigheid, vonden daar een veilig toevluchtsoord even als ongetrouwde
dames, jongere dochters van adellijke geslachten, die geen roeping voor
het kloosterleven voelden en niet getrouwd waren om haar gebrek aan
schoonheid of aan geld.
Het waren van buiten gezien sombere gebouwen, maar binnen vond men er
ruime gangen, groote zalen en vooral een reusachtigen tuin, met hooge
boomen en prettige zitjes, waarin de pensionnaires zich konden vertreden.
Hierheen was het dat mevrouw d'Armentieres met haar nichtje Simone en
haar pleegdochter op zekeren morgen reden, om er het wilde meisje te
brengen.
De zusters ontvingen de dames met hartelijkheid en onderscheiding en
terwijl Simone en haar vriendinnetje door den tuin wandelden, sprak
de gravin met de Overste over het boschmeisje, dat zij gaarne aan haar
zorg wilde toevertrouwen.
"Ziet gij, eerwaarde Moeder," zoo sprak de gravin, "eenige
maanden geleden doolde dit kind als een half wild dier door de bosschen.
Zij kon geen menschelijk geluid voortbrengen, niets dan ruwe kreten
en het nabootsen van de geluiden der dieren en vogels van het woud!"
"O mevrouw!" en de goede zuster sloeg de handen in elkander,
"welk een toestand voor een redelijk schepsel Gods!"
"Zij was in dierenvellen gekleed, zij voedde zich met rauwe wortelen
en vruchten, zij doodde wolven
[131:]
en herten, hazen
en konijnen, zij verslond hun rookend vleesch en dronk hun warm bloed..."
"Maar gravin! Men kan het haast niet gelooven in onze beschaafde
eeuw onder de regeering van onzen koning Lodewijk den Welbeminde!"
"Ik verzeker u, moeder, dat het de heilige en onvervalschte waarheid
is, die ik u thans verhaal."
"Mevrouw, uw karakter en uw naam zijn ons voldoende waarborgen
voor de waarheid van uw woorden."
"Als een wild dier leefde dit kind dus in de bosschen, als een
wild dier ook hebben wij haar gevangen en eerst op ons kasteel opgesloten,
waar zij zich moeilijk aan de gevangenschap kon gewennen."
"Geen wonder voor zoo'n kind, gewoon aan het vrije leven der bosschen.
Ik begrijp nog niet mevrouw hoe men haar getemd heeft."
"Het ging met veel bezwaren gepaard, wij hebben haar op raad van
een verstandig geneesheer laten uitrazen; honger en dorst deden het
overige, maar wat haar voor alles temde, dat was de liefde, die zij
opvatte voor mijn nichtje!"
"Die u vergezelt?"
"Juist! Het kind heeft langzamerhand begrepen dat wij slechts haar
welzijn beoogden; zij heeft gevoeld dat het ons eenig doel was haar
te beschaven en te ontwikkelen, haar aan den wilden staat te onttrekken
en haar op de plaats te brengen, die haar toekomt als redelijk schepsel
Gods."
"Dat zijn edele gevoelens, mevrouw! God zal u
[132:]
zegenen voor hetgeen
gij aan Zijn arm, verdwaald kind hebt gedaan."
"Ik deed het met liefde, maar het meisje wantrouwde mij eenigszins,
zij zag in mij een soort gevangenbewaarster aan wie zij haar gevangenschap
weet, maar Simone, een meisje van haar leeftijd, boezemde haar vertrouwen
en genegenheid in, die zij dan ook benut heeft om het meisje het een
en ander te leeren."
"Heeft zij goede geestvermogens?"
"Ik geloof niet dat het haar daaraan ontbreekt; eerwaarde Moeder,
maar zij zijn natuurlijk niet ontwikkeld. Simone heeft haar de namen
geleerd van allerlei voorwerpen, die haar omringen en zij zegt ze na.
Ook eenvoudige begrippen kan zij verwerken en uitspreken, maar er zijn
nog vele zaken, die haar vreemd vallen en bepaald tegenstaan in ons
leven van beschaving."
"U bedoelt, mevrouw?"
"Het slapen in een bed vindt zij lastig en overbodig - onze spijzen
doen haar soms walgen en het kost haar moeite zich te houden aan den
regel van het huis."
"En hoe staat het met hare godsdienstige kennis, mevrouw?"
"Daarover wilde ik u juist spreken: u weet hoe hoog ik deze zaak
stel, en het is een van Simone's eerste zorgen geweest haar te vertellen
wie haar geschapen heeft en de bosschen en de dieren, dat zij een Vader
in den hemel bezit, die haar beschermd heeft toen zij alleen en onbeschut
dwaalde
[133:]
door het woud,
en onzichtbaar over haar waakte."
"En maakte dit indruk op haar?"
"Zij luisterde aandachtig, de tranen kwamen op in haar oogen, zij
vouwde de handen en zag naar boven, als wilde zij haar blik door de
wolken doen dringen om Hem te zien, die haar tegen zoovele gevaren heeft
beschut. Zoo hebben wij haar jonge ziel voorbereid, maar gaarne zouden
wij nu willen, dat zij geregeld onderwijs ontving niet alleen in de
godsdienstleer, maar in alles wat een jong meisje weten moet om zich
in de wereld te kunnen bewegen."
"Een plan dat U alle eer aandoet, gravin!"
"Simone zou niets liever wenschen dan zich geheel en al aan haar
te wijden, maar mijn man, de oom van Simone, zegt dat wij te veel van
het kind vergen. Zij heeft den leeftijd bereikt om aan het hof voorgesteld
te worden, U begrijpt mij, eerwaarde Moeder!"
"Ja mevrouw, het wordt tijd voor haar toekomst te zorgen."
"Juist, Moeder! Zij is een wees en wij nemen de plaats van haer
ouders bij haar in, Zij is ons lief als onze eigen dochter, maar zoolang
het boschmeisje aan haar zijde blijft en veel van haar tijd vergt, gunt
Simone zich geen tijd aan zich zelf en aan haar toekomst te denken.
Ik ben dus verplicht hier verandering in te brengen en u te vragen eerwaarde
Moeder, of u zich wil belasten met het meisje."
"Mevrouw: die eer is zeker groot, maar..."
"U zal geen last van haar hebben, zij is kalm en verstandig, slechts
zelden overvallen haar meer
[134:]
die wilde buien
van vroeger; zij wil niets liever dan de gelijke worden van andere meisjes
van haar leeftijd en ik reken op uw onderrichting en takt om haar weldra
geheel en al tot mensch te maken."
"Dus u wil haar ons toevertrouwen als leerling, mevrouw de gravin!"
"O zoo gaarne, Moeder! Wij kennen uw verstand maar ook uw liefdevol,
gevoelig hart en dat is het juist, waaraan deze arme verlatene het meest
behoefte voelt. U zal haar leeren niet alleen God te kennen, maar ook
lief te hebben, u zal haar voorbereiden om door het Heilig Doopsel geheel
en al Zijn kind te worden, u zal haar leeren wat haar plichten zijn
als mensch en vrouw!"
"'t Is een groote, zware taak mevrouw, die U mij en mijn zusters
op de schouders legt."
"Maar die niemand beter dan u zal kunnen vervullen, en waarom ik
dan ook in vol vertrouwen tot u kom."
Nu werden de beide meisjes binnengeroepen en het was aardig te zien
hoe het wilde meisje naar Simone opzag en alles deed, wat zij haar vriendinnetje
zag doen.
De jonkvrouw d'Armentieres maakte een diepe buiging voor de overste
en het boschmeisje trachtte deze hoe links ook na te doen; toen zij
eerbiedig de hand der kloosterzuster kuste, volgde zij dit voorbeeld
en drukte haar lippen op de blanke vingers.
"Wel lief kind?" vroeg de overste, "bevalt het u in onzen
tuin?"
[135:]
"O ja, mooie
tuin! Maar koud! Koud!"
"Als het lente wordt dan zult ge zien hoe heerlijk het in onzen
tuin kan zijn, en welke mooie bloemen daarin bloeien."
Met verlangen zag het meisje door de hooge ramen haar de blauwe winterlucht,
waartegen de met sneeuw bedekte takken zich scherp afteekenden.
"Wilt ge hier blijven?" Zij keerde zich tot Simone; "hoe
heet uw vriendin?"
"Wij hebben haar nog geen naam gegeven," antwoordde de gravin
voor haar, "wij wilden hiermede wachten totdat zij een doopnaam
krijgt."
"Maar gij zult er toch een voor haar gekozen hebben, niet waar?"
"Monseigneur de hertog van Orleans verzocht ons haar Louise te
noemen, wij hadden voor haar den naam van Maria gewenscht en voor haar
familienaam besloten wij haar den naam te geven der reinste kleur -
het wit - Le Blanc."
"Dus Marie Louise le Blanc zal zij heeten!"
"Hoort ge dat," fluisterde Simone het meisje in; "zoo
heet ge voortaan, zeg het mij na?"
"Marie Louise le Blanc!"
En duidelijk herhaalde zij het met teekenen van blijdschap en dankbaarheid:
"Marie Louise le Blanc."
"Nu dan, Marie Louise," zeide de overste, "wanneer ge
dien mooien naam tot uw geluk wilt dragen, dan moet ge bij ons blijven,
en alles doen, wat wij u zullen leeren, alles onthouden, wat wij u zeggen,
ons gehoorzamen en beminnen."
[136:]
Verschrikt zag het
meisje beurtelings de overste, de gravin en Simone aan, toen greep zij
angstig de armen der beide dames en smeekte op hartverscheurenden toon:
"Bij u blijven, niet weggaan, niet weggaan!"
Zacht maakte mevrouw d'Armentieres zich los uit haar knellende vingers,
want zij had nu haar beide vriendinnen vast op de wijze, waarop zij
vroeger haar woudvrienden en vijanden aanklampte.
"Kom, je moet verstandig zijn, kind! Zoodra je voldoende geleerd
hebt, komen wij je halen. Elken zondag zullen Simone en ik je bezoeken
en wanneer je gedoopt zijt, mag je spoedig daarna weer bij ons terugkomen."
"Laat me los, je doet mij pijn," smeekte Simone, die zich
niet uit haar greep kon los maken.
Maar Marie Louise hield haar nog steviger vast en drukte haar nagels
diep in de teere huid van haar vriendinnetje.
"O laat los! laat los!" bad Simone terwijl de tranen haar
uit de oogen sprongen, "ik kan het niet uithouden!"
Toen het meisje de tranen zag van haar vriendin liet zij haar los, en
zag haar medelijdend aan, maar zoo'n pijn had zij Simone, die anders
niet kleinzeerig was, veroorzaakt, dat de jonkvrouw van pijn ineenkromp.
"Zij is nog in lang niet van haar oude natuur ontdaan," sprak
de overste glimlachend en verzocht een van de zusters water en linnen
te halen om zoo noodig Simone's arm te verbinden.
[137:]
De mouw werd opgeslagen
en werkelijk zag men den arm gezwollen en vuurrood op de plaatsen, waar
de vingers van het boschmeisje zich hadden ingedrukt.
Simone deed haar best om zich goed te houden, maar zij kon het niet
helpen, dat haar lieve trekken een weinig verwrongen waren door de pijn.
De overste bette zelf de gekwetste plek en het wilde meisje zag bewegingloos
haar bezig, maar zij was doodsbleek geworden, haar lippen trilden en
haar oogen knipten zenuwachtig toe.
"Dat was heel ruw van u gedaan," zeide de overste, "aardig
vind ik het niet!"
Zij scheen het niet- te verstaan.
Nu wendde zich de overste tot mevrouw d'Armentieres en sprak:
"Ik wil u niet ontveinzen, mevrouw, dat dit voorval mij een weinig
huiverig maakt het boschmeisje onder onze pensionnaires te ontvangen."
"Och eerwaarde Moeder! Geloof me, het is slechts haar overmatige
genegenheid voor. Simone, die haar tot zoo iets heeft gebracht. Zij
is anders zoolang zij in Parijs vertoeft zeer gezeggelijk en kalm -
en ik twijfel niet of zij zal het hier ook zijn."
"Wanneer wij maar invloed op haar kunnen uitoefenen."
Ondertusschen was Simone een weinig bekomen van den schrik en wenkte
haar tante en de Moeder zich terug te trekken en haar even met, het
kind alleen te laten.
De gravin en de Overste begaven zich nu naar
[138:]
het venster en
Simone nam de hand van Marie Louise in de hare; zij wierp haar een langen,
bedroefden blik toe.
Het meisje werd er onrustig onder, zij trachtte haar hoofd af te wenden
om niet verplicht te zijn Simone in het gelaat te zien, maar met vriendelijk
aandringen dwong zij haar naar haar op te kijken.
"Ge zijt stout geweest. Verdien je nu wel Marie Louise te heeten?"
Geen antwoord.
"Je hebt mij pijn gedaan, erge pijn. Zie maar eens, hoe ik er om
schrei, vind je dat aangenaam?"
Toen begon het boschmeisje hartverscheurend te snikken en tusschen het
snikken door hoorde men:
"Bij Simone blijven, niet weggaan, Simone!"
"Ik moet weg, want gij zult zoo lang ik bij u blijf niet verstandig
worden en niet goed. Als ik heen ga, dan zult gij eerst een Marie Louise
worden, die dezen mooien naam verdient."
Nu wierp zich het arme kind om Simone's hals en snikte het luid uit:
"Neen, neen! Marie Louise zal zoet zijn, zal Simone geen pijn meer
doen, maar Simone niet weggaan."
Simone maakte zich zachtjes en zonder moeite uit haar omarming los.
"Neen, het moet! Marie Louise moet een echt mensch worden en dan
mag zij altijd bij Simone blijven - maar eerst moet zij nog veel leeren,
en dat willen de lieve, goede zusters haar gaane doen!"
[139:]
Het meisje schreide
maar voort, zij nam den gekwetsten arm en kuste dien hartstochtelijk.
"Nu, dit is heel lief van je, maar het neemt de pijn niet weg,"
zeide Simone.
"Nog pijn?" vroeg zij en het was aandoenlijk haar angstig
bezorgd gezichtje te zien.
"De pijn zal denkelijk eerst over zijn, waneer Marie Louise belooft
hier rustig te blijven en de goede zusters te gehoorzamen."
Het kind boog deemoedig het hoofd.
"Wil zij dat doen?"
Zij knikte van ja en Simone van de gunstige stemming gebruik makend
leidde haar nu naar de overste en legde beider handen in elkander.
"En nu," zei de zij, "zijt ge weer mijn lief vriendinnetje,
mijn pijn is over en ik laat u gerust hier!"
Met een smeekend gebaar wierp het boschmeisje zich nu op de knieën
voor de gravin d'Armentieres en herhaalde haar smeekbede:
"Niet weggaan, niet weggaan!"
"Het moet," sprak de gravin op vasten toon en richtte haar
op, "'t is voor uw bestwil, lieve kind! Wij komen spoedig terug!"
En zij verliet met Simone de zaal; aan de deur wierpen zij nog een laatsten
blik op het boschmeisje en zagen haar op dezelfde plaats staan, bitter
schreiend, maar toch zonder een poging te doen om haar vriendinnen te
volgen.