[90] XIII.
De reis werd op
den bepaalden dag ondernomen. Het reizen ging toen ter tijd niet zoo
gemakkelijk als tegenwoordig.
De familie nam plaats in een groote koets en reed elken dag slechts
eenige uren; den nacht bracht men in kleine plaatsen door, waar dikwijls
slechts gebrekkig onderkomen te vinden was.
De bedienden volgden in andere rijtuigen, zoodat het een groote stoet
was, die langs de voor het grootste gedeelte zeer eenzame wegen trok.
Het boschmeisje had moeite zich in dit reizende leven te schikken; het
viel haar zwaar zoolang opgesloten te zitten in de koets. Men had haar
eerst in een der achterste rijtuigen bij de bedienden gebracht, maar
zij was daar zoo onrustig en weerbarstig geweest, dat de bedienden vreesden
haar uit het raam te zien springen, waarom men dus verplicht was haar
in de koets der familie op te nemen, waar zij dadelijk rustig werd toen
zij maar naast Simone mocht zitten en haar hand in de hare houden.
Op zekeren avond kwam de stoet in het stadje Chalons sur Marne aan,
waar mevrouw d'Armentières in een groot gasthuis, bediend door
kloosterzusters, haar tante, die er overste was, wilde bezoeken.
De familie nam haar intrek in het eenige hotel van het stadje, maar.
daar de gravin de moeilijkheid inzag om het kind bij zich te houden
in deze
[91:]
vreemde omgeving,
vroeg zij haar tante verlof het boschmeisje en haar vriendin Simone
in het klooster te herbergen.
Het bericht, dat het wilde kind der bosschen zich in het gesticht bevond,
verspreidde zich als een loopend vuurtje in den omtrek.
Van alle kanten kwamen adellijken en bloedverwanten der zusters naar
het klooster om het vreemde schepseltje te zien.
Op verlangen der gravin mocht niemand bij haar toegelaten worden; men
moest er zich dus mede tevreden stellen, door een luikje beurtelings
een blik te werpen in de kamer, waar zij en Simone bij elkander zaten.
Het was een aardig tooneel; de twee meisjes zoo dicht naast elkaar te
zien, Simone in haar kleederen van jonge, rijke freule, geheel naar
de mode van die dagen, het boschmeisje in haar lang, los afhangend gewaad,
dat haar slanke gestalte bevallig afteekende en haar niet in hare bewegingen
belemmerde.
Simone had een groot prentenboek op den schoot en leerde haar vriendinnetje
namen te geven aan verschijlende voorwerpen. Zij wees haar op de prenten
een boom aan.
"Boom," zei de zij haar voor.
Het kind vloog naar het raam, wees naar een boom in den tuin, kwam toen
naar het prentenboek terug, legde den vinger op de afbeelding van den
boom en sprak toen duidelijk:
"Boom, boom!"
[92:]
Hetzelfde deed
zij met een bloem, een hert, een hondje, een wolf.
Het boschmeisje begon de geluiden, door deze dieren voortgebracht, na
te bootsen met een verrassende juistheid.
Simone liet haar nu de namen van deze dieren herhalen en hen toen zelf
onderscheiden. Zij vergiste zich een paar malen, doch haar meesteres
verloor haar geduld niet en begon telkens opnieuw.
"Waf - waf - hond!"
"Hond! Hond! Hond!" herhaalde zij met schitterende oogen.
Toen kwam de beurt aan de vogels en nu vertoonde zij haar kunst van
het nabootsen der geluiden naar hartelust.
Nu eens zong zij als een nachtegaal, sloeg als een vinkje of jubelde
als een leeuwerik en telkens noemde zij hun namen. Men kon zien dat
zij plezier had in het spelletje en niet vermoedde, hoe zij bespied
werd.
Ook Raoul en zijn zuster kwamen af aan toe naar het tweetal kijken.
"Die Simone is bewonderenswaardig," zeide hij, "ik weet
niet, wat meer te roemen, haar hemelsch geduld of wel de echte christelijke
liefde, waarmede zij dit arme, ontaarde kind omringt."
"Ja, Simone is een juweel! Gelukkig de man, die haar eenmaal de
zijne mag noemen. Ik hoop dat haar oom een goede keuze voor haar mag
doen in Versailles."
[93:]
Een smartelijke
trek kwam over Raoul's trekken, terwijl hij antwoordde:
"Zij is te rein en te onschuldig voor die gewetenlooze lichtmissen
en onbarmhartige spotters, waarmede de Regent zich vroeger omringd heeft."
"Men zegt dat prins Lodewijk van Orleans, zijn zoon, een deugdzaam
en godsdienstig vorst is, die geheel in tegenovergestelden geest van
zijn vader denkt en handelt."
"Wat baat dit? Het kwaad moge zich nu minder openlijk vertoonen,
toch vertrouw ik de hofjonkers, die onzen jongen koning omringen, volstrekt
niet."
"Maar haar oom zal toch een verstandige keuze doen!"
"Ik hoop het met u, zuster! Maar wie zal er goed genoeg zijn voor
zulk een reine engel als onze Simone!"
Diane d' Armentières zag Raoul veelbeteekenend aan, terwijl zij
zacht fluisterde:
"Mijn broer!"
"Ge vergeet," antwoordde Raoul half ernstig, half schertsend,
"dat ik reeds een bruid heb: de zee."
"Die gij gerust verlaten moogt voor een schat als onze lieve Simone.
Ge ziet tot hoeveel liefde zij in staat is."
"Al haar liefde geeft zij aan het boschmeisje, zij zal niet genoeg
over kunnen houden voor haar man," en zijn stem klonk eenigszins
treurig, tot Diane's groote vreugde, die hieruit opmaakte dat Simone
hem niet geheel onverschillig was.
[94:]
"Wees niet
bang," zeide Diane, "ik ken haar genoeg. Zij heeft zooveel
liefde in haar hart, dat haar aanstaande echtgenoot niet te kort behoeft
te komen."
"Ik ben veel te oud voor haar," zuchtte Raoul.
"Nu, dan zullen wij een jongen edelman voor haar zoeken, die niet
begrijpt hoeveel schatten van goedheid en liefde zij hem schenken kan.
En gij gaat terug naar de zee, in afwachting dat de Engelschen je doodschieten
of dat de storm je schip doet vergaan, of de wilden van het een of ander
eenzaam eiland je opeten!"
Raoul lachte, maar liet zich niet verder over zijn gevoelens uit.
De toeloop werd steeds grooter, zoodat de zusters, met toestemming van
de gravin, besloten haar poorten voor de al te onbescheiden bezoekers
te sluiten.
Den derden dag zou de grafelijke familie haar reis verder voortzetten,
tot groote blijdschap der nonnen, die door de aanwezigheid van het boschmeisje
in allerlei moeilijkheden geraakten.
Maar des avonds kwam een renbode te paard in Chalons sur Marne aan en
vroeg onmiddellijk bij de overste gehoor.
Hij stelde haar een brief ter hand van de koningin van Polen, die zich
op reis bevond naar Versailles en onderweg gehoord had van het zonderlinge
meisje, dat men in de bosschen had gevonden en nu besloot een kleinen
omweg te maken en den volienden nacht in Chalons sur Marne door te
[95:]
brengen, om het
wonderkind met eigen oogen te aanschouwen.
Zij wilde haar intrek in het klooster nemen en verzocht de zusters de
noodige toebereidselen te maken, ten einde haar en haar gevolg behoorlijk
te ontvangen.
Men kan zich den schrik en de verrassing der goede vrouwen voorstellen;
zeker het was een groote eer, een koningin binnen haar muren te ontvangen,
een eer, die zij niet konden en mochten afwijzen, maar hoeveel moeilijkheden
en drukte waren hier niet aan verbonden!
De familie d'Armentières moest natuurlijk haar vertrek uitstellen
en de geheele nachten den volgende dag gingen in allerlei voorbereidingen
voor het hooge bezoek voorbij.
Tegen den middag kwam de stoet der koningin in het stadje aan, dat vol
leven en beweging was om de hooge gasten te zien.
De Polen zagen er zonderling uit, in hun dikke pelzen en bontmutsen,
die hun bijna de oogen bedekten onder hun kleurige mantels, die wel
van kostbare stof waren, maar vol gaten en vooral vol vetvlekken.
Hun geheele uiterlijk liet, wat zindelijkheid aangaat, veel te wenschen
over. De koningin, van wie niemand vermoedde, dat zij eens de schoonmoeder
van den jongen franschen koning zou worden, zag er nog het eenvoudigst
en vriendelijkst van allen uit.
De zusters kwamen haar aan de poort plechtig
[96:]
tegemoet en geleidden
haar toen naar de kapel, waar zij eenige oogenblikken in vroom gebed
verzonken bleef, verder naar de eetzaal, waar het middagmaal voor haar
gereed stond.
Nauwelijks had zij echter gegeten of haar eerste vraag gold het boschmeisje.
De overste vroeg verlof de gravin en Simone eerst aan de koningin voor
te stellen, die dit genadig toestond.
De beide dames traden toen, binnen, maakten haar deftigste buigingen
en antwoordden eerbiedig op alle vragen, die de vorstin geliefde te
stellen aangaande haar zonderlinge gezellin.
Doch de koningin kon haar nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en
vroeg haar te zien.
Simone ging haar uit het naastbijzijnde vertrek halen en zij kwam aarzelend
en als onwillig nader.
De koningin scheen teleurgesteld, toen zij een tamelijk gewoon meisje
zag in een lang, los kleed, met kort, net gekamd haar en frissche gelaatskleur.
Zij stelde haar eenige vragen, waarop echter het boschmeisje niet verkoos
te antwoorden.
Toen uitte zij haar verlangen, haar te zien in de kleeding, die zij
in het bosch droeg.
Er was niets aan te doen, het verlangen der koningin moest vervuld worden.
Maar nu deed zich een zonderling verschijnsel voor; toen men het boschmeisje
weer wilde bekleeden met dierenhuiden en haar daarvoor haar zachte,
nieuwe kleederen uittrok, begon zij te schreien en tegen te streven
[97:]
Simone redeneerde,
vleide, bad, smeekte en toen gaf zij eindelijk toe, maar men merkte
het genoeg, met grooten tegenzin en zelfs schaamte.
De koningin zat in de groote eetzaal, omgeven door haar hofdames, kamerheeren
en verscheidene kloosterzusters.
Aan de hand van Simone kwam het boschmeisje weer binnen; haar stap was
weifelend en zij hield het hoofd diep gebogen.
Toen Simone bij den hoogen stoel kwam, waarop de vorstin zetelde, maakte
zij een diepe buiging en stelde haar vriendinnetje voor.
De koningin vroeg haar het een en ander, maar zij antwoordde niet, hoewel
zij anders op eenvoudige vragen reeds gepast iets zeggen kon.
"Gaat gij met mij mede," vroeg de koningin haar hand in de
hare nemend en met de andere naar buiten wijzend, om hare bedoeling
duidelijk te maken.
Angstig school zij weg bij Simone en verborg haar gelaat tegen haar
schouder.
"Zij schijnt zeer aan u gehecht te zijn, jonkvrouw d'Armentières,"
zeide de koningin; "hoe hebt gij dit overwicht op haar verkregen?"
"Door haar lief te hebben, Majesteit!" antwoordde het jonge
meisje eenvoudig.
"Zij verstaat u zeker het beste. Vraag haar eens of zij ons niet
eens de geluiden der vogels, die zij zoo goed kan nabootsen, wil laten
hooren?"
Simone leed voor haar lieveling, zij voelde dat zij zich schaamde hier
zoo als schouwspel te dienen tot
[98:]
vermaak van vreemde
menschen, van wier hoogen rang het arme kind geen begrip had, maar zij
durfde de koningin niet weerstreven en begon op haar manier tamelijk
onbeholpen het zingen van den nachtegaal na te bootsen.
Het boschmeisje lichtte het hoofd op, glimlachte en toen Slmone zweeg
en haar zeide:
"Kom, leer mij dan hoe ik het moet aanleggen!" richtte zij
zich op, sloot de oogen, hield het hoofd achterover en zong de verrukkelijkste
trillers, die geen echte nachtegaal behoefde te verbeteren.
Allen stonden verstomd.
De koningin nam een gouden keten van haar hals en deed haar dien om.
Zij scheen verheugd met dit geschenk, liet het dadelijk aan Simone zien
en ijlde toen weg, onwillekeurig, terwijl zij door de groote zaal holde,
haar vroegeren wilden gang aannemend.
De koningin was wel tevreden, maar nog niet voldaan.
"Ik zou haar zoo gaarne vogels zien vangen en herten dooden",
zei de zij, "maar dat zal nu moeilijk gaan."
"O neen", antwoordde Simone haastig, "het meisje heeft
er geen behoefte meer aan. Als zij door het bosch of den tuin rent,
is het alleen om beweging te maken, maar zij schijnt in te zien, dat
zij niet meer voor haar onderhoud behoeft te zorgen en laat de dieren
met rust."
De koningin gaf een teeken dat de meisjes zich konden verwijderen; nauwelijks
op haar kamer
[99:]
gekomen, rukte
het boschmeisje zich de huiden van het lijf en trok met blijkbaar welbehagen
haar gewone; kleederen aan, waarover zij vol trots de zoo pas verkregen
collier hing.
Ondertusschen deed de koningin mevrouw d'Armentières verschillende
vragen over het zonderlinge kind.
"Neemt zij al lessen?" vroeg zij
"Simone en ik zijn haar eenige meesteressen."
"En begint zij reeds te spreken?"
"Wanneer zij alleen met ons is, doet zij in gebroken taal vragen
en noemt ook de voorwerpen bij hun naam, maar zijn er vreemden bij,
dan kan zij er niet toe besluiten te spreken."
"Ik heb haar stem ook alleen maar zingend gehoord. Heeft zij een
mooien klank?"
"Wij vinden ze een weinig rauw en scherp, men kan hooren dat zij
niet geoefend is."
"Maar zijn dat alle voor haar nieuwe woorden, die zij spreekt?
Heeft u niets vernomen, dat u kan doen denken of zij vroeger reeds gesproken
heeft en zich nu die woorden weer herinnert ?"
"Soms zou men zeggen dat zij woorden uitspreekt, dit wij haar niet
leerden, maar zij zijn óf door haar verbasterd, óf wel
zij behooren tot een taal, die wij niet kennen."
"Vreemd; zij zijn misschien het eenige middel om ons op de hoogte
te brengen van haar afkomst en lotgevallen, die in zulk een ondoordringbaar
duister zijn gehuld."
"Onze bedoeling of liever de bedoeling van
[100:]
mijn broeder is
dan ook, haar in Parijs in aanraking te brengen met verschillende geleerden,
die misschien zullen kunnen uitmaken tot welke natie zij behoort."
"Maar hoe staat het met haar godsdienst? Is zij reeds christin?"
"Wij wachten met haar het Doopsel te laten toedienen totdat zij
beter onderricht is, Majesteit."
"Neemt jonkvrouwe Simone de zorg voor haar geestelijke belangen
ook op zich?"
"Onder mijne leiding, ja, Uwe Majesteit."
"Dan is deze belangrijke zaak aan goede handen toevertrouwd. Ik
zal mij het genoegen gunnen de interessante doopeling op dien grooten
feestdag een geschenk aan te bieden!"
En met een bevallig, vriendelijk handgebaar gaf de koningin aan de dames
te kennen, dat de zitting opgeheven was.