XII.
Inderdaad scheen
het boschmeisje zich na haar vlucht veel beter in de gevangenschap te
wennen.
Haar ervaringen des nachts in het bosch waren
[85:]
alles behalve van
aangenamen aard geweest.
Met het grootste geduld wijdde zich Simone aan hare opvoeding; elken
dag bracht zij uren bij haar door, haar woorden voorzeggend en de beteekenis
daarvan leerend. Zoo begon zij langzamerhand reeds een geheelen voorraad
woorden te kennen en men merkte, dat zij er pleizier in had, ze te herhalen.
Van de woorden liet Simone haar zinnen vormen en groot was haar vreugde,
als zij later het resultaat van haar goede lessen kon vertoonen aan
haar tante en de beide heeren.
't Was of het boschmeisje van Simone's tevredenheid genoot; als zij
haar meesteres vroolijk zag, begon zij ook in haar handen te klappen,
te dansen en allerlei pretgeluidjes te maken, - maar haar grootste belooning
was, als Simone en haar tante samen muziek maakten op de luit en daarbij
zongen; dan schitterden haar oogen, terwijl zij onbewegelijk zat te
luisteren.
Eens strekte zij haar hand uit naar het instrument. Simone reikte het
haar over, zij scheen in haar herinnering iets te zoeken, toen tastte
zij in de snaren en trachtte er een wijs uit te halen; men kon zien
dat zij haar geest geweld deed om er een oude herinnering aan te ontlokken,
maar het scheen haar niet te lukken, zij bracht slechts verwarde klanken
voort en vol spijt wierp zij de luit weg.
Den volgenden dag echter had zij weer het instrument in handen en toen
zij Simone zag, liep zij naar
[86:]
haar toe,gaf haar
de luit en zag haar daarbij smeekend aan.
Het meisje begon een zachte, lieve melodie te spelen; zij luisterde
aandachtig, als wilde zij de tonen indrinken en toen zij gedaan had,
nam het kind het speeltuig weer ter hand en trachtte dezelfde melodie
na te spelen, hetgeen haar ook tamelijk wel gelukte.
Niets kon haar vreugde beschrijven, toen zij haar eigen melodie hoorde;
telkens begon zij haar weer opnieuw te spelen en gaf door allerlei bewegingen
en kreten van vreugde te kennen, hoe verwonderd en gelukkig zij over
haar kunde was.
Men kon haar nu voortaan gerust in den huiselijken kring laten; zij
zat kalm bij het vuur, dat zij vooral na haar vlucht bijzonder scheen
te waardeeren, met het instrument op de knieën of wanneer de dames
vonden dat zij er genoeg op getokkeld had, begon Simone haar les te
geven in het praten.
Zij herhaalde haar de woorden, terwijl zij haar de voorwerpen aanwees
en zoo begon zij de dingen bij den naam te kennen, haar stem werd nu
ook menschelijker en minder rauw.
Alle dagen mocht zij naar het park gaan en hier gaf zij zich over aan
haren lust tot wilde lichaamsbeweging; zij vloog door de lanen, klom
in de boomen, rolde zich over het gras, maar kwam toch altijd weer in
het gastvrije huis terug en zag dan Simone smeekend aan, alsof zij van
haar eene goedkeuring verwachtte, die het jonge meisje haar dan ook
nooit onthield.
[87:]
Ondertusschen begon
de tijd te naderen voor de d'Armentières om het kasteel te verlaten
en naar Parijs terug te keeren, waar zij de wintermaanden gewoon waren
door te brengen.
Het was een zaak van het grootste gewicht om te beslissen, wat men met
het boschmeisje zoude doen.
"Wij nemen haar mede", zeide Diane, "dat spreekt!"
"O ja! Dat zou wat moois zijn", sprak de graaf tevreden. "Hier
is zij het, die u en Simone den geheelen dag bezig houdt, zoodat er
geen tijd voor iets anders overblijft en nu zou dat in Parijs ook weer
het geval zijn, waar wij aan het hof moeten verschijnen en veel uitgaan".
"Zij kan bij Lisette blijven, en Simone..."
"Simone moet aan het hof worden gepresenteerd; het is hoog tijd,
dat wij aan een passend huwelijk voor haar denken."
Diane glimlachte, maar zeide er niets op; zij had den echtgenoot voor
haar pleegdochter reeds uitgekozen. "Waar zoudt gij dan willen
dat zij hier bleef?" vroeg zij op den toon van eene onderdanige
vrouw, die haar eigen inzicht gaarne aan het veel wijzer oordeel van
haar man onderwerpt.
"Wel, op het kasteel of misschien bij Antoine den boschwachter
in huis. Die menschen hebben geen kinderen en zullen haar gaarne tegen
billijke vergoeding bij zich nemen."
Simone's oogen vulden zich met tranen; zij had
[88:]
het boschmeisje
lief gekregen en de gedachte, van haar te moeten scheiden, viel haar
hard.
"Laat mij met haar hier blijven," smeekte zij, "ik verlang
volstrekt niet naar Parijs, ik wil gaarne den winter hier doorbrengen
met de goede Lisette die zoo vol zorg voor ons is."
"Neen kind! Spreek daar niet van! Ik wil dat gij dit jaar uw intrede
aan het hof maakt en ook, dat gij tot uw bestemming komt!"
"Ach oom! Ik heb er volstrekt-geen haast mede, ik ben nog zoo jong,
pas zestien jaar en ik voel mij zoo gelukkig bij u en tante... "
"En bij je wilde vriendin! Neen, het wordt tijd dat er een einde
aan die dweperij komt. Wij vertrekken de volgende week!"
"En je wilt dus het boschmeisje niet mede nemen?" vroeg de
gravin verdrietig.
"Ik zie er het nut niet van in," antwoordde de graaf barsch.
Hij was niet kwaad, maar wat egoïstisch en werd niet graag in zijn
plannen of gewoonten gestoord door de belangen van anderen.
Hij vreesde altijd dat de genegenheid, die men anderen bewees, te kort
zou doen aan die, waarop hij meende recht te hebben.
De zaak was dus nog niet beslist, toen Raoul er onverwacht tusschen
kwam.
"Als gij er niets anders tegen hebt, waarde zwager, dan dat uw
dames te veel tijd zouden besteden aan het boschmeisje, kom ik u vriendelijk
verzoeken haar toch maar mee te nemen. Ik ben zeker dat
[89:]
mijn zuster en
de jonkvrouw alle maatregelen zullen treffen om door haar niet te worden
gehinderd in haar plichten en genoegens,"
"Zeker, dat beloof ik gaarne", verzekerde Diane met vuur,
"en Simone ook, dat weet ik zeker."
"O ja", haastte het meisje zich te zeggen, "daar kan
u op rekenen, ik wil alles doen, wat u verlangt, zelfs den man trouwen,
dien u voor mij uitkiest," voegde zij er schalks bij,
"En dat wilde schepsel moet dus met ons meegaan, op aller verzoek,"
zeide de graaf, die zijn goed humeur langzamerhand terugkreeg.
"Ik sta er op, zwager!" verklaarde Raoul beslist, "ik
wil het meisje in aanraking brengen met geleerden en reizigers, haar
allerlei voorwerpen uit vreemde landen laten zien in de hoop, dat zij
herinneringen bij haar opwekken en ons licht verschaffen over haar afkomst."
"Maar wij moeten ook ons best doen een christin van haar te maken,"
zeide de gravin, "het kind moet God leeren kennen; dit zal onze
eerste plicht moeten zijn zoodra zij eenig begrip krijgt van de wereld
en van de menschen."
"Dat zullen wij in Parijs ook het best kunnen bezorgen," meende
Raoul, "vóór alles is het dus noodzakelijk dat zij
ons vergezelt."
"Tegen zooveel duidelijk uitgesproken wenschen kan ik mij niet
verzetten en moet er mij dus bij neerleggen," zeide de graaf met
gemaakten ernst.