XX.
Het dessert was nog niet eens geheel en al gegeten - er bleven trouwens nog vruchten genoeg over aan de boomen - of de bel in het torentje riep de familie weer naar de eetzaal.
[117:]
"Alweer eten?"
vroeg Angeline met een uitdrukking, die de ooms recht grappig vonden,
want ze begonnen beiden hardop te lachen.
"Ja zeker, weer eten; dat is het leven van ons buitenmenschen;
werken en eten!"
"Van het werken ziet Angelientje niet veel!"
"Neen oom, maar u heeft zeker vacantie ter eere van mij."
"Juist, ter eere van jou! Geef mij een arm, Angeline!"
"Zoo, en mij ook een," vroeg oom Anton, "wij zullen het
goed samen vinden; in elk goed geregeld huishouden moet een vrouw des
huizes zijn. Weet je wat, Lientje, dat moet jij nu wezen."
"En nicht Mina dan?"
"Nicht Mina is de moeder en jij de dochter des huizes."
"Daarbij, nicht Mina is al zoo oud; zij kan wel onze grootmoeder
zijn!"
"Zie je mij dan voor zoo'n ouden vrijer aan, stoute meid? Hoe oud
ben ik denk je?"
"O oom, ouder dan papa!"
"Hoor eens aan, ouder dan papa!"
"Och, Jozef, Jozef, vlei je toch niet, dat je altijd jong blijft;
zie, je hoofd wordt steeds nieuwsgieriger en kijkt door je haren heen."
Oom Jozef streek met een komiek gezicht door zijn lokken, die werkelijk
dunner begonnen te worden en antwoordde toen: "Foei, foei Anton,
schaam je toch zoo iets te zeggen van je oudste broer, je witte haren
zouden er schande van spreken als je ze niet verfde!"
Nu was het de beurt van oom Anton om verlegen te worden.
"Kom, wat flauwe praatjes, niet waar Angelientje, je gelooft het
niet; ik. ben nog pas even dertig en dan al grijs haar!"
"Och beste Ton, je behoeft er niet beschaamd voor te zijn, 't is
geen oneer, tenminste als de wijsheid met hen gekomen is."
[118:]
"Dat is in
alle gevallen beter, dan dat ze met de oude haren wegvlucht."
Zoo kibbelend waren zij aan de linden gekomen, onder de schaduw waarvan
oom Karel zat te lezen.
Bij de nadering van het drietal ging hij hen tegemoet.
"Heeft het dessert goed gesmaakt, Lientje?" vroeg hij op zijn
gewon en vaderlijken toon, "de koffie wacht. Zie eens, ik heb een
brief ontvangen over jou."
"Over mij, oom? Van tante?"
"Och foei, laat die feeks vandaag toch rusten!" bromde oom
Jozef.
"Laat ze fluiten," raadde oom Anton, "wij geven ons nichtje
niet meer af," en oom Karel wandelde met het meisje wat verder
op.
"Daar vraagt ze ook niet naar. In hoofdzaak komt de heele geschiedenis
neer op hetgeen je verteld hebt; tante is erg bedroefd over het voorgevallene,
en vooral daar zij vast er van overtuigd is dat door je toedoen Dolf
gevlucht is."
"En gelooft u dat ook, oom?"
"Wel neen, zeker niet, als je mij het tegendeel verzekert. Heeft
tante je ooit op een onwaarheid betrapt?"
"Oom," en Angeline die vertrouwelijk aan zijn arm hing, legde
haar mondje aan zijn oor, "vroeger was het mijn grootste gebrek
kleine leugens te zeggen en dit deed mama groot verdriet, maar in de
laatste jaren deed ik het nooit meer en aan mama's sterfbed heb ik twee
beloften gedaan, de eene was nooit meer te liegen en de andere om voor
Dolf een liefhebbende zuster te zijn, en ik heb mijn best gedaan beide
beloften te vervullen."
"Weet tante dat?" vroeg oom, die zijn ontroering trachtte
te verbergen.
"Neen oom, ik kan niet met haar over mama spreken! 't Is of mijn
tong dan stijf wordt."
"Je bent een braaf kind, Angeline, en ik zal tante schrijven dat
ik je voor onschuldig houd!"
[119:]
"Maar laat
me niet naar de stad terugkeeren, oom! Ik ben hier zoo gaarne!"
"Wees maar gerust, kindlief, we zullen je niet zoo spoedig laten
vertrekken."
"En schrijft u nu ook over Dolf, oom; als ik maar weet, dat hij
in veiligheid is, dan zal ik pas gerust zijn."
"Nog vanavond zal ik het doen!"
Zij keerden tot het gezelschap terug, dat hen onder de boom en wachtte,
waar op een tuintafel koffie gereed stond met krentebrood en gebak.
De ooms aten weer met evenveel eetlust als hadden zij zoo straks geen
eer aan het middagmaal gedaan. Toen het koffiedrinken afgeloopen was,
vroegen zij Angeline, of zij een wandeling door het bosch wilde doen,
maar eerst de paarden en de koeien zien.
Zij was er natuurlijk dadelijk toe bereid en had den grootsten schik
in het vee, dat in de nette groote stallen stond; nicht Mina riep ook
haar aandacht in voor hare mooie kippen en eenden.
"'t Is of ik weer te Batavia ben," riep Angeline in verrukking,
"daar hadden wij ook zooveel dieren!"
Zij had in alles pleizier en scheen nu even vroolijk en opgewonden als
zij 's morgens treurig en neerslachtig was geweest. Nog nooit was een
dag voor haar zoo akelig begonnen en zoo blijde geëindigd.
De wandeling in het bosch was ook aanlokkelijk genoeg; er waren zulke
mooie plekjes.
"Hoe prettig daar te studeeren," riep zij in blijdschap uit.
"Denk maar niet aan studeeren," pruttelde oom Jozef, die er
niet bijzonder van hield.
"Ja oom, ik moet er toch al spoedig mee beginnen, want anders raak
ik te veel achterop."
"Bah, wat een wijsheid. Heb je ook al grijs haar!"
"We zullen haar in den kost doen bij juffrouw Griets," zei
oom Anton, waarop oom Jozef en zelfs oom Karel begonnen te lachen.
[120:]
"Wie is dat,
juffrouw Griets?"
"De juffrouw Pretz van Koningsbosch; morgen koopen we een lei en
griffels en gaan er met jou heen!"
"Foei oom, ik schrijf niet meer op de lei!"
Zoo lachend en schertsend wandelde men zonder het te merken wel twee
uur lang en kwam tegen het vallen van den avond in het dorp terug; daar
zaten de huismoeders te breien voor de deuren en de mannen rookten hun
pijpje; eenigen groetten het gezelschap, anderen maakten een praatje
en vroegen of dat nu het nieuwe nichtje uit de stad was.
Zij kwamen voorbij een schuur en oom Karel zeide:
"Dat is nu de school van juffrouw Griets. Ha, daar gaat ze juist
uit."
Een dozijn jongens en meisjes van zes tot tien jaar, met een lei onder
den arm of een breikous in de hand kwamen uit de deur en oom Jozef sprak:
"Daar wil oom Anton je nu in de leer doen!"
"Foei, oom, ik geloof dat ik hun meesteres zou kunnen zijn."
Een lange vrouw, half als boerin, half als stadsjuffer gekleed, zag
het kuddetje na; in haar hand hield ze nog een rottinkje.
"Hebben ze vandaag daar al mee gehad?" vroeg oom Anton.
"Neen mijnheer," was het antwoord op deftigen toon gegeven,
"mijn systeem is nooit of nimmer de mij toevertrouwde kinderen
een lichamelijke kastijding toe te dienen."
"En waar dient dat stokje voor?"
"Tot vermeerdering der aardrijkskundige kennis mijner lieve kleinen."
"Kan u deze jonge juffrouw niet een plaats geven op uw instituut?"
"Zeker mijnheer, zeker, mits ik een duidelijk inzicht ontvang van
de vorderingen en den staat van kennis onzer jeugdige pupil."
[121:]
"Daar zal
het niet aan ontbreken, maar ik geloof dat de jonge dame liever secondante
dan leerlinge bij u wil zijn."
"Een secondante! Daarvan heb ik treurige ondervinding genoeg. Willen
de heeren en de jonge dame eens binnen komen, dan zal ik hun eens vertellen,
wat mijn laatste secondante mij heeft doen lijden."
"Dank je, juffrouw, dank je; een volgenden keer liever, goeden
nacht!"
"Jozef, Jozef," plaagde oom Karel, "je kunt Euphrasia
Griets niet langs komen zonder een kwartier bij haar te verpraten."
En oom Anton fluisterde Angeline in dat zij spoedig ruim in de gelegenheid
zou zijn van de lessen der juffrouw te profiteeren, daar zij op het
punt stond hare tante te worden.
Zij begon hard te lachen en riep:
"Neen, oom Jozef, dat moet u niet doen; ik wil zoo'n tante niet."
"Dat moet je tegen mij niet zeggen, kind, maar oom Anton, die recommandeert
haar instituut, overal waar hij het kan."
"Dat komt uit broederlijke sympathie en anders niet."
"Angeline heeft genoeg aan één tante? Niet waar poesje?
Ze wil het nu maar eens probeeren met de ooms?"
"Daar zal het wel goed mee gaan," antwoordde zij opgewekt,
en weinige oogenblikken later waren zij in het kasteel terug, waar nicht
Mina weer wachtte bij een goed voorzienen avonddisch, die Angeline nu
echter na de groote wandeling recht welkom was.
Maar reeds onder het eten vielen haar oogen toe en de ooms drongen er
op aan, dat zij naar bed zou gaan. Nicht Mina bracht haar naar boven
en liet haar na een hartelijken nachtkus alleén en nu was het
Angeline's eerste werk aan de behoefte van haar hart te voldoen en Onzen
Lieven Heer te danken voor de veilige schuilplaats, die Hij haar, arme
verlatene, geschonken had, waar zij zich
[122:]
nu reeds zoo thuis gevoelde, maar een nog vuriger gebed voegde zij er bij voor haar armen broeder, die wellicht nog rondzwierf zonder huis of dak.