XIX.
De
weg naar Koningsbosch was zeer landelijk en soms zelfs schilderachtig;
Angeline, die nog zoo weinig van het Hollandsche landschap gezien had,
genoot ervan,en het scheen, dat er niets van haar treurige stemming
in den wagon was overgebleven.
De ooms vermaakten zich met hare domheid; zij wist geen tarwe- van een
rogge-, geen klaver- van een aardappel of boekweitveld te onderscheiden;
dan moest zij vertellen hoe of het er in de Oost uitzag; of wel van
Dolf's onaangenaamheden met zijne tante, van hunne wandelingen, die
natuurlijk zeer zeldzaam waren en toen vroeg oom Karel of zij zich nog
iets van oom Anton kon herinneren, die toch ook in de Oost geweest was
en nu kwam een flauwe herinnering in Angeline's geest op.
"Als soldaat?" vroeg zij.
"Vraag hem dat niet!" lachte oom Jozef luid, "foei, foei,
wat zou je hem beleedigen. Neen, als onderofficier, hij is te Batavia
dikwijls bij jelui aan huis geweest, maar toen was je nog een klein
ding van zes of zeven jaren."
"O ja, en hij leerde me allerlei kunstjes met de kaarten, maar
ik was toen nog jonger, oom!"
"Hij was op de Militaire school te Meester, Meeste Gerrit of...
Jacob... ik wil er van af zijn."
"Meester Cornelis."
"Juist, dat is het. Hij zou officier geworden zijn, maar hij werd
ziek of was een beetje lui en kwam in Holland terug en speelt nu zoo
wat den grooten mijnheer bij ons op het dorp."
"Ken je nog maleisch, Lientje?"
[111:]
"Ja,
oom, nog zeer goed!
"Dan kunnen jullie ons samen verraden en verkoopen. Oom Anton kan
het ook nog en wij verstaan er niets van."
"Dat zal ik niet doen, oom, maar ik ben toch blij dat ik weer eens
maleisch zal kunnen hooren en kunnen spreken."
"Ik versta het ook," zei oom Jozef, "kassie api Sidin"
en "tabé nonna."
Bij een kromming van den weg, riep iemand den koetsier onverwacht toe
om stil te houden, en oom Jozef, zich naar buiten buigend, lachte vroolijk.
"Daar heb je den javaanschen oom. Tabé toewan!"
Een oogenblik later zag ook Angelientje een heer, wiens uiterlijk veel
jonger en wiens kleeding veel nieuwmodischer en netter was dan die der
beide andere ooms, naar het portier komen en ook bij hen in het rijtuig
springen.
"Het klaverblad is compleet, of liever, we zijn een klaverviertje
geworden," schertste oom Jozef, terwijl oom Anton zijn nichtje
hartelijk begroette en naast haar ging zitten.
Intusschen reed het rijtuig voort en Angelientje had druk werk om alle
drie heeren tegelijk te woord te staan.
Nog vóórdat de kerktoren van Koningsbosch in het gezicht
was, had Angelientje reeds tot zich zelf gezegd, dat zij het meest van
allen zeker van oom Karel zou houden. Hij geleek het meest op haar vader
en hoe vriendelijk en hartelijk hij ook was, hij scheen niet zoo uitgelaten
als oom Jozef en niet zoo fatterig als oom Anton.
"Rijden we door het dorp, heeren?" vroeg Gijs.
"Wel zeker," riep oom Jozef, "ik wil mijn nichtje gaarne
aan onze dorpsgenooten laten zien. Zij is het bezien wel waard vind
je ook niet, Ton?"
"O zeker, wat dat betreft; maar alle boerinnen spitsen er zich
op ons rijtuig voorbij te zien rijden. Het zal een verschrikkelijk geloop
en gekijk zijn om die juffer uit de stad te monsteren."
[112:]
"Hoe
weten ze dan dat ik vandaag kom?"
"Ja, dat wisten ze gisteravond al."
"Och uit de sociëteit verspreiden zich zulke geruchten heel
gauw," en oom Jozef wierp een knipoogje naar zijn jongste broer.
"Denk je misschien dat het van mij komt? Beste Jozef, niet voor
niet stond je gisteren een half uur lang voor het huis van Jan den barbier
te praten."
"Weet je wat," kwam oom Karel er tusschen, "ik geloof
dat het hier de oude historie is van den pot, die den ketel zijn zwartheid
verwijt, maar nu, het dorp in of niet?"
"Ja," riep oom Jozef.
"Neen," oom Anton.
"Laat Angelientje beslissen," vroeg oom Karel.
"Nonna, djangan!" [Jongejuffrouw, niet doen!] raadde oom Anton.
"Zie je wel, nu begint het al!" plaagde oom Jozef.
Angeline nam een moedig besluit en zeide lachend:
"Het dorp door!"
"Ha, wat helpt je nu dat maleisch!" riep oom Jozef triomfantelijk,
"kom Gijs recht door!"
Het bleek, dat Anton's voorstellingen zeer overdreven waren; behalve
een vrouw, die voor de deur stond of kinderen die naar school gingen,
lette niemand op het voorbijrijden van het wagentje dat ook zoo snel
langs de huizen vloog, dat de bewoners den tijd niet hadden het na te
kijken.
In vijf minuten was men reeds buiten het dorp en de weg ging weder door
het veld en vervolgens door een fraai bosch, met veel schaduwen verrukkelijke
plekjes.
"Wat is het hier heerlijk!" riep Angeline, "en wat ruikt
het lekker onder die boomen."
"Ennak sekali" [Heel lekker.] bevestigde oom Anton, die volstrekt
niet geraakt scheen, omdat het nichtje hem zijn zin niet had willen
geven.
[113:]
"Nu
nog vijf minuten en we zijn op ons kasteel!"
"Een kasteel, oom Jozef?"
"Wel zeker een kasteel, zooals dat van de schoone slaapster, maar
zonder slapers en feeën."
"En met een vierkanten toren; anders was het een gewoon boerenhuis."
"Kom Karel, waar dient het toe onze stadsnicht met minachting te
doen neerzien op ons slot. Wanneer het nu nog tante was. A la bonne
heure!"
"Nu Angeline, oordeel zelf, zie je daar niet tusschen het geboomte
een vergulden haan. Nu die staat op onzen toren."
"Maar oom, dat is toch zeker een slottoren, zooals in de verhalen
van Schmidt voorkomt, met een ophaalbrug en een gracht?"
"De brug is er en de gracht is een beek, maar aan ophalen wordt
niet meer gedaan. Ga hier zitten kind, dan kun je het zien."
"Op eenigen afstand van het bosch, aan de overzijde van een frisch
groen weiland, stond een huis in roode steenen opgetrokken; men zag
echter nog niets van het eigenlijke hoofdgebouw, want vlak tegenover
het bruggetje, waarvan oom Karel gesproken had, stond een poort, midden
in een hoogen muur aangebracht. Deze werd bij de nadering van het rijtuig
geopend en men reed op een binnenplaats; links bevonden zich de stallen,
rechts de schuren en daar tegenover een oude gevel, waarboven het torentje
met zijn windwijzer uitstak.
"Is het nu een kasteel of niet?" vroeg oom Jozef.
"Ja oom, het is een kasteel," antwoordde het meisje en sprong
vroolijk uit het wagentje. Nog vóórdat zij goed en wel
op den grond stond, kwam een oude eenvoudig gekleede dame op haar toe
en omhelsde haar recht hartelijk.
"Ken je mij niet meer?" vroeg zij, "ik ben nicht Mina!
Welkom in ons huis, Angelientje!"
"Ach nicht, ik ben zoo gelukkig, bij u te zijn," fluisterde
[114:]
Angelientje
den groet der vriendelijke oude vrouw beantwoordend.
"En gaan we haast eten nicht?" vroeg Anton; "deze heeren
hebben het hunne gehad, maar ik at nog niets sedert het ontbijt."
"We wachten alleen op uw aankomst, maar wil Angelientje niet eerst
wat uitrusten?"
"Och, zij is zeker erg moe; ga even met mij mee kindlief, ik zal
je naar je slaapkamer brengen; ze is wat groot en ongezellig, maar toch
frisch en vlak naast de mijne."
Aan de hand van de goedhartige nicht ging Angelientje door het groote,
koele voorhuis, waar de oude wetsche trap naar boven leidde, en waarvan
de vloer met zwarte vierkante steenen geplaveid was; er stonden groote
tobben met laurier- en oleanderboomen langs de muren en er heerschte
een aangenaam half donker in het vertrek.
Nicht Mina ging Angelientje voor, de gang door en maakte toen een deur
open, die toegang verleende tot een ruime, luchtige kamer, eenvoudig
maar netjes en kraakzindelijk gemeubeld.
De ramen stonden wijd open en gaven een fraai gezicht op een grooten
lommerrijken tuin en verder op weiden en akkers, in het verschiet een
bosch, dat zich over een groot, glooiend terrein uitstrekte.
"Wat is het hier toch vroolijk en frisch! Hoe heel anders dan in
de stad."
"Daar zal het wel veel netter en deftiger zijn," sprak nicht
Mina, "maar we doen hier wat we kunnen en ik hoop, beste meid,
dat het je niet erg zal tegenvallen."
"Mij tegenvallen? Och lieve nicht, wat mij zoo teleurstelde, was
het kamertje, dat ik in de stad kreeg, zoo groot als dit ledikant en
wanneer men naar buiten zag, dan was er niets te zien dan daken en een
stukje hemel zoo groot als de tafel."
"Nu nu!" zei nicht zeer gevleid, "als het je maar bevalt.
Houd je van bloemen?"
[115:]
"Zeer
veel, nicht, in Batavia had ik een eigen tuintje, waarin ik zelf spitten
en harken mocht."
"Dat kan je hier ook krijgen; ik heb op de vensterbank twee potjes
met réseda geplaatst; die bloemen ruiken zoo heerlijk, maar 's
avonds moet je ze niet binnen houden. Bloemen in de slaapkamer zijn
ongezond.
"Heeft u veel mooie bloemen in den tuin nicht?"
"Dat gaat nogal; kom maar eens kijken: verderop is de moestuin,
maar dat is mijn liefhebberij, daar staan mijn lievelingsbloemetjes.
Och, hoor die etensbel eens gaan, we moeten ons haasten, Angelientje;
oom Anton heeft honger."
De eetkamer scheen onder Angeline's kamer gelegen te zijn. Ze was even
groot, maar had in plaats van ramen, groote glazen deuren, die tot den
tuin toegang gaven. Een rij gesnoeide linden, waarvan de takken in elkander
gegroeid waren, gaf een aangename schaduw in het vertrek; daaronder
stonden eenige banken, waarop het zeer koel zitten was.
De tafel zag er smakelijk uit; de borden waren wel niet van het fijnste
porcelein, maar toch evenals het tafellaken glanzend wit en de dampende
soep vervulde het vertrek met een heerlijken geur.
De ooms en nicht Mina zetten zich neer; Angelientje moest tusschen oom
Karel en nicht plaats nemen. Niettegenstaande zij pas zoo goed had gegeten,
liet het meisje zich de landelijke kost best smaken.
Vooral de lekkere rijstenbrij, die na de hutspot op tafel kwam, had
veel van haar te lijden.
"Ik dacht wel," zeide nicht, "dat het oostersche nichtje
veel van die rijst zou houden."
"Kom," sprak oom Anton, "dat heeft niets van oostersche
nassie, niet waar Lientje?"
"En toch houdt u uw bord nog eens bij, oom?"
"Nu ja, bij gebrek aan beter... maar ik kan onze dierbare nicht
maar niet leeten, echte goede rijst te koken, dat schijnt haar onmogelijk.
Kan jij het niet, Angeline?"
[116:]
"Ik
weet het niet oom, ik heb in Batavia wel eens keukentje gespeeld, maar
of ik het werkelijk kan, daar vrees ik voor."
"Nu, je moet het maar eens probeeren," zeide nicht Mina, "want
ik zou het graag eens willen doen. Dan heeft zijn arme ziel een weinig
rust. Alle dagen plaagt hij er mij om."
"En nu het dessert dat mag het nichtje zelf in den tuin gaan halen,"
sprak oom Karel.
Dat was me een pleizier. De ooms schudden aan de boom en en er viel
een regen van abrikozen en pruimen neer.
"Vind je de Hollandsche vruchten niet lekkerder dan de oostersche?"
vroeg oom Jozef nu.
"Lekkerder niet, oom, maar toch ook heel lekker."
"Dat zeg ik altijd," beweerde oom Anton, "wat beteekenen
de vruchten hier naast de manga's en magistans en ananassen."
"Ananassen hebben we ook; kom maar eens mee in de broeikassen;
daar zijn ook allang rijpe druiven."
Zoo'n dessert als dit, had Angelientje nog nooit gegeproefd en nicht
Mina werd er zelfs ongerust over.
"Je laat het kind te veel vruchten eten," zeide zij, "ze
is dat niet gewoon in de stad."
Neen, gewoon was Angelientje het zeker niet, want bij tante kwamen er
slechts vier of vijf appeltjes of peertjes op tafel, en daar Lucie bijna
niets anders at dan vruchten, liet Angeline haar gaarne haar eigen aandeel
over.