[126:] XI.
Terwijl men dus
in het huis der Dorpers zoo in angst en zorg verkeerde om het verdwenen
knaapje, zwierf hij ver van hen in de wildernissen van Java rond.
Den eersten nacht had hij geloopen tot hij niet meer kon; zijn voeten
waren nog niet vereelt zooals die van de Javanen en deden hem dus vreeselijk
pijn.
Hij legde zich in het gras langs den weg te slapen en was spoedig ingedommeld;
toen hij bij het eerste gloren van den dag wakker werd, voelde hij echter
hevig geprikkel op zijn gezicht, zijn handen en beenen door het steken
der muggen en andere insecten.
Hij stond op en begon verder te loopen; 't was
[127:]
een heerlijke ochtend.
Door zijn kompas zocht hij de richting naar Cheribon te bepalen. Hij
vermeed echter den grooten weg en de europeesche huizen, want veel vertrouwen
had hij niet in zijn vermomming.
Alles was nog frisch en koel; de dauw schitterde op de bladeren en op
het gras; hij vond het een genot, de opwekkende morgenlucht in te ademen;
als die voeten maar niet zoo'n pijn deden! Had hij zijn schoenen maar
aangehouden en niet in den grond gestopt - er waren toch ook Javanen,
die niet op bloote voeten liepen.
Hij plukte pisangbladen en legde ze op de doorgeloopen plekken, dat
gaf eenige verlichting en moedig begaf hij zich in de bosschen - hij
kwam aan een dessa (Javaansch dorp); de bewoners waren reeds op, vrouwen
en kinderen gingen naar de rivier om zich te baden. Hij voelde zich
hongerig en zocht een warong (gaarkeuken) om daar eten te koop en -
met zijn geld moest hij zuinig zijn, hij had veel minder bij zich dan
toen hij uit Banveld vluchtte - maar
[128:]
hier was het goedkoop,
met een dubbeltje kon je al ver komen.
Plots stond hij voor een huis, dat er tamelijk europeesch uitzag; het
was in steen opgetrokken en midden in een tuin gelegen, groote klapperboomen
verhieven zich in de nabijheid.
Duidelijk zag hij in de voorgalerij hollandsche kinderen spelen, haastig
liep hij weg, maar tot zijn schrik merkte hij dat hij zich nog op het
erf bevond, dat niet afgesloten was van den grooten weg. Onverwacht
naderde hij de bijgebouwen van zeer nabij.
Een knarsend geluid trof zijn oor, een javaansche jongen was aan het
messen slijpen. Deze kreeg hem in het oog.
- Wat moet je hier doen? snauwde hij hem in het Maleisch toe.
Bedremmeld wist Philip niet dadelijk te antwoorden, en de andere herhaalde
zijn vraag:
"Tjari warong!" (Ik zoek een gaarkeuken) antwoordde Philip.
[129:]
- Nu, hier is geen
warong, dan moet je daar zijn.
En hij wees hem over den schouder naar een richting, die Philip zich
haastte in te slaan, na eerst een "Trima kassi" (dank u) te
hebben gestameld.
De bedienden keken hem na, zij vertrouwden hem blijkbaar niet erg; een
javaansch jongetje, zoon van een der mannen, volgde hem van verre, hij
zag hoe Philip weifelde en juist den verkeerden weg insloeg.
Toen liep de jongen op hem af en zeide, dat als hij een warong zocht,
deze daar ginds te vinden was.
Achterdochtig keek hij naar de eigenaardige kleur van Philip's gelaat
en liep met hem mee tot aan het keukentje in de open lucht, waar een
oude javaansche vrouw als koopvrouw troonde.
Voor een paar centen kocht Philip wat rijst in een pisangblad met sambal
en een stukje dendeng (Gedroogd vleesch.) waar bij hij een kopje koffie
zonder melk, maar met javaansche suiker, dronk. Het Javaantje staarde
hem onophoudelijk met zijn groote oogen aan, terwijl hij
[130:]
aan het eten was.
Philip werd er onaangenaam door gestemd en zoodra hij zich voldoende
versterkt voelde, zette hij 't op een loopen en was weldra ver van het
steenen huis verwijderd.
Hij ging nu langs de sawahs (rijstvelden). In de vlakte, tegenover hem,
strekte zich een dicht bosch uit, de zon stak hem met haar stralen als
gloeiende pijlen op het hoofd. Philip, die niet van jongs af aan de
oostersche hitte gewend was, kon het haast niet uithouden; hij sleepte
zich voort tot aan het bosch, kroop in het groen en besloot hier te
blijven tot den avond.
Toen hij zoo eenzaam in de schaduw gedoken zat, terwijl de muggen en
andere insecten om hem heen gonsden en hij op den grond telkens allerlei
akelige dieren, padden, rupsen, hagedissen en zelfs slangen ontdekte,
overviel hem even als toen in het ruim van de stoomboot angst en twijfel
over hetgeen hij begonnen was. Zoo ging het altijd met hem.
Wanneer hij zich iets had voorgenomen leek het
[131:]
hem van te voren
niets moeilijk; alles zou wel goed terechtkomen. Na zijn goed gelukten
overtocht van Europa hierheen, scheen 't hem kinderspel zijn tante te
vinden.
Op Cheribon was zij zeker wel bekend; hij zou het vragen aan het postkantoor
of aan den resident, en al duurde de reis ook nog dagen, wat kwam dit
er op aan?
Hij had den tijd en kon best loopen, maar nu begon hij in te zien hoe
lastig het voetreizen op Java was, vooral wanneer hij de groote wegen
wilde vermijden.
Ook het schuilen in de bosschen hielp al niet veel.
Hoe had hij kunnen vermoeden daar een eenzaam huis te vinden door Hollanders
bewoond? Neen, dan maar weer den grooten weg langs.
Hij schikte zich een plaatsje tusschen de dorre bladeren, van waar hij
alle griezelige dieren verdreef en trachtte een middagslaapje te doen
maar het wilde niet. Hij voelde zijn maagje opnieuw en was bovendien
te angstig voor den beet van gevaarlijke
[132:]
insecten of slangen
om rustig in te kunnen dommelen.
Zoodra het koeler werd, begon hij zijn wandeling weer en trachtte op
den grooten weg terug te komen, maar dit bleek zoo gemakkelijk niet.
Hij voelde, dat hij steeds meer en meer afdwaalde, de nacht viel in;
nergens zag hij een spoor van menschelijk leven, nergens hoorde hij
iets anders dan het akelig geroep der nachtvogels of wel heel ver het
gejank van den jakhals en vlak bij het gezoem der insekten.
Hij werd hoe langer hoe angstiger te moede.
Daar verbeeldde hij zich het gebrul te hooren van een tijger.
Toen verkilde alles in hem, hij begon te beven en te klappertanden van
schrik.
- God, God! sta mij bij! O, wat ben ik begonnen! Radeloos zette hij
het op een loopen, maar struikelde over een boomstam; rondom hem leek
het een onuitwarbaar gestrengel van struiken, lianen, klimop.
[133:]
Doornen staken
hem van alle kanten, scheurden zijn kleederen, hij voelde zich zoo verlaten,
zoo klein en nietig in den ruigen woestijn van het tropische woud.
Er was niets aan te doen, hij zou hier moeten sterven, 't zij van honger
en dorst, of van een slangenbeet, erger nog, verscheurd door den tijger.
Hij begon bitter te huilen en dacht vol verlangen aan het gastvrije
huis der Dorpers, zooals hij vroeger aan dat der Pietersen had gedacht.
Hoe lief en hartelijk was mevrouw niet voor hem geweest, zijn tante
had niet liefdevoller kunnen zijn en hoe ondankbaar handelde hij tegenover
hen door weer te vluchten.
Neen! hij verdiende niet gered te worden. Zelf had hij zich zijn treurig
lot op den hals gehaald.
De straf moest hij dragen, hij klampte zich aan een boomstam vast met
zijn doorwonde vingertjes; als de tijger naderde wilde hij er in klimmen,
dan zou hij er misschien de kracht toe hebben, nu echter voelde hij
zich wee van den honger, zwak en lam.
[134:]
Evenals toen in
't scheepsruim zag hij niets dan den dood tegemoet.
- Ach Heer! bad hij - laat mij dan in den hemel komen, bij vader en
moeder!
Hij sloot de oogen, maar spitste zijn ooren of hij het gebrul van het
ondier niet meer hoorde. - Ja toch! neen, dat was iets anders.
Het zware rollen van wielen kon hij duidelijk onderscheiden. Dat gaf
hem een weinig moed en nieuwe kracht terug.
Hij baande zich een weg door de wilde struiken, zijn hoofddoek viel
af, hij liet hem liggen en keerde terug in de richting van waar hij
gekomen was.
Het geratel der wielen scheen dichter bij; hij snelde voort, door de
sawahs (rijstvelden) zijn voeten waadden door het water en door het
slik.
Soms gleed hij uit en viel, maar dadelijk richtte hij zich op, daar
waren menschen, daar was redding!
Daarheen moest hij gaan!
En eindelijk zag hij een licht, hij wrong zich
[135:]
vooruit, door dicht
struikgewas. - Goddank! daar was een landweg, waarover zwaar en moeilijk
een met karbouwen bespande kar zich voortbewoog.
- Ampoen! (vergeving) riep hij tot den Javaan, die naast de kar liep
en met een stok de dieren aanzette, help mij! Ik ga dood
De man zag verbaasd het kind aan, dat er zoo haveloos uitzag.
- Waar kom je vandaan? vroeg hij.
- Ik ben verdwaald. Neem mij mee naar huis en geef mij eten. Ik heb
geld.
De man pakte hem beet en zette hem op de ledige kar; zoo uitgeput was
Philip dat hij ineengedoken dadelijk, ondanks het schokken van het gevaarte,
in slaap viel.
't Was nog niet laat in den avond, de man had een vracht hout naar de
stad gebracht en keerde nu naar zijn kampong terug.
Zoodra hij bij zijn huis aangekomen was, tilde hij het slapende kind
uit de kar en zette hem op den
[136:]
grond. Slaapdronken
keek Philip rondom zich.
- Mana Matjan? [Waar is de tijger?] vroeg hij angstig.
De Javaan lachte.
- Hier zijn geen tijgers! Kom maar mee!
Een oogenblik later trad hij in het huis van zijn redder; bij een flauw
flikkerend olielampje zag hij javaansche vrouwen en kinderen bij elkander
zitten; de vrouwen dronken koffie of voerden de kleinen, een was aan
't wasschen.
Gezellig lag het er alles behalve uit, maar Philip vond het er heerlijker
dan in het mooiste salon; hij was nu ten minste veilig voor den nacht.
- Astaga! riep een der vrouwen, wat is dat voor een vreemde jongen?
De karvoerder vertelde hoe hij hem onderweg had opgepikt.
- Maar 't is een Sinjo blanda! een hollandsche jongen, zei de vrouw,
toen zij hem goed had opgenomen.
[137:]
Philip had geen
lust meer te ontkennen.
- Ja, antwoordde hij, ik ben een Sinjo blanda en ik wilde naar Cheribon
loopen, maar ik ken den weg niet, en nu wil ik terug naar Buitenzorg.
Is dat ver van hier?
- Wel neen! Wij zijn hier in Buitenzorg, nog geen vier paal van het
huis van den Toewan Besaar - [den grooten Heer.]
Philip begreep nu, dat hij sints gisteravond in een kringetje had rondgeloopen
en nog niets verder was gevorderd op zijn weg.
De menschen gaven hem rijst met gedroogde visch; hij at gretig en herinnerde
zich niet ooit zoo iets lekkers te hebben geproefd. Toen wezen zij hem
een baleh-baleh [Rustbank] aan, waarop hij zijn moede leden kon uitstrekken.
Als in een droom hoorde hij den karreman, die op de bank zat, aan de
vrouwen vertellen, hoe zij den volgenden dag den jongen zouden wegbrengen
naar Bogor (Buitenzorg) want
[138:]
zoo'n kind behoorde
thuis bij zijn ouders. De klanken verdoften hoe langer, hoe meer; weldra
hoorde hij niets en viel in een vasten, droomloozen slaap.
Den volgenden morgen werd hij wakker door het geschreeuw der kinderen,
door het kakelen der kippen en door het stampen van rijst in de blokken;
hij sprong op en had een poos noodig om zijn gedachten te verzamelen.
Het vooruitzicht verder door de bosschen te waden, vervulde hem met
angst en schrik. Hij had maar een verlangen, terug te keeren naar zijn
goede gastvrouw, naar mevrouw Dorpers, maar zijn voeten waren te gezwollen
om te loopen.
Hij waschte zich, nu goed schoon en na met wat ketan en goela djawa
[Een soort rijst en javaansche suiker] en eenige pisangs ontbeten te
hebben, vroeg hij Kromo, zoo heette de man, die hem had opgenomen, naar
de stad te gaan toewan Dorpers op te zoeken, en hem te zeggen dat Sinjo
Philip zich in zijn huis bevond.
[139:]
Met een paar guldens
uit zijn kleinen schat, legde hij gewicht bij aan zijn verzoek en de
man haastte zich weg.
Bij de familie Dorpers bevond men zich nog steeds in de grootste verslagenheid.
Tante Rose had evenmin als mevrouw Dorpers dien nacht een oog gesloten
en reeds vroeg in den morgen gingen de heeren op weg om hun nasporingen
voort te zetten.
Verdrietig zaten de dames in de binnengalerij en mevrouw Dorpers werd
niet moede Philip's tante te vertellen van haar neefje, hoe aardig,
gezellig en verstandig hij was en hoe hij slechts één
verlangen had gekend na zijn vaders dood, de zuster van zijn moeder
op te zoeken.
Alles wat zij hoorde, droeg er toe bij het verdriet en den spijt van
mevrouw Jacobs te vermeerderen en haar nog gevoeliger te maken voor
zijn verlies.
- Hij is zeker uitgegaan om u te zoeken. 't Was
[140:]
niet verstandig
van mijn man hem te dreigen met terugzending naar Holland. Dat heeft
hem zeker doen vluchten. Als Ali nu maar spreken wou, ik weet zeker,
dat hij op de hoogte is. De jongens waren den laatsten tijd zoo veel
samen.
Daar zagen zij den heer Dorpers hard naar het huis toe loopen, achter
hem volgde Philip's oom met een inlander.
- Er is bericht, riep mevrouw Jacobs en stond ijlings op om hen tegemoet
te gaan.
- Philip is terecht, riep mijnheer Dorpers blijde toe.
- En ongedeerd? vroeg zijn tante angstig.
- Een beetje vermoeid en ontredderd misschien, maar hij leeft en is
gezond, wij zullen hem afhalen en dan kan hij heel gauw hier zijn.
Kromo, nader gekomen, vertelde nu aan de zoo verheugde dames van zijn
ontmoeting gisteravond met den verdwaalden jongen, die den nacht in
zijn woning had doorgebracht, van zijn verhaal van dezen
[141:]
ochtend en zijn
verzoek de familie Dorpers te waarschuwen en te verzoeken hem af te
halen.
Vol belangstelling luisterden de dames naar zijn verslag en tante Rose
riep opgewonden uit:
- Laat ons dadelijk gaan, Willem! Die arme, arme jongen! Hij is genoeg
gestraft en u moet hem geen standje maken, mijnheer Dorpers. Laat u
gauw een rijtuig komen?
Maar het was niet noodig. Daar reed een wagentje het erf op, de loerah
(burgemeester) van het dorp had van het voorval gehoord en bood den
Sinjo aan dadelijk naar zijn tehuis te rijden. Philip wenschte in zijn
ongeduld niets liever en zoo kwam hij, door het aardige javaansche paardje
voortgetrokken, terwijl de loerah naast hem zat en diens zoon mende,
in de woning terug, die hij zoo onnadenkend had verlaten.
Met een vreugdekreet stormde mevrouw Jacobs op haar neef aan, die door
den loerah uit het rijtuigje werd getild.
[142:]
Hij zag haar in
het gelaat, toen trof hem haar sprekende gelijkenis met zijn moeder.
- Mama, jubelde hij en viel haar snikkend om den hals.
Philip Stuvinga had zijn doel bereikt en een tweede moeder weer gevonden.