[9:] HOOFDSTUK I.
D e V r o u w.
"Hoezee! vader
komt terug. Nu zit er toch wel een fiets op," roept Leo, opgetogen,
uit.
"Maar daarom zit jij er nog niet op, ventje," plaagt zijn
vijf jaar oudere broer, die reeds op de kadettenschool te Alkmaar is.
"Ik kom er toch eerder op dan jij op je paard!" klinkt het
spottend. 't Ventje heeft zich meesterlijk, zoo niet ridderlijk, gewroken;
't is Albert's groot verdriet, dat hij infanterist zal moeten worden
omdat het bij de bereden wapens te duur "dienen" is. Zijn
droom, van af zijn kleinkinderjaren is om cavalerie-officier te worden.
Maar moeder heeft hem altijd voorgehouden, dat 't niet zou gaan. Vader
zond uit Indië maar net genoeg over voor het allernoodigste.
Zij heeft zich menigen bescheiden wensch moeten ontzeggen, welken ze
voor zichzelve of voor haar drietal vormde. Voor Netty, die toch beslist
muzikaal is aangelegd, heeft ze nooit dure lessen kunnen bekostigen
en zelfs geen eigen piano. Ze heeft zich altijd moeten be-
[10:]
helpen op het hakkebord,
dat de Mevrouw van 't pension indertijd voor een prikje had gekocht.
En voor ventje, met zijn zwakke gezondheid en oproerig zenuwgestel,
heeft ze lang niet alles kunnen doen, wat de
specialisten, welke ze een enkelen keer voor hem kon raadplegen, haar
hadden aangeraden.
En zij zelve? Wat was haar leven al die jaren? Die lange, lange jaren
van hopeloos en wreed wachten?
Ze kijkt in den spiegel.
Ze moet nu toch weer een beetje coquet worden; al dien tijd is ze het
voor Netty geweest, niet voor zich zelve.
De vrouw heeft zich opgelost in de moeder; ze is in haar kinderen opgegaan,
nu treedt de vrouw, de echt genoote, weer naar voren, het moet.
Ze heeft een kalme, goed geëquilibreerde natuur met een gelijkmatig,
opgeruimd humeur; ze is een moedige, doortastende vrouw, die 't leven
gezond en philosophisch heeft opgenomen en getracht heeft zich te schikken
in haar lot.
Ze heeft zich zelve als bekorings-wezen weggecijferd; als een man haar
oppervlakkige of ernstig gemeende hulde bewees, dan zei ze, met een
afwerend, lachend hoofdschudden: "Een moeder van drie kinderen!"
Dat was het schild, waarachter zij zich al die jaren heeft verdedigd
tegen Amor's pijlen! Het pantser, waarmede zij heur hart heeft beveiligd.
Maar ze weet, dat een man andere eischen heeft, dat hij in haar de moeder
zal eerbiedigen, doch de vrouw zal zoeken.
[11:]
Ze weet ook, dat
het huwelijk, wil het gelukkig zijn, zelfs op ouderen leeftijd, andere
elementen moet bevatten dan achting en vriendschap. Twaalf jaren zijn
zij gescheiden geweest, nu komt hij terug, nu moet zij weer de begeerlijke
vrouw voor hem worden, nu moet ze hem op nieuw veroveren.
Ze kent haar man van vroeger, hij is goed en gemakkelijk in den omgang,
vol attenties en teedere zorgen, doch materialistisch en gepassionneerd!
Hij heeft graag, dat ze er netjes uitziet, vindt 't vreeselijk als een
vrouw zich verwaarloost, hecht bizonder aan physieke aantrekkelijkheden.
Misnoegd wendt ze zich van den spiegel af. Is 't niet klein, niet banaal,
niet wuft van haar om daaraan te denken, in plaats van aan de meer ethische
zijde van hun samenleving?
't Gevoel van verlatenheid, van halfheid, dat haar al die jaren door
heeft geplaagd, zal nu wijken.
Ze zal weer een makker, een vriend hebben om naast hem 't leven door
te gaan en haar zorgen voor de kinderen te deelen.
Hij zal haar steunen en raden.
Gedurende hun scheiding heeft hij haar alles alleen laten bedistelen.
Als ze zijn meening over 't een of ander vroeg, was 't altijd: "Lieve
kind, dat weet jij beter dan ik. Jij kunt, op de plaats zelve veel zuiverder
oordeelen dan ik. Ik vertrouw je immers ten volle."
Wel vleiend voor haar, maar tevens gemakkelijk voor hem.
[12:]
Ze slaakt een zucht
van verlichting. Goddank! de briefwisseling zal ophouden, dat voordurend
uitzien naar tijding, dat eeuwig verlangen naar brieven, die meestal
zoo teleurstellend bleken, omdat ze er zoo heel veel van had verwacht.
Dat vervuld zijn van het onderwerp, waarover zij zelve schreef, en dat
gemis aan belangstelling en begrijpen in het antwoord. Of soms ook een
uitweiden over nietigheden, welke ze al lang weer vergeten was.
En dan de moeite om de kinderen te laten schrijven.
Albert, die altijd in actie was, en even moeielijk te vangen als een
vogel in de vlucht. Netty, altijd vol gekheid en die er zich met een
grapje van af maakte en ventje, bij wien 't geregeld op een huilpartij
uitliep.
En nu behoeft dat alles niet meer. Papa komt terug.
De kinderen stellen er zich gouden bergen van voor, zoo iets als de
terugkomst van een rijken oom uit Amerika, zooals ze vroeger in de romantiek
en op 't tooneel voor kwamen.
Papa zal, als een St. Nicolaas in 't groot, zooals Leo zegt, alle wenschen
vervullen, Papa zal in alles het tekort in hun eenvoudig leven goed
maken.
Zij betrapt zich op een sluipende opwelling van jaloerschheid. Papa
zal de zon voor hen vertegenwoordigen, zij de schaduw. Papa het genoegen,
zij den plicht; alles, wat heerlijk is, zal van Papa komen en al het
strenge, waar ze zoo vaak over mopperen, van haar. . . . .. hij zal
haar verdringen of wel, hij zal de kinderen teleurstellen. Nee, dat
niet, dan nog liever
[13:]
't eerste. Het
is leelijk van haar het hem niet te gunnen; al die jaren toch heeft
hij zoo veel gemist, arme man!
Zelfs in haar grootste tobberijen heeft ze zich altijd voorgehouden,
dat zij toch zoo oneindig beter af was dan hij. Zij had toch de kinderen;
ze veroorzaakten wel veel moeite en zorgen, namen geheel haar tijd en
denken in beslag, maar ze gaven haar ook veel vreugde en dan 't heerlijke
bewustzijn van zich nutitg te maken door zijn kinderen voor hem op te
voeden tot flinke, degelijke menschen.
Er zijn er zelfs onder de enkele dames, die ze nu en dan spreekt, moeders
van de kameraadjes van Bert en Leo of van Netty's vriendinnetjes, die
haar benijden omdat ze zich zoo heerlijk aan haar kinderen geven kan,
dat zij haar avonden aan hen kan wijden en geen plichten tegenover haar
man te vervullen heeft. Mannen toch eischen steeds het leeuwenaandeel
van den tijd hunner vrouw voor zich, verzekeren ze.
Anderen weer beklagen haar omdat ze, van het huwelijk, enkel de lasten
en niet de lusten. heeft gehad.
Maar nu verheugen haar kennissen zich toch allen voor haar en feliciteeren
haar met de aanstaande terugkomst van haar echtgenoot.
Alleen de Mevrouw van het pension moppert, doch Netty zegt, dat 't er
niet veel toe doet, omdat ze altijd door en om alles gemopperd heeft
al die jaren lang.
[14:]
Toen ze pas uit
Indië kwamen, had ze er tegen opgezien een dame met drie kleine
kinderen in huis te nemen en naarmate ze opgroeiden, had ze gebromd
over den last, door groote kinderen veroorzaakt.
Nu is ze voornamelijk teleurgesteld omdat Mevrouw Zuidhoff weggaat,
vóór haar man komt en nog niet een half jaar met meneer
blijft, dan hadden ze, met elkander, het koperen feest kunnen vieren.
Dat zou ze nu toch zoo aardig hebben gevonden.
Op deze manier loopt 't zoo saai af. Ze heeft dan toch twaalf jaar lang
geslaafd en gezwoegd, gekookt en gebakken, gesloft en opgeruimd. En
haar meubels en tapijten en loopers en gordijnen en alles in huis heeft
dan toch maar niet weinig geleden.
Al die jaren heeft ze zich opgëofferd! Dat zij er tevens door geleefd
heeft, beter en ruimer dan ze het van haar pensioen als onderwijzers-weduwe
zou hebben gedaan, telt ze niet.
Juist doordat de familie Zuidhoff zoo talrijk is en zoo lang is gebleven,
is het voordeelig voor haar geweest, heeft ze geen tusschenpoozen van
leege kamers, geen aanschaffen van nieuwe dingen voor volgende huurders
gehad.
Maar dat overweegt ze evenmin; ze bazuint steeds haar eigen lof uit
en klaagt voortdurend over het niet waardeeren van anderen.
Toen Mevrouw Zuidhoff haar den ochtend na het ontvangen van de gewichtige
tijding bij zich liet komen
[15:]
en haar die mededeelde,
had ze geen sympathie, geen enkelen gelukwensch.
"Zoo? Komt meneer terug en gaat u hier vandaan? Dat valt me niet
mee. De volgende maand al.... dat vind ik toch al heel kort dag. Ik
had minstens altijd op drie maanden vooruit opzeggen gerekend. Neemt
u mij niet kwalijk, Mevrouw, maar dat is toch geen nette behandeling,
na alles, wat ik voor u en de kinderen ben geweest."
En daarop verliet zij de kamer als de beleedigde onschuld!
Van dat oogenblik af is ze dubbel lastig en vervelend geworden en heeft
Mevrouw Zuidhoff zich zooveel mogelijk met de inrichting van haar huis
gehaast.
En nu is alles zoover klaar - en heeft ze, voor het eerst in twaalf
jaar, weer een eigen home.
Nu kan ze niet begrijpen, hoe ze het zoo lang in een pension heeft uitgehouden.
. .. nu leeft ze zóózeer in het heden, dat al hetgeen
achter haar ligt, met een doezelig waas schijnt overtogen.
En toch vindt ze, dat ze het alles weer helder omlijnd voor zich moet
zien, alvorens het voor goed af te sluiten. De dagen, die zij nu doormaakt,
zijn zoo heel afgebakend, de verbinding tusschen het verleden en de
toekomst.
Netty en Leo zijn uit, Albert op de kadettenschool en zij is alleen,
ze heeft alle kamers doorloopen - ze wacht op den tuinman voor 't in
orde maken van 't
[16:]
erf, zooals ze
het nog altijd op zijn Indisch noemt;- en ze denkt na. Ze wil met zich
zelf in ft reine komen, ze wil haar gedachten regelen - vóór
de groote verandering. Ze is als een winkelier, die hetgeen in voorraad
is, wil inventariseeren, alvorens een nieuwe toezending het oude aanvult;
als een huisvrouw die haar linnenkast opruimt, vóór de
schoone wasch huiskomt.
Doch, nauwelijks heeft ze haar levensboek geopend op de verlangde pagina
of ze wordt gestoord, een te gewoon verschijnsel voor een moeder van
drie kinderen, om er zich over te verbazen.
't Is Netty, die met hooge kleur en fladderende haren en lossen mantel
en hoed achter op t hoofd zich aanmeldt om Mama gezelschap te houden,
omdat ze 't zoo sneu vindt, kassian Moedertje alleen in
dat nieuwe huis.
"En je golf-club en je vergadering?" informeert moeder, lachend.
Waarop Netty, ernstig, antwoordt: "U hebt ons geleerd, plicht vóór
genoegen te laten gaan."
Mama is verwonderd, doch toont het niet. Haar dochtertje is juist op
den grilligen bakvischjes-leeftijd, waarop de meisjes als menschelijke
cameleons, elk oogenblik veranderen, waarop ze, even vatbaar voor indrukken,
als de gevoelige plaat voor lichtstralen, die gretig opnemen en ze terstond
weer geven, vaak ook... als de gevoelige plaat, averechts verkeerd.
[17:]
Om dan, nadat de
orde hersteld is, een ongeretoucheerde photographie.
Netty Zuidhoff heeft ongetwijfeld de finishing touch nog noodig,
doch moeder wil niet te veel retoucheeren.
"Ik wacht op den tuinman", zegt zei heel gewoon, schijnbaar
zonder acht te slaan op Netty's onstuimigheid. "Maar intusschen
kunnen wij wel het een en ander doen en, nu je toch hier bent, kunnen
wij samen de boekenkast van de jongens inruimen, als je wilt."
Een wolk, die over Netty's zonnige trekken glijdt, dient haar moeder
als antwoord en bewijst hoe weinig dit voorstel haar aanlokt.
Ze gaat naar Mama toe, omvat bei haar tengere schouders met haar flinke
handen, duwt haar nu juist niet bizon der zacht op een gemakkelijken
stoel en, zich met een niet heel gracieus gebaar op den grond aan moeder's
voeten latende vallen, zegt ze op over redenden toon: "Moesje,
ik zou zoo heel graag weten, waarom Papa zoo lang in Indië is gebleven
zonder u, en u zoo lang hier zonder hem?"
Haar moeder kijkt haar getroffen aan en zegt meer tot zich zelf dan
tot haar: "Vreemd. . " juist wilde ik 't bij mij zelve eens
nagaan, hoe 't toch zoo gekomen was. De aanleiding van mijn naar Holland
gaan, was het sterven van ons oudste kindje. . . . en de angst, dat
de anderen, ook ziek zouden worden. Dat jaar was de kindersterfte enorm
hoog in Soerabaia, haast geen familie of "de koorts, de verraderlijke
heete tropen koorts, had et één of meer slachtoffers gemaakt.
[18:]
Ventje was een
paar maanden en zoo'n zwak stumpertje, dat hij als aangewezen was om
bij den minsten aanval te bezwijken. Bert was toen vijf, een stevig
baasje, en jij een aardig ding van nog geen vier. Toen ik mijn arm jongentje
had verloren was ik radeloos en had ik een ziekelijken angst voor mijn
andere kinderen. Ik sliep geen enkelen nacht meer, stond elk oogenblik
op om naar jelui te kijken, betastte jelui voorhoofdjes en wangen, tot
ze er van zelf klam en vochtig van werden en legde dan den thermometer
aan om te zien of er ook verhooging was Ze houdt een oogenblik op in
diep gepeins verzonken en haar dochtertje eerbiedigt haar zwijgen.
Ze ziet zich op nieuw ronddwalen in 't groote, Indische huis, ongezellig
met zijn witte muren en matten vloeren. . . . ze ziet de ledikantjes,
met de klamboes, afgesloten voor de insekten en daarachter haar - lievelingen,
die ze wilde beveiligen en redden. . .. en ze hoort nog de waarschuwende
stem van haar man:
"Vrouwtje, je maakt je ziek en als je de klamboes zoo telkens openmaakt,
komen de muskieten er in, en kunnen de kinderen niet rustig slapen."
En dan kwam ze weer terug en trachtte zich stil te houden, ook voor
hem, omdat hij zijn nachtrust evenzeer behoefde om zich aan weer na
luttele oogenblikken uit het bed te laten glijden en ongeacht de baboe,
die op een matje voor de kamer der kinderen sliep naar ze toe te gaan.
Ze zuht. . .. strijkt zich over 't voorhoofd, als om
[19:]
die visioenen te
verdrijven en herneemt: "'t Was afschuwelijk en toen je Papa er
met onzen huisdokter over sprak en hem alles vertelde, klonk zijn advies
- onmiddellijk naar Europa met de kinderen. Papa verzette er zich eerst
tegen. De handel was toen heel gedrukt; de omzet was gering, de winst
van zelf klein. Wij hadden juist onze spaarpenningen in een kinaland
gestoken, dat ons als een voordeelige belegging was aangeraden en dat
bleek zoo goed als waardeloos. De kina ging toen heel slecht doch dat
konden wij vooruit niet weten."
Netty glimlacht: "U praat zoo van ons en wij. Was
u Papa's associée?"
"Toen wel. Wij waren heel eenig. Papa raadpleegde mij overal in.
Hij had zoo sterk 't gevoel mij van iedereen en alles te hebben weggenomen
en wilde er mij zooveel mogelijk schadeloos voor stellen, ook door mijn
belangstelling voor zijn zaken te wekken. Papa was van oordeel, dat
zooveel menschen in Indië ongelukkig zijn, omdat ze ieder hun eigen
belangen hebben en niet genoeg met elkander samenleven en Papa had altijd
een sterke behoefte aan vertrouwelijkheid. Eigenlijk vreemd, dat ik
je dat alles zoo zeg."
"Niets vreemd, ik ben al die jaren toch uw vriendinnetje geweest.
Ik denk wel eens, moeder, dat ik dat missen zal.'"
"Jaloersch, Netty? Foei."
Ze drukt met haar poezele meisjeshandjes, de fijne, slanke vingers harer
moeder en fluisterde: "Ik zal
[20:]
mijn best wel doen
het te overwinnen." Toen, nog dichter tegen haar moeder aanleunende:
"Vertel nu verder. . . .
"Nu, Papa wilde er eerst niet van hooren en eindigde met mij met
de kinderen te laten gaan en zelf achter te blijven. Hij kon niet weg.
Dat is natuurlijk 't nadeel van niet in gouvernements dienst te zijn.
Dan kan men eerder verlof krijgen en wordt ook de passage betaald. Nu
was het Papa onmogelijk zijn zaken te verlaten en het was zelfs een
heel ding ons passagegeld, en wat over voor de uitrusting enz., bij
elkander te krijgen. Hij hoopte over een jaar of twee bij ons te komen.
Zijn laatste woorden waren: "Nu, vrouwtje, je weet, zoodra ik kan,
kom ik bij je - en zuinig zijn, dat is het eenige, wat wij allebei kunnen
doen om den tijd van onze scheiding te bekorten."
Ze veegt een traan weg. Ze doorleeft weer dat oogenblik aan boord van
de paket-boot, Sarina paste op de kinderen aan dek en hij was even met
haar gegaan naar de familie-hut, die hij voor haar had besproken, om
haar nog met 't een en ander te helpen en om afscheid te nemen.
Ze voelt nog de teederheid van die laatste omhelzing. . .. en ze weet
nog dat ze, in een opwelling van wroeging, zei: "'t Is wel hard
voor jou om zoo alleen achter te blijven, maar 't zijn toch ook jou
kinderen."
"En toen is Papa toch niet gekomen", zegt Netty, beleedigd,
als gold 't een onrecht haar moeder aangedaan.
[21:]
Ze schudt 't hoofd
en herneemt, droevig: "Nee. ... toen is Papa niet gekomen. Ik nam
mij stellig voor zoo heel zuinig te zijn en ging daarom in een tweede
rangs pension, altijd hopende dat 't tijdelijk zou zijn; in elk geval
toch maar voor enkele jaren. Maar 't liep Papa niet mee. Drie jaar lang
werd zijn overkomst telkens en telkens uitgesteld. Dus besloot ik naar
Indië terug te gaan. Ik had reeds aan Papa geschreven, dat ik komen
zou. Toen werd Leo ziek. . .. Ik raadpleegde een Professor en zijn oordeel
klonk: "Niet naar de tropen!" Dat stond gelijk met het kind
ter dood veroordeelen. Ook voor jou vond hij het beter van niet. Albert
had desnoods naar Indië kunnen gaan; voor hem had de Professor
geen bezwaar; hij was toen 9 jaar, flink aan 't leeren, dus zou 't jammer
zijn geweest hem van school te nemen. Trouwens, ik kon jelui niet achterlaten.
Jij was een echt moeder's kindje."
"Dat ben ik nog", fluistert Netty.
"En ventje was zoo zwak en zoo teer! Ik durfde niet van hem weg
te gaan. Mevrouw Reesing bood aan op jelui te passen, desnoods met een
pleegzuster. Ze was toen heel aardig, dat moet ik zeggen. Ze raadde
mij aan voor, zes maanden naar Indië te gaan en dan weer terug
te komen. Ik schreef er je Papa over, doch hij telegrafeerde als antwoord:
"Kosten te hoog."
"Er zou ook werkelijk verschrikkelijk veel geld mee zijn opgegaan.
De reis heen en terug, een verpleegster enkel voor Leo, Mevrouw Reesing
vroeg extra vergoe
[22:]
ding voor de verantwoording.
En dan zat ik met Albert. Hem mee te nemen en weer terug te brengen
had hem te veel doen verzuimen, hem bij Papa te laten ging ook niet,
ten minste toen ik het voorstelde, schreef Papa er op terug - dat hem
dat niet wenschelijk voorkwam. Enfin, 't ging niet en ik hoopte, dat
Papa toch over zou komen."
"Was Leo lang ziek? Hadt u later niet kunnen gaan?"
"Het bleef een sukkel partij - dat weet je trouwens. De dokter
beweert dat hij heel anders aangepakt had moeten worden, altijd buiten
en een speciale verpleging. Dat ging niet. Heelemaal buiten, waar 't
goedkoop is, is het tevens heel afgelegen, werkelijk niet te doen voor
een vrouw alleen en, zoodra men in de meer bewoonde streken komt, b.v.
Hilversum of de omstreken van Arnhem of Apeldoorn, is het leven bijna
even duur als in de stad, in sommige opzichten duurder. In al die jaren
heb ik menigmaal naar een gelegenheid uitgezien en ik ben altijd tot
de overtuiging gekomen, dat het eigenlijk toch nog het goedkoopst en
het gemakkelijkst leven is in Haarlem, met zijn mooie omstreken."
"Ik zou denken, dat kleine steden als Lochem of Deventer of Helmond
toch goedkoop er zijn", meent Netty.
Haar moeder glimlacht: "Voor enkele dingen ja, maar daar heb-je
zoo geen pensions en een eigen huis te meubileeren, leek mij altijd
zoo duur. En dan
[23:]
ook, als je er
niet dikwijls uit kan gaan of je kunt logés hebben, suf je zoo
in op die kleine plaatsen en dat wilde ik niet, - Zelfs al gaat men
niet veel uit, ik meen naar publieke vermakelijkheden, concerten en
zoo, leeft men er toch meer in; men kan ten minste eens een enkelen
keer gaan en men hoort van zelf meer, 't Is dan ook niet zoo wanhopend
eenzaam als buiten,"
"En waarom is Papa dan niet gekomen, toen u niet van ons weg kon?"
vraagt Netty, op nieuw.
"Eerlijk gezegd, ik weet het niet", antwoordt haar moeder,
oprecht, "Er is verscheiden keer sprake van geweest, doch telkens
schreef Papa, dat het hem onmogelijk was; nu eens legde hij mij precies
uit, waarom het niet ging en dan weer gaf hij er geen reden voor op."
"En nu dan?"
"Je weet toch, dat Papa nu voor zijn gezondheid komt! Daarom wil
hij ook een eigen huis hebben met de noodige ruimte,"
"Zou Papa erg ziek zijn?"
"Ik hoop het niet, maar wij zullen hem gauw opknappen. De reis
zelf doet soms reeds wonderen en dan 't versterkende, Hollandsche klimaat,
Papa komt in een goeden tijd."
"Maart! Noemt u dat goed? 't Is de allermiserabelste maand van
den heel en kalender, Niet koud genoeg voor wintersport en toch guur
en akelig."
"Dat is ook zoo, maar wat Papa, naar 't geen ik
[24:]
uit zijn laatsten
brief kan opmaken, 't meest noodig heeft, is uit de warmte weg te komen.
Nu - en van warmte hebben wij hier, in 't voorjaar, geen last."
"Ik begrijp niet, dat u Papa niet in Marseille gaat halen."
"Eerlijk gezegd, had ik er wel lust in, maar ten eerste kost 't
al weer zooveel. . . .
"En Papa schreef dat u met de inrichting van het huis niet hoefde
te zien op een paar honderd gulden..."
"Juist daarom; men kan 't geld niet op twee manieren uitgeven,
juffertje, 't Valt toch niet mee."
"Misschien zou 't Papa wel meevallen als u hem te Marseille stondt
af te wachten, Hij zal genoeg hebben van 't alleen zijn."
"Papa zelf raadde 't mij af. Hij vond 't voor mij een groote vermoeienis
voor weinig pleizier. . . .
"Zou Papa nu heelemaal over u gaan bazen, zooals andere mannen
doen?" vraagt Netty,
Haar moeder lacht, strijkt haar over 't nu ernstige gezichtje en zegt:
"Wij zullen 't moeten afwachten, Maar dat is niet Papa's natuur."
"'t Is toch een heel ding, moeder, zoo twaalf jaar van elkander
af."
"Och, kindje-lief! Wat doe je wijs, Ik herken mijn onbezorgd bakvischje
niet meer."
"Ja, maar, zoo iets maakt je oud", verzekert Netty, "'t
is alsof je van de lagere school op eens naar 't Gym of de H. B. S.
gaat. Dan schiet je ineens zoo'n eind
[25:]
op. Dat is nu ook
zoo. Och! ik dacht eigenlijk nu niet zooveel aan dat alles. Papa woonde
in Indië en u hier en je leidt dan zoo je eigen leventje en neemt
de dingen op, zooals ze zijn. Maar nu dat Papa terugkomt en wij allemaal
weer bij elkander zullen zijn, net als andere families, ja, nu ga ik
van zelf aan 't piekeren. En ik ben heusch erg blij, dat u me alles
precies hebt verteld. Want nu begrijp ik 't ook."
"Er valt eigenlijk niets te begrijpen, kind. 't Is zoo van zelf
gegaan, 't gevolg der omstandigheden."
"Ik verlang heel erg naar Papa", roept Netty, onstuimig, uit.
"Ik heb hem al die jaren zoo gemist. Je voelt je zoo zielig en
minderwaardig tegenover andere kinderen. En het is zoo gek;. . o. als
je Papa dood is, spreken ze er niet van op school, dat vinden ze heel
natuurlijk, maar mij hoorden ze altijd uit, net of ze er aan twijfelden,
dat ik een vader heb."
"Och! kom, dat zul-je je verbeeld hebben", begint haar moeder,
doch Netty valt haar in de rede: "Nee, heusch niet. Ik was er dikwijls
heel ongelukkig over, maar ik heb er u nooit iets van gezegd."
"En waarom niet? Voor je moeder had je je verdriet niet hoeven
te verbergen."
"Juist wel, u hadt genoeg. Het was voor u toch zeker ook heel erg
en dan altijd op die paar kamers in dat miserabele pension bij die oude
brommert van een Reesing."
"Netty", 'klinkt t vermanend, toen, schertsend: "Je bent
toch een wonderlijk schepseltje. Zoo juist zeg je,
[26:]
mij dat je, toen
Papa weg was, niet zooveel aan hem dacht en nu vertel je weer, dat je
hem zoo gemist hebt. . .. dat klopt niet, zou Albert zeggen."
"'t Is toch heel logisch. Nu kom ik op eens tot de overtuiging,
dat ik het al die jaren wel degelijk heb gevoeld en nu herinner ik mij
allerlei dingen, die er gezegd zijn. . . .
"Weet u, zoo'n groote gebeurtenis dwingt je tot nadenken en dat
is iets, waar wij, bakvischjes, ons anders niet aan bezondigen. Je leeft
maar voort, neemt alles luchtig en vluchtig op, tot op eens het is alsof
het Noodlot je beet pakt en tot je zegt: "Nu laat ik je niet los,
vóór je eens flink hebt nagedacht."
Terwijl ze zoo voortbabbelt. . .. vraagt haar moeder zich af, of Papa
trotsch op zijn meisje zal zijn of dat haar praten, haar van den hak
op den tak springen, haar veranderlijkheid, hem zal vervelen.
De jongens zijn veel eenvoudiger, Albert plichtmatig, maar met te veel
verwachtingen van het leven en daardoor te veel eischen, Leo, een echt
verwend jongetje, dat voor 't oogenblik leeft, Netty's karakter is een
complexe, voor haar zelf een raadsel. 't Eene oogenblik een onbezorgd,
dartel kind, 't volgende een klein vrouwtje vol ernst en hooge aspiraties.
Moeder gunt haar zoo graag haar kinderlijkheid, maar ze vindt het ook
wel heerlijk als haar meisje zoo vertrouwelijk bij haar zit.
"Als er nu weer iets is, wat je hindert - moet je
[27:]
het niet voor je
houden, maar met moeder deelen, hoor", zegt ze, hartelijk.
Netty springt op, klaagt even, dat haar been vol spelden en naalden
is, omhelst haar moeder twee, drie keer en zucht dan: "O schatte-moesje....
we zullen allebei een eindje op moeten schuiven om Papa plaatsje tusschen
ons in te geven."