IX
Het is een donkere avond, een halfjaar ruim na Anna's terugkomst in
het ouderlijk huis.
De regen, die den geheelen middag heeft gedreigd, maar steeds door den
wind scheen te worden opgehouden, komt nu uit het westen aanzetten met
dat geweld, 't welk een indische regenbui kenmerkt; dat heerlijk druppelen,
ruischen en kletteren op het dicht gebladerte, eerst in de verte als
een welkome boodschap van verkoeling, dan haastig naderend - tot het
neerdaalt in uw tuin, een verfrisschende stroom.
Anna is naar bed gegaan, na voor vader en moeder te hebben gezongen
met evenveel genoegen alsof ze het voor een groot gezelschap deed; moeder
zit nog wat uit te blazen - ofschoon ze niets vermoeienders deed dan
luisteren - maar het was broeiend warm
[61:]
geweest dien dag,
- vader ligt in de kleedkamer, in een minimum van toilet, uitgestrekt
op zijn rottanstoel.
Al de deuren en venster zijn wijd geopend; maar toch moet de regenbui
een verbazend geweld maken, daar ze in staat is, het gerucht van mevrouw
Bloem's tred - anders niet van de lichtsten - te verdooven.
Blijkbaar doet Dirk, die met alle aandacht ligt te te lezen, moeite
om niet in te dutten bij zijn lectuur; want eerst als Doortje, achter
hem gekomen, de hand op zijn schouder legt, bemerkt dat hij dat ze binnentrad.
Als ware hij op heeter daad betrapt bij het plegen eener misdaad, zoo
springt hij overeind.
"Wel, Dirk, waar schrik je zoo van? Je kondt toch wel begrijpen,
dat ik 't was?"
"Ja, juist daarom. Of neen - juist daarom niet. Apropos, wat ik
zeggen wou: het regent toch eindelijk, hé? Wou je de vensters
dicht hebben of niet?"
Onder het uiten van dit onzamenhangend gepraat en een wild rondloopen
door het vertrek, tracht Dirk het boek, waarin hij daareven las, te
verbergen in de plooien van een nachttoilet, dat geen plooien heeft.
Hij doet het - onhandig als slechts mannen zoo iets doen kunnen - en
Doortje betrapt hem.
"Wat las je daar, Dirk?"
"Niets, kind."
"Niets?
[62:]
"Niets wat
je aangaat tenminste."
"Dirk! Wat mankeert je?"
"Ah, daar is de regen eindelijk? Zouden we de vensters niet sluiten?
Het waait een halve orkaan."
Doortje grijpt naar het boek. Dirk steekt het onder een van de beide
keleedingstukken, die hij aanheeft.
Ze doet nog een poging; hij houdt stevig vast.
Dan staat ze stokstijf voor haar man en ziet hem aan met een langen
blik vol teleurstelling, vol verwijt.
"Wat is er, kind?" vraagt hij verbaasd maar kalm, als een,
die zich van geen schuld bewust is.
"Wat is er? Foei, foei! En dat op je ouden dag!"
"Hè?"
"Vader van een volwassen dochter!"
"Wat blief je?"
"Je moest je schamen!"
"Schamen! Ik? Och, Door
"
"Nu, hou je maar zoo onnozel niet. Ik heb je al meer dat boek zien
wegstoppen; je zit er elken dag in ter studeeren. Ik ben zoo dom niet
als ik er uit zie; ik weet heel goed wàt het is."
"Neen, Door! neen, je weet het niet
"
"Ja. Ik heb het wel gehoord hoe tegenwoordig de mannen die vuile
romans lezen
alsof ze zonder dat al niet ondeugend genoeg waren."
"O, nu begrijp ik je. Ja, juist, juist; 't is een roman."
[63:]
"Laat zien,
man. Is het erg schandalig? Niet dat ik het zou willen lezen! Maar
een mensch wil toch wel eens weten, hoe zoo'n boek er uitziet. Hè,
wat een wind!" en ze vliegt naar het venster, dat met een doffen
dreun dichtsloeg.
Vóór Doortje, die het erg druk heeft met de jalouzieën,
er op verdacht is, heeft Dirk den twistappel weggesloten in zijn kast.
Weinige oogenblikken later gelukt het hem den sleutel te verbergen op
eene plaats, waar Doortje hem nooit zoeken zal
naar hij meent!
Mevrouw Bloem, plotseling onnatuurlijk kalm gestemd, laat zich met weinig
moeite overhalen om te gaan slapen.
Lange stilte volgt en reeds begint de heer Bloem eenige hoop te koesteren
voor zijn nachtrust, als een diepe verzuchting door de kamer klinkt.
"Och, Heere! Dat mijn man, mijn man, die altijd braaf geweest is
- voor zoover ik weet ten minste - dat die nu pleizier kan hebben in
zulke boeken!"
"Zulke boeken
? Weezenlijk, kind, 't is zoo erg niet."
"Vin je het al niet eens erg meer? O, man, man! je moogt wel oppassen!
Die staat, zie toe dat hij niet valle!"
"Wees maar gerust, moeder!"
"Neen, ik ben in het geheel niet gerust." Dan,
[64:]
plotseling overeind
rijzend, zoodat de echtelijke sponde davert op haar grondvesten: "Groote
grut! 't is toch waar, wat het spreekwoord zegt: hoe ouder, hoe gekker!"
Dirk wordt niet boos, zooals Doortje half en half verwacht; hij herhaalt,
dat ze gerust kan wezen, dat hij nog altijd staat en toe zal zien niet
te vallen; dan geeft hij haar een nachtzoen en sluimert in.
Nog valt de regen neer in dichte stroomen; nog loeit de wind; en den
heer Bloem, die insliep onder het gerucht der elementen, verwondert
het volstrekt niet, als hij uit zijn eersten slaap opgeschrikt wordt
door een bons.
"Boem!" mompelt hij, "het dondert!"
Maar het was geen donderslag; het was zijn Doortje, die zich neerliet
op den grond, onhoorbaar, gelijk ze meende.
"Drommels! het weerlicht!" droom hij voort.
Want er heeft iets geflikkerd in het schijnsel van de nachtlamp: zijn
goed verborgen sleutel.
"'t Slaat in, vrouw! 't slaat in!" en de heer Bloem eindelijk
geheel wakker, vliegt overeind.
Ja, het is ingeslagen.
Vóór zijn geopende kast staat Doortje; Doortje met gebogen
hoofd, met den blos der schaamte op
[65:]
de wangen, met heete
tranen brandend in de neergeslagen oogen.
In drie stappen is hij bij haar.
"Vrouw, dat had je niet moeten doen."
En zijn blik volgt onwillekeurig den haren naar den titel van het boek,
dat ze tusschen de vingers klemt: "Handboek der wellevendheid."
"O, Dirk! o, mijn arme, goeie man! Zat je daarin te studeeren?"
Dan, als ze zich snikkend heeft geworpen aan zijn borst, als hij haar
drukt aan het hart, dat zooveel droefheid zoo teederlijk hield verborgen,
barst hij eindelijk los: "En dan te denken hoe we gesmacht hebben
naar haar terugkomst!"
"Zij kan het niet helpen, Dirk! Maar, och God! waarom hebben we
haar ooit van ons weggestuurd?"
"Waarom? Kun je dat vragen, Door? Opdat zij nooit zal behoeven
te lijden wat wij nu lijden moeten."
"Arme man!"
"Och, Door! ik had het je zoo van harte gegund
ik had zoo
gehoopt dat haar terugkomst je niets dan vreugde zou geven."
't Was goed dat de regen zoo kletterde en de wind zoo gierde rondom
de woning op Embong- Malang, die de woning eenmaal hun paradijs hadden
[66:]
genoemd; anders ware wellicht het kind gewekt door het geween der ouders.