[5:]
"Vrouw, waar zit je?
Door! Ik heb
Maar waar hang je
in 's hemelsnaam uit?
"Ja! ja! hier ben ik al!"
En zoo vlug sloffen en corpulentie het haar veroorloven, komt de gade
van den heer Bloem aangeloopen op zijn geroep.
"Groote grut!" hijgt zij, terwijl ze neervalt op den eersten
stoel den besten, "is me dat iemand laten schrikken!. Ik was juist
aan het gebak maken; er moet toch een extraatje zijn om haar verjaardag
te vieren
Wat heb je daar, Dirk?
"Wat ik hier heb? - veeg je handen af, moeder - wat ik hier heb?
Een extraatje om haar verjaardag meê te vieren, dàt heb
ik hier!"
En met vingers, die plotseling beginnen te beven, scheurt hij papieren
af, snijdt hij touwtjes door.
"Voorzichtig, voorzichtig!" vermaant Doortje.
Maar hij hoort haar niet, hij gaat voort met knippen en scheuren, ondertusschen
sprekend in kort afgebroken zinnen.
"Toevallig, hè? Dat de mail juist vandaag moest aankomen
ik wou het niet alleen open maken.
[6:]
"'t Brandde me anders in de handen. Maar, niet waar, we hebben
het leed samen doorstaan; we moeten ook het pleizier samen deelen."
Het laatste papier is afgescheurd.
Er volgen oogenblikken van ademlooze stilte. Dan één kreet
van vader en moeder beiden.
"Anneke!"
Ze zien dat het háár portret is, maar ook niets meer;
er is een mist voor hun oogen.
Eindelijk snikt een bevende stem: "Anneke
liefje
Och
God! Mijn kind, mijn eenigste!"
"Stil toch" vermaant Dirk, "stil toch! Maak je nu niet
overstuur
ik ben zelf helemaal in de war
"Ons meisje, zoo mooi en zoo groot! Een volwassen dame! Wel, ik
geloof dat ik ze niet kennen zou, als ik ze op straat tegen kwam."
"Foei, Dirk!" roept nu Doortje, terwijl zij met de mouw van
haar kabaal de groote tranen afveegt, die haar over het gelaat rollen.
"Foei, Dirk, je eigen vleesch en bloed, 't is zonde!"
"Ja, maar ze is ook zoo helemaal veranderd sinds de laatste fotografie!"
en de heer Bloem neemt weer het portret in handen, en staart op het
lief meisjesgelaat, dat hem tegenlacht tot - met een plotselinge beweging
van onuitsprekelijke teederheid - hij het aan zijn lippen drukt, het
aan zijn borst klemt.
[7:]
Straks, met de handen ineen, dicht tegen elkaar geleund, de oogen onafgebroken
gevestigd op de beeltenis van het aangebeden kind, fluisteren de ouders
in weemoedige vreugde:
"Zie je wel hoe vriendelijk ze ons aanziet
? Zou ze aan vader
en moeder gedacht hebben?"
"Ze heeft haar glimlachje nog. Weet je wel, Dirk, hoe lief ze lachen
kon?"
"'t Zijn dezelfde oogen
wat kon ze ons verwonderd zitten
aankijken
als we haar sprookjes vertelden
herinner je je
niet, moeder?"
Zie eens, vin je haar niet wat mager? Ze zullen haar toch wel genoeg
te eten geven?"
"Gekheid
het eten is er best."
"Ik was toch heel wat steviger, toen ik zoo oud was!"
"En toch lijkt ze op haar moeder
Ja, kind! zoo als jij er
uitzaagt een dikke twintig jaar geleden."
"Nee, Dirk, nee! Zóó ben ik nooit geweest! Ik zal
niet zeggen, dat ik geen knappe deern was, flink uit de kluiten gegroeid,
gezond en frisch
"
"Frisch als een meikers, dat was je!"
"Weet je dat nog? Goeie vent!" en er komt over het vriendelijk
gezicht een glans, die het tien jaar jonger maakt. "Maar
het verschil is toch te groot
zie je, ik was maar een burgermanskind
en zij, ze lijkt wel een freule!"
[8:]
Eindelijk rijst Bloem overeind om een plaatsje te zoeken voor het nieuwe
portret. 't Moet in de achtergalerij hangen, zóó dat ze
het kunnen zien; beiden, den geheelen dag; de moeder heeft een paar
rozen geplukt en bekranst daarmee het lijstje, dat de vader zelf aan
de muur bevestigt; er is een wereld van liefde in het gebaar van dien
grooten, ruwen man, als hij het hoofd buigt en een kus drukt op de hand,
die Anna's beeltenis met bloemen kroonde.
Nu worden de oude getrouwen binnengeroepen. Ze weten wat men van hen
verwacht, en verklaren dan ook eenstemmig, dat nonna Anna manis, manis
sekali [Juffrouw Anna mooi, heel mooi is] is.
Ondertusschen kijken ze tersluiks naar mevrouws handen, want het is
de gewoonte dat Anna's oude meid op dezen dag geld krijgt, om ook achter
feest te vieren; inplaats van één, glijden er heden twee
zilverstukken in de knokkelige bruine vingers.
Champagne wordt ontkurkt, gebak binnengebracht; ze gebruiken er zwijgend
van, want Bloem, die het eerste glas op Anna's gezondheid had willen
ledigen, wordt door een vreemde prikkeling in zijn keel gewaarschuwd,
liever niets te zeggen.
Ze vieren iederen keer het half droeve, half blijde feest van Anna's
verjaardag op dezelfde wijze; de brieven, die ze in den loop van dit
jaar schreef,
[9:]
worden herlezen;
de haarlokjes, die ze nu en dan zond, gekust; de teekeningen of handwerken,
die ze voor vader en moeder maakte, bewonderd, straks een bezoek gebracht
aan "Anneke's kast", het heiligdom, waarin alles was weggeborgen
wat ze achterliet in de woning, die ach! zoo ledig bleef bij haar vertrek.
Vóór die kast geknield, het jurkje in handen dat ze den
laatsten dag thuis heeft gedragen, fluistert straks mevrouw Bloem: "Ze
wordt vandaag zeventien, Dirk."
"Ja Door
wat zou dat?"
"Neen, niets. Ik wou alleen maar zeggen: ze is nu haast zes jaar
weggeweest, weet je dat wel?"
"Of ik dat weet, Door?
Weer volgt een lange stilte; de heer Bloem bladert in een boekje van
Gouverneur, haar lievelingsboekje; peinst en staart op het titelblad
en mompelt van "hard, hard
"
Daar valt mevrouw Bloem uit: "Ja, hard is het, je eenig kind zoo
lang te moeten missen! Maar je hebt ook je woord niet gehouden, Dirk!
Toen je haar van me hebt weggenomen, toen zei je, dat het maar voor
een paar jaar was
"
De vader antwoordt niet op dit verwijt, misschien hoort hij het niet?
Toch, eensklaps vliegt hij op uit zijn gepeins, hij grijpt Doortjes
hand, en met een stem, schor van ontroering, vraagt hij:
[11:]
"Willen we haar thuis laten komen?"
"Dirk?! O ja! ja!"
"'t Zou onverstandig zijn, vrouw, heel onverstandig!"
"Och," snikt de arme, "wat komt er dat op aan? We zijn
nu zes jaar lang verstandig geweest en
we zijn er beiden grijs
onder geworden."
"Maar ze is nog niet volleerd, schrijft de mevrouw; ze moet nog
knapper worden."
"Dirk, geloof me, ze is knap genoeg. Misschien reeds te knap voor
ons!"
Nog aarzelt hij. Maar zij, plotseling welsprekend geworden, roept uit:
"O man! zoo'n engel in je huis! zoo'n vriendelijk gezichtje tegenover
je! zoo'n lief kind altijd bij je! Zeg, je hebt het toch nog niet vergeten
hoe ze je tegemoet liep, als je 's avonds van het werk kwaamt
hoe ze dan zeggen kon: vadertje, vadertje!"
"Schei uit, vrouw, schei uit!"
"We worden oud, Dirk. Wie weet hoe kort we nog maar met haar samen
zullen zijn." En dan: "Dirk, als jij nog langer zonder haar
kunt - ik niet!"
"Ik ook niet! Ik zal
morgen schrijven."
"Goddank! O, Goddank!"
"Dan kan ze over drie maanden bij ons zijn!"
"Over drie maanden, Dirk"
"Over drie maanden, Door!"
[11:]
En de gelukkigen vallen in elkanders armen. En Anna's geboortedag wordt gevierd zóó feestelijk als in geen jaren het geval was.