doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

mevrouw E. Overduyn-Heyligers: Warm bloed
Utrecht: Bruna, 1904


[140:]

Hoofdstuk XII

Trillend aan al haar leden was Diana doostil in het rijtuig blijven zitten, ongemerkt haar masker losstrikkend in angstige spannin over de dingen die komen zouden. Liever had ze een stroom van verwijten over haar hoofd hooren losbarsten dan deze angstwekkende stilte, die haar letterlijk verstikte. Hem toespreken durfde ze niet. Aan 't beven van zijn knie tegen haar aan voelde ze hoezeer zijn zenuwen geschokt waren. Ze overdacht in stilte of ze iets tegen hem zou zeggen, hem zou vragen om zich te kalmeeren, ze zou zich voor hem op haar knieën willen werpen des noods, als die pijnigende stilte maar zou wijken van haar. Thuis hielp hij haar uitstijgen en ging haar vóór om de deur te openen en licht te ontsteken.
Schuw ging ze langs hem heen naar de slaapkamer, waar haar eerste werk was zich van haar domino te ontdoen. Zij wilde niet in deze kleeding hem onder de oogen komen.
Verwonderd was ze, dat hij haar niet was gevolgd in de slaapkamer en nu met een kleine lamp in zijn hand naar de bijgebouwen liep. In zijn maskeradepakje, dragend in

[141:]

zijn hand het kleine, flauw schijnsel verspreidend, lampje was hij een angstverwekkende figuur. Zij bleef hem hevig ontroerd nastaren. God, ging hij naar de goedang? Ze zag hem een sleutel in het slot steken en door de deur verdwijnen. Zou hij daar dien nacht gaan slapen? Haar slapen bonsden. Een geheime stem zei haar hem te volgen dáár, maar verlammende angst hield haar tegen. Ze durfde niet. En zich inspannend om kalm te blijven en niet in luid gejammer uit te barsten, bleef zij kijken naar buiten, waar in 't donker heel flauw schijnsel gleed langs de getraliede ramem. Spookachtig zag ze het bewegen en verdwijnen als in koortachtige haast voortbewogen telkens. O, die vreeselijke gejaagdheid, die haar voortzweepte om op te staan en te handelen, maar hoe en wat! Slapen deed hij niet; hij zou het ook niet kunnen, er was geen bed, niet eens een mat om op te liggen. Hij kon toch niet den nacht doorbrengen daar in de nabijheid van de bedienden. Een haan, die luid begon te kraaien deed haar van schrik ineen krimpen. Daar werd 't schijnsel helderder, 't scheen te naderen. Goddank, hij zou binnenkomen. Hij zette het lampje op den grond en sloot de goedang en 't toen weer opnemend kwam hij naar binnen. Maar nu was 't of een slag op het hoofd haar het bewustzijn ontnam; in zijn hand zag zij een blinkend voorwerp, het schitterde haar tegen... hij had zijn revolver uit een koffer in de goedang gehaald.
Een oogenblik wankelde ze op haar beenen, toen kwam weer iets als moed haar aderen doorgloeien. "Laat hij maar!" zeide ze tot zich zelf. "Laat hij mij maar doodschieten, 't kan me niet schelen. Zoo te leven is een hel; beter dood! dood dan maar!"
En zich opheffende in haar volle lengte wachtte zij hem af, hem aanstarend met tartende blik, geen oogenblik bedacht om te vluchten.

[142:]

Pijlsnel vlogen haar allerlei gedachten door het hoofd; haar korte jeugd, haar huwelijk, haar liefde voor van M...
Zijn naderkomen maakte er een einde aan. Hij zou haar á bout portant doodschieten en niemand, niemand was er in den omtrek om haar te beschermen en 't hem te beletten.
Physieke zwakte dreigde haar te overmeesteren. En strijdend er tegen met bovenmenschelijke inspanning overwon ze en bleef staan, starend met groote oogen naar de deur, haar zenuwen tot het uiterste gespannen. Daar trad hij binnen, bedaard loopend regelrecht naar zijn kleerkast waarin hij het wapen wegsloot; toen in eens scheen hij haar tegenwoordigheid te bemerken, en bijna met toonlooze stem, haar daar ziende nog in haar balkleeren, spoortde hij haar aan zich te ontkleeden en te gaan slapen. Hij zelf nam zijn nachtgoed van den stoel en na zich verkleed te hebben wierp hij zich op zijn bed.
Langzaam en met loome bewegingen, als kwam het bewustzijn allemgskens tot haar terug, begon zij zich van haar feesttooi te ontdoen. Zij was gewend, dat hij haar bij het losrijgen van haar ballijfje steeds behulpzaam was, nu moest ze met inspanning van al haar krachten probeeren om het zelf te doen. Zijn rustige kalme ademhaling deed haar vermoeden, dat hij in slaap was gevallen. Een moede uitgestreden ziel, die eindelijk het onafwendbare over zich heeft zien neerkomen en lijdzaam ondergaat waaraan niet meer te ontkomen is.
Zij durfde niet naar hem zien en wischte zwijgend de tranen weg. Toen ze gereed was met haar toilet, legde ze zich werktuigelijk neer naast hem in het breede ledikant.
Bewegingloos lagen ze daar, voor elkaar verbergend de stormen, die woedden in hunne harten.

[143:]

's Morgens was Jansen het eerst opgestaan en na zich vlug gebaad en gekleed te hebben ging hij uit. Nauwelijks had Diana zijn voetstappen hooren wegsterven of ze sprong uit haar bed en probeerde met een van haar sleutels zijn kast te openen. Zij hadhem voor dat hij het huis verliet nog in zijn kast hooren gaan; nu wilde zij zich overtuigen of hij zijn revolver had meegenomen. Na verschillende sleutels in het slot geprobeerd te hebben gelukte het haar eindelijk de kast te openen. Vlak vooraan lag de revolver.
Onwillekeurig joeg de aanblik ervan haar een rilling door haar leden; maar tegelijk kwam een stille blijdschap over haar.
Heel voorzichtig nam ze het wapen uit de kast, wikkelde het in een sarong en liep er mee naar de goedang, waar zij het ging verstoppen onder in een wijnkist, die nog ten deele met flesschen wijn en ledige hulzen gevuld was. Hierdoor had ze een voorloopig gebaar afgewend. Ze wist niet wat het volgende oogenblik brengen zou; toch was het een onmogelijkheid, dat Jansen de zaak zou laten zooals die was, ze had immers van dergelijke geschiedenissen met officieren gehoord en altijd liep het uit op een duel. Onwillekeurig kromp zij in een bij de gedachte er aan. Ze had naar huis willen gaan naar haar ouders om hen alles te vertellen; maar ze miste den moed er toe. Dáár zou 't gejammer van haar moeder en de woede van haar vader haar nog meer van streek brengen zonder haar te kunnen helpen.
Een oogenblik kwam de gedachte aan mevrouw Williams in haar op, die ze echter evensnel verdreef. Van dien kant had ze ook al niet veel steun te verwachten. Die zou haar verwijten dat ze dom gehandeld had, "gekheid was goed; maar 't had haar grenzen," placht ze altijd te zeggen, hiermee

[144:]

soms willende bemantelen haar al te vrije levensopvatting. Haar eigen bedienden vertrouwde Diana heelemaal niet. Herhaaldelijk was haar gebleken dat ze ongeveinsd hun afkeer liete blijken over de intieme verstandhouding van hun meesteres en niet zelden was er een medelijdend kassian toewan over hun lippen gekomen als een woordenwisseling uit het hoofdgebouw tot hen was doorgedrongen. Als ze een van hen met een briefje naar Van Maren zond zouden ze 't misschien aan Jansen geven, wat de zaal nog zou verergeren.
Hoe langer hoe meer gejaagd begon Diana in haar slaapkamer op en neer te loopen, oneindig alleen en verlaten zich voelende, beroofd van elken steun, dien ze zoozeer behoefde.
Haastig nam ze een bad, vluchtig het koude water over zich uitgietend, angstig, dat in die oogenblikken bericht zou komen of iets zou gebeuren. Het gewone uur van ontbijt was reeds lang voorbij.
Droomerig zat de jongen op de trap van de achter-galerij gehurkt, wachtende op zijn
bezigheden. De kokkin kwam reeds terug van de passar en telde met monotoon geluid haar uitgaven voor.
In doodelijke ongerustheid kroop het eene uur na het andere voorbij.
"Ruim het ontbijt maar af," zei ze nadat ze haar bevelen in de keuken had gegeven.
"Meneer moet nog eten," antwoordde de jongen onbeschaamd en begon half onwillig alles weg te zetten in de etenskast.
Elke minuut werd Diana's onrust grooter; 't was haar bijna onmogelijk te blijven zitten.
In de achtergalerij wierp de zon felle stralen, de hitte

[145:]

was er ondraaglijk; bovendien hoorde ze er de gonzendestemmen uit de bijgebouwen, waar de bedienden over het wegblijven van hun heer spraken.
En telkens onrustiger liep ze heen en weer, dan weer in de slaapkamer iets verschikkend, om 't volgend oogenblik naar voren te vliegen.
Niemand, niemand kon ze haar leed klagen. Aan niemand kon ze vertellen, de waarheid, dat ze Van Maren liefhad, laag, gemeen gehandeld had, niet waardig om haar man onder de oogen te komen; maar hem tòch liefhad ondanks haar spijt, haar schaamte nu 't zoover gekomen was. Meer en meer verdiepte ze zich in haar eigen gedachten, die haar terugvoerden, weer naar de oogenblikken met Van Maren doorleefd. En opnieuw vermeerderd door haar gespannen zenuwen nu, joeg hartstocht haar een gloed naar de wangen. Een roode kleur vlekte scherp geteekend op haar aangezicht. Opgezweept door passie en angst kon ze niet logisch meer denken. Ze moest iemand hebben om steun bij te vinden. Waarom kwam Van Maren nu niet hier bij haar, om haar te troosten, haar te verzekeren, dat hij haar liefhad met die groote hartstochtelijke liefde, die hij in haar had gewekt? Hij wist toch hoe ze van elkaar waren gegaan den vorigen avond, hij kon begrijpen dat ze snakte naar een enkel woord van hem. En terwijl suggereerde ze zich dat hij niet kòn nu, dat hij onmogelijk in haar huis kon komen en haar schrijven kon, 't zo de zaak verergeren, dat begreep ze toch ook wel.

En wippend op haar kleinen gebeeldhouwden wipstoel in onrustig beweeg, zag ze langs den zonnigen kampementsweg, waar bijna geen sterveling voorbij kwam. Zij meende te ontdekken achter een paar aanslenterende

[146:]

inlanders de gestalte van Soerô, den koetsier van haar ouders en een opwelling van blijdschap juichte in haar op. Starend bleef ze wachten om zich te vergewissen. Hij had een leitje in zijn hand, dus bracht hij een boodschap van thuis.
Haar zenuwen ontspanden zich in een vloed van tranen, die ze nu niet langer te verbergen zocht. Soerô moest haar helpen, hém kon ze vertrouwen. Dat hij nu juist hier kwam met een boodschap van huis was een onverwachte zegen. Ze zou hem zenden waarheen ze wilde en hij zou gáán.
Voor het huis gekomen zag hij Diana schreien en nemend zijn breedgeranden tapeng van het hoofd, naderde hij haar met gebogen lijf, haar overgevend het leitje, dat brandde van zonnewarmte.
Een onheilspellende gloed flikkerde uit de fluweelen oogen van den inlander, toen hij tranen zag in de hare. Zwijgend bleef hij staan, wachtend tot ze hem iets zou zeggen, en onafgewend den blik op haar gericht. Met moeite bedwong ze haar luid snikken.
"Stil mevrouw, ze zullen u hooren", waarschuwde hij spiedend rondziende.
"Kom binnen, je moet me helpen", zei ze opstaande en hem wenkend in de binnengalerij.
Schroomvallig, niet gewend binnen in huis te komen, naderde Soerô steeds in voorover gebogen houding. Diana besefte het gekke van haar handeling en vreezende, dat voorbijgangers die zouden critiseeren, sloot zij de donkergroene openslaande jaloesieën van de binnengalerij. Verwonderd volgde Soerô's oog elk harer handelingen, terwijl allerlei gedachten zijn hoofd bestormden; zijn hart begon sneller te jagen, hij voelde het bloed klotsen in zijn slapen. Altijd had hij den blanken Europeaan, die Diana's echtgenoot was geworden, gehaat, maar nooit te voren had hij die haat zoo in zich

[147:]

voelen opbruisen. Met moeite bedwong hij zijn woorden. O, zij had goed gedaan zijn hulp in te roepen. Op niemand zou ze zoozeer kunnen vertrouwen als op hem, hij zou in staat zijn dien man te dooden als zij het wenschte.
Deze gedachten woelden door zijn hersenen terwijl hij daar stond en achtte, wachtte tot zij gereed zou zijn om hem mee te deelen wat ze wat hem wenschte, innerlijk jubelend over den steun die ze bij hem zocht. Had ze dan tóch gezien, gevoeld eindelijk zijn hartstocht vor haar? Hij trilde aan al zijn leden en een doodelijk bleek was over zijn gelaat gekomen. Nog altijd stroomden haar tranen terwijl ze, na de deur gesloten te hebben, op een stoel neer was gevallen. In haar dankbaarheid van te weten nu iemand in haar nabijheid, op wien ze kom vertrouwen, die haar zou beschermen als 't moest, verloor zeden afstand, die hen scheidde uit het oog.
In onderdrukt gesbik kwam het haar van de lippen: "Soerô' help! help toch, ik heb soesah."
De Javaan hurkte neer aan haar voeten en haar kalmeerend door zijn zangerige stem begon hij haar aan te manen naar haar ouders te gaan.
"Poelang Sadja nja" zei hij fluisterend haar aanziende met groote onrustige oogen.
"'t Is niet goed om hier te blijven, meneer is slecht en zal njonja dood maken en Soerô kan niet hier blijven om het te beletten, thuis is Soerô altijd dicht bij en kan over njonja waken, hier niet"...
Zij had hem willen zeggen, dat zij den dood niet vreesde, dat 't dat niet was waarom zij zijn hulp behoefde; maar zij kon niet. Zij kon haar verwarde gedachten niet ordenen en hem duidelijk maken wat zij wilde. Alleen zou ze hem

[148:]

zeggen dat hij voor haar naar het Koningsplein moest gaan om te zeggen... ja wat?... zou ze hem laten zeggen? Dat hij bij haar moest komen... met haar moest komen... met haar moest vluchten des noods...?
Hoe meer zij zich inspande om te bedenken wat ze Soerô zou laten zeggen, hoe meer verward zij raakte in haar eigen gedachten en zij had geen tijd te verliezen. Elk oogenblik kon Jansen thuiskomen en haar overvallen. Dan zou Soerô bij haar ouders uit den dienst verwijderd worden.
Soerô voelde het gevaar dreigende naderen en toch onmachtig om weg te gaan nu hij ongestoord kon toeven in haar bijzijn, bleef hij in deemoedig neergebogen houding wachten, bedwelmd door opgezweepte passie en geweldiger haat. In de achtergalerij weerklonk gerinkel van glaswerk en servies. Beiden schrokken op.
"Ga maarweg Soerô. Soedah, ik zal naar huis gaan, njonja besar vraagt of we daar van avond komen eten, zeg maar dat ik kom, als de bedienden je zien zullen ze alles aan meneer zeggen.
Hij stond op met onheilspellend flikkerende oogen.
Een oogenblik bleef hij staan en zag op haar neer. Slechts ten deele bedekt door de dunne batisten kabaja joegen haar weelderige vormen het bloed hem met woeste schokken door de aderen. Verlamd bleef hij staan, machteloos zich aan de betoovering te ontrukken. Onwillekeurig balden zijn handen zich tot vuisten, terwijl een dof onderdrukt gekreun zijn borst ontsnapte.
Zonder naar hem om te zien had zij zich schokkend van snikken, voorover op den divan geworpen.
Een rijtuig kwam nader, zou 't voor 't huis stilhouden?...
Met onnavolgbaar flegma sloop Soerô langzaam in gebogen houding de kamer uit en daalde af langs het kleine

149:]

steenen trapje van de voorgalerij, terloops groetend den huisjongen, die langs het achtererf naar voren was gekomen op het geluid van een naderend rijtuig.
Een oogenblik kruisten de blikken elkaar uit de zwarte oogen der twee inlanders. Toen ging Soerô bedaard zijns weegs, nauwelijks acht slaande op den dos-á-dos, die hem passeerde en waarin hij heel goed Jansen had zien zitten.
Inwendig doodelijk ongerust over het vreemd gebeuren besloot hij niet naar huis te gaan en in de schaduw van een boom te gaan neerhurken. Hij had dien blanda nooit vertrouwd en nu vooral wilde hij graag dichtbij zijn als er eens wat gebeurde. 't Was hem niet ontgaan, na herhaaldelijk ongemerkt getuige te zijn geweest van hun huiselijke twisten, dat de liefde bij het jonge paar een ledige plaats had achtergelaten.
Jansen stapte uit zijn dos-á-dos en ging naar binnen. 't Was later dan gewoonlijk; maar hij scheen er zich geen rekenschap van te geven, ook niet, dat hij nog niet ontbeten had dezen ochtend en zijn toch aan het gehemelte kleefde van dorst. "Geef mij een glas water," gebood hij den gedienstigen huisjongen, die hem dadelijk het gevraagde kwam brengen. Daarna met onzekeren gang stapte hij naar binnen.
Diana was onmiddelijk opgerezen en zat op den diva,
Zonder haar te groeten nam hij een stoel, schoof dien bij de tafel. "Ik heb even met je te spreken, Diana."
Zij zag hem vluchtig aan en knikte.
"Wat ik gedaan heb is misschien laf in de oogen van mijn kameraden, zoU 't misschien kunnen zijn als ze wisten, wat ik heb trachten te beletten. Na 't gebeurde van gisteravond kunnen we niet meer samen blijven, wat trouwens voor jou en voor mij een marteling zou zijn. Ik heb je te lief gehad - hier stokte zijn stem - om je niet een groot offer te

[150:]

kunnen brengen. Ik begreep, dat op dit oogenblik je hart vervuld is van den man voor wien je mij hebt verraden. Ik had hem kunnen uitdagen, hem des noods a bout portant kunnen doodschieten"... zijn lippen trilden van ingehouden woede.
"'t Heeft me geweldigen strijd gekost om 't niet te doen; maar ik heb overwonnen en ik ben naar hem toegegaan om hem te zeggen, dat ik geen schandaal zou maken, jou naam ongerept wilde bewaren; maar dat ik van hem eischte, dat... hij... je trouwde."
Zij was bij deze woorden opgesprongen en bevende aan al haar leden, doodsbleek, zag zij hem aan. Een vreeselijke vertwijfeling teekende zich af op haar gelaat.
Hij begreep wat in haar omging en haar strak aanziende, niet willende langer haar in die spanning laten, zei hij: "Hij heeft me gezegd, dat 't hem geen opoffering zou zijn je te trowen... dus... je bent vrij."
Met een snik, als had deze mededeeling al zijn krachten geEIscht, viel hij voorover met het hoofd op de tafel.
Een oogenblik kreeg het medelijden bij Diana de overhand. Ze had naar hem toe willen gaan, hem troosten, nu zij inwendig jubelde en zich van de ndrukkenden angst wist ontlast; maar zij durfde niet. Zij wist, dat haar troost hij het best kon ontberen in dit oogenblik. En toch kostte het haar moeite niet haar arm te slaan om zijn hals en hem te danken... voor het... geluk... dat zij... aannam uit zijn hand.
Langzaam druppelde een traan neer op haar kabaja. Hield ze dan nóg van hem of nu pas? vroeg ze zich af, gebroken door het zien hoe de reus was geveld en zenuwschokkend neerzat, ter prooi aan zijn smart. O waarom kon ze niet liefhebben, zooals die westerschen met hun

[151:]

kalme natuur, waarom bruiste passie door haar aderen?
Een hevige strijd woedde in haar binnenste, maar fel joeg het warme bloed. Ze wist, ze kon Herman terugwinnen voor zich, ze kon na doorworsteling van enkele treurige dagen hem terug brengen aan haar voeten, ze voelde er zich van bewust, maar tegelijk verrees voor haar het beeld van hun stil huwelijksgeluk, van 't emotieloos bestaan naast hem en de levensbeker, dien de andere haar even had geboden, en waarnaar zij snakte, lokte zoo verleidelijk... zonder zich aan allerlei hoon bloot te stellen kon ze hem bezitte nvoor 't leven. Hij had 't geen opoffering gevonden haar te huwen! Hoe weinig poëtisch kwamen deze woorden haar voor, doch kieschheid had hem verboden tegenover Herman van zijn groote liefde voor háár te gewagen.
Nog besluiteloos wat te doen het eerstvolgend oogenblik stond ze bij de tafel, starend naar buiten waar de zon flikkerde op den grond.
Ineens zich geweld aandoende hief Jansen zich op. "Ik heb je nog niet gezegd, wat ik besloten heb voor de eerstvolgende dagen. We kunnen natuurlijk niet langer meer bij elkaar blijven, neen natuurlijk niet."
't Was of hij zijn gedachten verzamelde. "Je moet beginnen naar je ouders terug te gaan, al heel gauw zal... de... echtscheiding tusschen ons uitgesproken zijn... Ik zal me bij verstek laten veroordeelen."
Ze had hem willen vragen wat dat was toen hij haar voorkwam en zei: "Dat is: dat ik alle schuld op mij zal nemen en me zal laten veroordeelen wegens echtbreuk."
Het angstzweet parelde op haar voorhoofd. Hoe vreeselijk die formaliteiten waren had ze niet geweten, nog minder, dat ze hem, den onschuldige, zouden moeten treffen. Haar goedhartigheid kwam boven en weifelend, bijna toonloos

[152:]

zei ze: Waarom niet ik Herman, waarom moet jij de schuld op je nemen?"
"Omdat in de wet staat, dat je met je medeplichtige niet mag trouwen."...
Hij had haar nog willen zeggen, dat zij haar duur gekocht levensgeluk moest waardeeren, en vasthouden, dat niet elken dag zij een leven zou ontmoeten in staat tot de opoffering die hij deed; maar zijn aandoening belette hem verder te gaan en opstaande ging hij waggelend naar de achtergalerij, nog zeggend met hokkende stem: Ga nu heel gauw naar huis...
Machteloos tot denken viel Diana terug in haar stoel. Ze vond 't ontzettend wat gebeuren ging, vreeselijk en toch wist ze, dat 't zoo moest. De tijd, die haar nog van Van Maren zou scheiden leek haar een eeuwigheid. O als ze zoo maar ineens naar hem toe had kunnen gaan, aan zijn borst had kunnen uitzeggen ál 't verdriet, dat ze er van had, want verdriet had ze, om haar ouders en om Herman, om Herman dien ze hoog achtte, dien ze beklaagde; maar die haar liefde niet had...
Ze voelde zich eindeloos ongelukkig. Onwillekeurig gleed haar oog langs de kleine snuisterijen op de étagères en schilderijen aan den muur; nog zoo kort geleden waren ze hier opgehangen om haar te huis te veraangenamen, hun nestje te versieren... en nou? Ze zou alles mee kunnen nemen; maar dat zou ze niet doen. Alleen haar kleeren wilde ze hebben. Ze zou Herman niet berooven van hun gezellige inrichting. In haar fantasie zag ze er hem al met een andere vrouw - mannen vergeten zoo spoedig, meende ze en daarmee sustse ze eenigszins haar geweten in slaap.
't Ergste hinderde het haar om alles thuis te moeten zeggen. Hoe vreeselijk zouden haar ouders het zich aan

[153:]

trekken. Ze hadden niet veel genoegen aan hun eenig kind beleefd...
Midden in haar overpeinzing werd ze gestoord door haar moeder, die het trapje opkwam en regelrecht naar binnen liep.
Ze zag aan Roos haar roodgeweende oogen, dat deze alles wist.
Onbeweeglijk bleef ze zitten toen ze haar moeder zag naderen.
Opnieuw barstte Roos in een tranenvloed uit en haar armen slaande om de tengere, teere gestalte trok ze haar kind aan haar borst.
En midden tusschen haar tranen kuste ze zenuwachtig snikkend Diana op beide wangen.
"Weet mama 't al?" vroeg deze met gebroken stem.
Roos knikte. "We weten alles, Herman is bij ons geweest. Je moet nu maar met me mee gegaan, kassian."
Diana had een vreeselijke scène verwacht, een wanhopig pogen om hen weer tot elkander te brengen, des noods door geweld, alleen niet den kalmen berustenden toon, waarop haar moeder tot haar sprak.
"Is papa niet boos maatje?" vroeg zij.
Roos trok haar schouders op en begon nog erger te schreien. "Je bent ons kind en je gelukkig te zien is onze eenige wensch. Wat helpt 't of we boos zijn? Herman heeft gevraagd of we hem wilden helpen om alles zoo te doen. Och, och die stumper, arme jongen. En hij denkt alleen om jou."
"Wat zeggen de menschen?"
"De menschen?" Goddank weten ze van niets. Ze wisten dat jullie niet bij elkaar pasten en zullen niet verwonderd zijn, dat je separeert en later... hertrouwt"

[154:]

Diana voelde zich blozen. Nog flauw herinnerde zij zich den afkeer, dien haar vader en moeder aan den dag hadden gelegd voor Van Maren, en nu behandelde zij 't als een gewone zaak. Wel moesten ze veel van haar houden, dat ze zich zoo neerlegden bij alles wat gebeurd was. En een gevoel van ontspanning na doorgestane angsten kwam over haar. Zelf weinig expansief van karakter, had ze nu haar moeder alles kunnen toevertrouwen, haar geheim verdriet, haar smachten naar een groote begrijpende liefde, zelfs haar onverzadigde passie. Doch Roos liet er haar den tijd niet toe. Bovendien hield ze niet van sentimenteele beschouwingen. Ze had het hoofd gebogen voor den slag, die haar was toegebracht, zoowel als haar man. Beiden elkander begrijpend, richtten ze het stille verwijt tot elkaar van hun kind een beetje in de richting gedwongen te hebben, waarin ze haar hebben wilden. Niet zonder geheime vrees hadden ze sommige verhalen van de bedienden aangehoord of een koelen toon in Diana's stem meenen op te merken als ze over Herman sprak.
Ze hadden ingegrepen waar ze het geluk van hun kind op het oog hadden. Van Maren te vermijden was hun eenige drijfveer geweest. En Jansen had hen hiertoe door zijn aanzoek de gelegenheid gegeven. Welke ouders zouden misschien niet hetzelfde doen, zegden ze tot elkaar. Ze moesten, ze wilden hun kind aan den invloed van dien man onttrekken. Thans, nu hun berekeningen faalden, nu ondanks al hun voorzorgen, hadden ze voor het onuitgesproken zelfverwijt het hoofd gebogen. En toen Herman hun alles had verteld, hadden ze elkander even aangekeken, zwijgend me teen bijna onmerkbaar hoofdknikje. Ze hadden niet gepoogd haar te verschoonen in zijn oogen, noch zijn vergevensgezindheid afgesmeekt. Ge

[155:]

signeerd ondergingen ze wat het noodlot hun bracht. Toen Jansen na alles besproken te hebben weg reed was Roods opgestaan en toetredend op de Kanter, die verstard me diepe groeven in zijn voorhoofd daar neer zat, had ze haar arm geslagen om zijn hals en hem kussend op het klamme voorhoofd had ze hem naar zich toegetrokken. "Zal ik haarmaar gaan halen nu?" fluisterde zij bijna klankloos.
En hij opgeschrikt door haar geluid als uit een droom, had toestemmend geknikt. "Ja Roos, ga haar halen, gauw maar. Ze moet niet langer blijven in het kampement." Daarna was mevrouw De Kanter weggereden om Diana te halen. Zich geen tijd gunnend tot Soerô zou zijn thuis gekomen, liet ze door den jongen een huurrijtuig halen. Ze wilde zoo spoedig mogelijk bij haar kind zijn. En terwijl telkens tranen in haar oogen kwamen bedwong ze zich om zich goed te houden, om niet te laten merken, dat ze er zoo onder leden, want 't was hun schuld geweest. Dit te moeten constateeren griefde haar het meest. Toch was Roos eerljk genoeg om zich dit te willen toegeven. Voor zich zelf had zij het voornemen haar kind nu niet meer in iets te zullen weerstreven. "We zullen haar in alles tegemoetkomen. We zullen lief voor haar zijn, dat is de eenige manier om haar misschien te doen inzien, dat we het goed met haar meenen. Misschien later na langen tijd zal ze van Maren uit haar hoofd zetten en iemand ontmoeten..."
Ze kreeg een schok toen ze zich zelve betrapte op de gedachte aan nieuwe toekomstplannen. En toch viel 't haar zoo zwaar zich in te denken, dat zij Diana eenmaal aan dien man zou moeten geven...
"Zal ik niet eerst mijn goed inpakken ma? Mijn kleeren moet ik toch meenemen?" vroeg Diana toen Roos was opgestaan en haar aanspoorde om nu mee te gaan.

[146:]

"Laat maar. Ik zal over een paar dagen alles halen wat van jou is; 't is beter van niet dit nu te doen. Wij moeten Herman ontzien."
Onbeweeglijk stonden de boomen van het kampement, badend in den fellen zonnebrand. Nergens bevond zich een menschelijke gedaante op de uitgestrekte grasvlakte. Een paar huizen verder stond het rijtuig, een oude stoffige mylord te wachten. De koetsier had zich op de zitbank geplaats en was met den tapeng over zijn gezicht, in slaap gevallen.
"Laten wij maar even er heenloopen," zei Roos, de trappen afgaande en rondziende of ze niemand zag om den koetsier te kunnen wekken.
Ineens bemerkte ze Soerô, die van achter een boom te voorschijn kwam. Zij wenkte hem en wees op het rijtuig. Hij had van alles uit zijn schuilplaats gezien, trouw de wacht houdend om, wanneer dit noodig mocht blijken, hulp te kunnen bieden.
Zoodra de dames waren ingestapt, klom hij op den bok naast den koetsier.
Aan de betraande gezichten der twee vrouwen zag hij, dat ernstige dingen op het spel stonden. Nog nooit had njonja besar, zoolang hij zich herinneren kon, met een huurrijtuig gereden. 't Zou wel ineens gedaan zijn, meende hij, en inwendig jubelend flikkerden zijn fluweelen oogen onder den breedgeranden tapeng.
Zoo geheel vervuld van dezelfde gedachten reden ze weg, achterlatend in de kleine sierlijke luitenantswoning een nooit aan te vullen leegte van verloren illusie..
Heel hartelijk had de Kanter zijn kind gekust bij haar thuiskomst. In de voorgalerij had hij in zijn slaapbroek en kabaai haar zitten afwachten.

[157:]

"Moet je niet wat eten eerst?" had hij gevraagd bezorgd, toen hij zag, dat zij regelrecht naar haar kamer wilde gaan.
Maar zonder een woord te zeggen schudde Diana van neen. 't Was haar niet mogelijk te spreken nu.
Ze wilde alleen zijn.
Ze wilde haar gedachten ordenen, zich rekenschap geven van de dingen, die te gebeuren aanvingen. 't Was alles zoo snel in zijn werk gegaan, dat ze zich nauwelijks kon herinneren wat er allemaal was voorgevallen. Geen vier en twintig uur geleden was ze vol illusies geweest voor het bal déguisé en nou was alles al beslist.
Met beklemd hart zette ze zich op den rand van haar bed, in haar eigen kamer, die ze nog slechts zo kortgeleden verlaten had.
Een weldadig halfduister heerschte er door de stijfgesloten jaloesieën, die het zonlicht buitenhielden. Neen, ze had zich nooit één oogenblik gelukkig gevoeld met Herman, ze was nooit thuis geweest in de kleine kampementswoning, met hoeveel smaak deze ook was ingericht. De militaire omgeving, al dat soldatenbeweeg op 't groote groene grasplein was haar vreemd gebleven. Ze had er telkens naar gekeken, zonder zich ooit te gevoelen als de vrouw van iemand, die er deel van uitmaakte.
En als zij Herman had hooren commandeeren en zijn heldere klankvolle stem weerklonk langs de gelederen, had ze niet zooals de andere vrouwen met bewondering van uit haar huis naar hem staan kijken, maar was naar binnen gevlucht. Ze vond 't gek, aanstellerig, die komedie. En ze sloot de deuren om er niets meer van te hooren.
Nu was ze weer in haar ouderlijk huis.
Het voorgevallene had haar geschokt erger dan ze zich

[158:]

had kunnen denken en; in den eersten tijd volgde een reeks van onaangename beslommeringen.
Enkele dagen na haar terugkeer in de oudelijke woning verzocht haar vader haar om een onderhoud. 't Liefst had hij maar alles gelaten zooals het was; haar nergens over gesproken, tot misschien later een behandeling van de teere kwestie haar minder zou schokken, doch zijn vrouw had erop aangedrongen, hem verzekerd, dat 't noodig was om Diana een gedragslijn voor te schrijven en ook hem zelf. Immers als een loopend vuurtje zou 't nieuwtje te Batava worden gecolporteerd. Vóór alles moest hij beletten stof te leveren tot verrrijking van de chroniqu scandaleuse, waar te Batavia, zoowel als overal elders in Indië zoo gaarne aan geofferd wordt.
"'t Is heel goed, dat je van je man zult scheiden kind, dat gebeurt wel meer, zelfs dikwijls," zei hij, toen hij met haar alleen op zijn kantoor was gaan zitten. Hij wist deze plaats veilig en ongestoord [en dus] zou hij hier met haar kunnen spreken.
"De hoofdzaak op het oogenblik is, dat je nies doet waarop de menschen aanmerkingen zouden kunnen maken."
Ze fronste eenigszins verwonderd de wenkbrauwen, maar hij doorgaande op zijn goedvaderlijken toon sloeg er geen acht op.
"Niemand mag zeggen, dat je huwelijk verbroken wordt om met een ander te trouwen, meer dan iemand moet een gescheiden vrouw stil en ingetogen leven. In huis en in ons gezelschap zullen we je zooveel genoegen geven als in os vermogen is. 't Offer, dat Herman bracht, moet den eerlijken jongen zwaar, zeer zwaar gevallen zijn; hij had den ander liever een degenstoot gegeven. Laat 't niet vergeefs zijn, dat hij je naam heeft weten te redden."

[159:]

Zij had hem willen zeggen, dat zij er niet aan dacht zich te buiten te gaan of dingen te doen, waaraan de wereld zich kon ergeren; maar hij liet haar niet aan 't woord, bang dat hem te eenenmale de moed zou ontbreken om haar alles te zeggen, wat hij noodig achtte.
"Welke plannen je ook mocht hebben voor je volgend leven, we zullen je nergens in tegenwerken, alleen dit vraag ik van je voor je eigen geluk, laat dien man... laat Van Maren voorloopig hier niet komen. In den eersten tijd moet je hem heelemaal niet zien zelfs."
Hij zag, dat een doodelijk bleek haar gelaat overtoog, en 't deed hem pijn haar opnieuw te moeten kwetsen. Zij was zijn kind, zijn eenigste; en in het diepst van zijn vaderhart voelde hij iets van 't geen zij moest lijden.
"Hoe lang moet de tijd wel duren papa, dat ik rouw draag?" vroeg ze met saamgeperste lippen.
Hij zag haar aan vlak in het gezichtmet verwonderd opziende oogen, boven zijn gouden lorgnet; toen ineens als was hij bang straks den moed er toe te zullen missen: "Totat de tijd er is waarop je vrij zult zijn een ander huwelijk aan te gaan; dat is een jaar."
Zij verschrikte zichtbaar.
"Nooit kwam Van Maren bij ons aan huis, 't zou dus wel opzien baren, als hij dat nu deed, en onwillekeurig zouden ze dit in verband brengen met je scheiding en je toekomstige plannen. Dit moeten we vermijden."
Zij had zich reeds van den eersten schok hersteld. 't Kwam haar zelve minder gepast voor nu reeds een nieuwen pretendent te ontvangen, en gerustgesteld door het feit, dat haar echtgenoot zijn tegenstander een trouwbelofte aan haar op schrift had laten stellen en hem die in het bijzijn van twee getuigen had laten teeken, vreesde zij ook niet het gevaar, dat hun

[160:]

tijdelijke scheiding de liefde bij hem zou doen verkoelen, en innerlijk genoot ze er van zich verzekerd te weten van zijn bezit, als 't maar niet juist Herman was aan zien ze dit geluk te danken had. Ze zou den tijd, die haar nog van den geliefde scheidde, doorbrengen met zooveel mogelijk zich te verstrooien en was eenmaal de termijn verstreken, dan konden ze onmiddelijk trouwen. Als ze zijn vrouw was mochten de menschen praten zooveel ze wilden, 't zou haar niet deren. Alleen nu moest ze zich in acht nemen en dat beloofde ze zich zelve, om haar vader, die 't haar zoo ernstig had verzocht.
Vrij om met hem te correspondeeren, konden ze schriftelijk al hun plannen maken.
Ze was reeds een week thuis eer zij eenig bericht van Van Maren ontving.
't Was op een middag gedurende het rustuur dat haar lijfmeid haar een brief, vergezeld van een bouquet overhandigde. Opzettelijk had hij dit uur gekozen, opdat ze haar onbespied zouden bereiken.
Een donkere blos groeide naar de wangen toen Ngalim met de geurige gave binnentrad. Onwillekeurig had zijn stilzwijgen haar geprikkeld. Weinig zeker van de duurzaamheid zijner gevoelens, was ze aan hem gaan twijfelen, zich allengs voorhoudend, dat 't een onmogelijkheid zou zijn om hem tot een huwelijk te dwingen, indien hij zich hiertegen verzette; haar trots zou haar dit beletten. Eerst bijna onmerkbaar kwam de vreeze haar hart binnensluipen. Ze werd echte nog te veel in beslag genomen door allerlei schikkingen met haar goed en meubilair, dat haar man haar had doen toekomen en dat een plaats in huis moest hebben; tot ook deze bezigheid niet langer haar aandacht vroeg en zij zich geregeld overgafaan haar bekomemring, wel be

[161:]

dacht haar ouders niets van haar gedachten te doen raden.
Apathisch en lusteloos had ze zich overgegeven aan haar bepeinzingen, waarin ze als een blindde rondtastte, nergens steun vindende om zich aan vast te houden.
En nu ineens was er een einde gekomen aan al de zorgen. De bloemen in de vaas op haar klein onix tafeltje aan het raam getuigden er van. In de verrukking van haar geluk had ze Ngalims tegenwoordigheid vergeten; haar oogen opslaande trof haar den verwijtenden blik van het rimpelige oudje.
"Ga weg Nim en zeg dat ik laat bedanken," zei ze om zich een houding te geven en gehoorzaam verliet de baboe het vertrek, onderweg schuddende haar grijze hoofd over de soesah, die ze had om meneer, met wien ze zooveel kassian had, en die zoo goed was en nu daar heel alleen moest zitten in het kampement. Als ze niet zeker geweten had, dat hij zou weigeren, zou ze hem gevraagd hebben of ze bij hem had mogen blijven tot hij weer zou trouwen of een najaai zou nemen.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina