doorzoek de gehele Leestrommel

Leestrommel
Leestrommel
a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Mas Ranoe: Vrouw
's-Gravenhage: N. Veenstra, 1900


[91:] VII

Het was reeds half negen en Van Raden was nog niet thuis.
Voor den tweeden keer weerklonk de etensbel, de laatste gasten spoedden zich naar tafel. Een gevoel van ontzettende onrust, een angstige gejaagdheid maakte zich meester van Felie, die thuiskomende haastig haar hoede af had gezet en daarna met snelle passen het vertrek op en neder liep.
Voor het bedje van Otto lag Mariam uitgestrekt in diepen slaap. Geruisch van glaswerk en zilver drong tot de kamer door en herinnerde, dat de avondmaaltijd reeds ver gevorderd was.
Het duurden iet lang of enkelen keerden reeds uit de eetzaal terug; zij besloot maar niet aan tafel te gaan, trek had ze niet en heel alleen aan tafel te komen schrikte haar af. Gedachten van allerlei aard schoten als bliksemflitsen haar door het hoofd, 't was niet mogelijk zich aan één vast te houden. Gevoel van naderend onheil greep ijzig om haar heen en deed van angst het teere lichaam sidderen. Woeste hartstochtelijke kussen, dan weer gedachte naan wit-witte Sambodja's zweepten de sensatie van huiverend bang zijn op tot een hoogslaande vlam.
"Als de teere bloemen zouden gewroken worden op

[92:]

Thunen, als hij... Ach God nee, dat zou te erg zijn."
Handenwringend drukt ze het gloeiend voorhoofd tegen de jalousie/En, waaruit frissche nachtlucht haar toestroomt.
Met moeite weerhoudt ze de tranen, die telkens in haar oogen dreigen op te komen. In groote zwermen gonzen muskieten om haar heen, sarrend suizend haar eentonig lied. Haar horloge wijst tien uur, zij durft niet buiten te gaan zitten uit vrees voor de nieuwsgierige blikken der logé's, die meest allen in negligé op luiaardstoelen uitrusten van hun dagtaak, genietend de avondkoelte. Zich uitkleeden en naar bed gaan durft ze evenmin, zij wil haar man gekleed opwachten.
De handen gevouwen, met geslooten oogen, zet ze zich op den divan en poogt de verschrikkelijke gedachte van zich af te schudden. O, gedoemd te zijn tot denken, dat ontzettend denken, in stille berustig afwachten de dingen zooals ze komen, machteloos om een hand uit te strekken en 't radarwerk tegen te houden in zijn loop!
Buiten donkere stille nacht, vaal zwart neerhangend over sluimerende aarde, waaruit krekelgezang en kikvorschgekwaak omhoog stijgen in koor. Klagend gehuil van een hond uit de naburige kampong doet haar sidderend ineen krimpen.
Waar blijft illusie van tropische nacht van glanzende sterren, neerziend omlaag, zoo goddelijk voor 't rustig gestemde gemoed, maar terging voor 't angstig gefolterde hart.
Nauwelijks waren eenige minuten voorbijgegaan, toen onzekere voetstappen weerklinken; zij richtte zich op en luisterde. Langzaam en met wankelenden tred naderde een gestalte. Zij trachtte met haar oogen de duisternis te doorgronden. Plots herkende ze huiverend haar echtgenoot.
"Ben je al thuis, ik dacht dat je nog bij je minnaar zou zijn?" sprak hij hoonend.
"Ik ben al lang thuis, je weet evengoed als ik, dat..."

[93:]

"Nu wat, dat?"
"Frits ik bid je, wees kalm, men kan ons hooren."
"Dat kan me niet verd... heb jij je d'r aan gestoord dat anderen wat hoorden?"
"Kom eerst binnen, ik zal je alles vertellen... kom."
Ze wilde zijn arm grijpen, doch hij slingerde haar hand woest van zich af. "Om me leugens wijs te laten maken dank je, ik heb geen trek om ze aan te hooren."
"Ik zal je geen leugens zeggen, ik wil je alles vertellen, alles... de waarheid! Mevrouw de St. Remy zal je het verder ophelderen; maar kom nu binnen."
"Zwijg over dat canaille, ik begreep wel, dat er wat achter school."
"Geloof me, 't ws toeval."
"Ja, zooals al die dingen bij toeval gebeuren, ik heb nog oogen in mijn hoofd, al wil jij me blinddoeken."
Hij kwam binnen en zocht een steun tegen de linnenkast, een sterke lucht van alcohol bezwangerde de atmosfeer; Felie zag met ontzetting naar de uitpuilende oogen. Met heesche stem ging hij voort:
"Je wilt me uit de weg ruimen hè, en dan met dien ellendeling trouwen, wel zeker je hadt hooger prijs op de huwelijksmarkt kunnen bedingen, dan ik betalen kon, je kunt je met mijn gewoonten niet vereenigingen, ik ben te burgerlijk, bij jou was 't ... e... een chicque boel, had ik .... e... maar eens goed ge/Informeerd hoe jullie daar aan kwamen..."
Met groote, wijd opengesperde oogen zag ze hem aan. "Zwijg!..." gilde ze.
Een onderdrukt gesteun steeg op uit een hoek der kamer, Mariam rekte zich uit met langzame bewegingen en stond op. Schijnbaar half slaperig schreed ze naar buiten, langs haar gebieders, zonder van hun tegenwoordigheid notitie te nemen

[94:]

Buiten voor de deur vlijde ze zich neer. Aan den anderen kant der galerij hurkte een oudachtig man; hij had daar al geruimen tijd gewacht en op de vraag van enkele log/E's wie hij was, antwoordden de bedienden: "Orang toewa nja baboe pan Raden." [Het is de vader van baboe van Raden.]
Schijnbaar sloeg noch de een, noch de ander acht op hetgeen voorviel daar binnen. Inderdaad echter was geen woord de slimme Mariam ontgaan, zij had te lang met Europeanen geleefd om niet alles te kunnen verstaan. Haar stil verlaten der kamer zou wellicht gelegenheid geven tot vrijer uitspreken, buiten kon ze immers even goed alles hooren, Blanda's moesten altijd hun woede uiten in hard schreeuwen.
Zij liet zich op haar hurken neerzakken naast de deur der slaapkamer, haar oogen zochten de n man aan 't andere einde der galerij. Niets verraadde de demonische gedachten achter het bruine masker, de wilde hartstocht, opborrelend uit ontembare sensualiteit.
"Ah pienter betoel ini panglima Prang Mangi," prevelden haar lippen, en hare gedachten vlogen terug naar jaren, voor h/AAr van onverzadigd genot.
Harde woorden uit de kamer riepen haar tot zich zelve, luisteren moest ze immers, luisteren, "tobat tjilakka," [O, ongeluk!] dat ze daar nu zoo aan 't piekeren was geraakt.
Een verachtelijk lachje gleed onmerkbaar over haar gelaat, even beroerend de donkere lippen, snel wegvlietend in 't vonkflitsend oog... Zij had de snikken harer meesteres opgevangen. "Hollandsche vrouwen moeten altijd huilen, toen ik soesah had, heeft niemand mij hooren snikken."
Met een langgerekten zucht strekte zij zich uit. "Ajo

[95:]

tidoer," zei ze tot zich zelf, gestreeld door blijde hoop, die uit de scène in de kamer schuchter opgloorde. Een luide slag deed haar verschrikt opspringen. Van Raden had den arm zijner vrouw gegrepen en haar tegen de waschtafel geslingerd, zoodat zij met een bloedende wonde aan het hoofd neerviel. "Mariam toelong," {Help!] kwam het zwak van haar lippen, doch deze bede bleef onverhoord; de twee personen waren uit de voorgalerij verdwenen.
"Schreeuw maar niet, ik zal je niets doen, ik zal alleen met dien lafaard afrekenen, morgen schiet ik hem dood."
Zij hief hare handen smeekend omhoog en trachtte zich op te richten. Aan flarden hing het fijne saumon neteldoek om de teere leden. Met koortsverhitte oogen zag hij de ronding van haar bovenarm: plotseling kwam zij hem zoo schoon, zoo begeerlijk voor en hoog op vlamde hartstocht in toomlooze woede. Andermaal greep hij in 't blankwitte vleesch, met hoonend saterlachen.
"Papa djangan poekoel mamah, mamah zoet?" [Papa mama niet slaan.] komt 't angstig stamelend van kinderlippen.
In de schaduwen der ellende duikt blondblank het aanvallige kind, schuchter rondziend om zich heen, dan met kleine pasjes, de mollige knuistjes vooruitgestoken, ijlt het zijn moeder tegemoet.
Weenend sluit zij haar lieveling in de armen en kust de tranen weg, die in zijn oogen wellen.
De vader blijft eenige oogenblikken het schouwspel aanstaren, dan trekt hij minachtend de schouders op en gaat heen...





| vorige pagina | inhoud | volgende pagina