[118:]
HOOFDSTUK IX.
Meneer Reewald doet zich gelden.
Door de onaangenaamheden
met kokki en deels ook door haar toenemende geestelijke apathie,
was mevrouw Reewald al weer bijna vergeten, wat er 's morgens tusschen
hen was voorgevallen, toen meneer 's middags thuis kwam.
Ze ontving hem, evenals andere dagen, in de voorgalerij; de thee stond
klaar op een knaapje met marmeren blad, - aan weerskanten een schommelstoel
voor Papa en Mama en een paar gewone stoelen voor de kinderen. Pietermannetje
sleepte gewoonlijk zijn hobbelpaard naar voren en gebruikte het als
stoel, omdat 't ook schommelde.
Coba ging zitten, waar ze het minst plaats innam; een volmaakt, willoos
en gemakkelijk, doch in de hoogste mate oninteressant kind.
"Mag wel twee koekes, ja Ma?" vroeg Piet, met
[119:]
zijn oogen de-
lekkerste uit het blikje Huntley & Palmers Dessert uitzoekende,
om ze er, zoo spoedig mogelijk na de gevraagde permissie, met zijn vuile
vingertjes uit te nemen.
"Wachten, tot Papa komt," zei mevrouw Reewald, meer met knorrigen
lust om tegen te spreken, dan wel uit eerbied voor haar heer en meester.
"Dan neemt Pa de lekkerste en Piet wou ze zoo graag."
"Hè, foei, Piet," remonstreerde Coba, zonder veel geestdrift.
"Ma, wil Ma Coba verbieden, is brutaal tegen Piet," klonk
't drenserig.
Op 't zelfde oogenblik reed de bendy met het Macassaarsche hitje
er voor en den heer des huizes er in, het erf op.
Tegen zijn gewoonte, ging meneer Reewald niet naar het gedeelte van
de voorgalerij, rechts, waar zijn vrouw en kinderen zaten, - doch links
naar zijn werkkamer.
Piet gromde: "Die Pa - met zijn tinka's toch, is nog boos."
Mevrouw zuchtte, Coba bekeek een grooten pot voor de stoep, waarin de
kebon juist een nieuwe plant had gezet.
"Nieuwe crotons, ja, Ma? Mooi zijn ze; ik houd zooveel van
die donkerroode met lichtgroene streepjes, zoo lief, ja - en zoo fijn!"
[120:]
Evenals de meeste
nonnaatjes had Coba een groote passie voor planten, vooral voor crotons;
het was ook 't eenige, waar ze belang in stelde.
"In plaats van naar die blaaren te kijken, moest je Papa liever
vragen of hij komt theedrinken," zei haar moeder onvriendelijk.
"'t Is al laat en ik wou, vóór donker, een visite
maken. Piet, zeg den koetsier niet uit te gaan, hij moet straks de twee
sandelwoods voor de Mylord spannen."
"Och! zoo lange boodschap, vergeet toch!" zei Piet, zonder
de minste aanstalten te maken om zich van zijn opdracht te kwijten.
Coba was terstond haar vader gaan roepen, doch kwam onverrichter zake
terug.
"Pa komt niet, is moe; vraagt thee in zijn kamer, zal ik brengen,
ja Ma?"
"Nee, 't hoeft niet, er zijn hier bedienden genoeg; ze moesten
er ten minste zijn, als die luie gladakkers niet altijd naar
den kampong gingen."
"Er is feest in den kampong hier achter," vertelde
Coba, "hoort Ma de gamelang niet?"
De eentonige klanken der Indische muziek-instrumenten waren duidelijk
hoorbaar. Gewoonlijk hadden ze een verzachtenden invloed op mevrouw
Reewald, evenals op de meeste Europeanen, die er zich aan gewend hebben.
De tonen der gamelang en het stampen der rijst
[121:]
blokken zijn onafscheidbaar
van een tropische omgeving; na zonsondergang wordt het rijststampen
vervangen door het gepiep der krekels en 't geroep der gekko's.
Vandaag irriteerde 't typisch Indische mevrouw Reewald, eensdeels omdat
alles haar irriteerde en ook, omdat die feesten in den kampong haar altijd van haar bedienden beroofden.
Den vorigen keer, toen er een slamatan werd gehouden, was zelfs
Piet's baboe er heen gegaan en had 't kind zich bijna een stuip
geschreeuwd, alleen maar van schrik, toen hij, 's avonds laat wakker
wordende, zijn trouwe lijfmeid niet voor zijn bed had zien liggen.
"Zal ik Pa thee brengen?" vroeg Coba op nieuw.
"Hè, kind, wat sta je daar toch onnoozel!" snauwde
haar moeder. "Er zit ook niks geen fut in je. Een ander meisje
van jou leeftijd zou 't allang ingeschonken hebben; dan was Fientje
anders."
"En Ma kijft altijd met hem," zei Piet, 't enfant terrible.
Coba schreide bijna, doch haar ingewortelde onverschilligheid behield
de bovenhand.
"Als ik der aan kom, krijg ik toch standjes."
En toen strekte ze zich uit in Papa's stoel en schommelde langzaam op
en neer. Pa kwam nu toch niet.
Mevrouw Reewald liet haar maar begaan; zich driftig maken hielp toch
niet; vooral niet, als Njo er bij was, die, als ze eens heel
boos op Coba was, zich niet
[122:]
geneerde Ma zelf
een rammeling te geven. -
"Zal die Ma wel leeren, ja?" En dan trommelde hij met zijn
beide vuisten op Mama's rug, gezicht, armen,
waar hij maar bij kon. -
"Ik zal Pa wel zelf zijn thee gaan brengen," zei mevrouw,
met een zucht. "Ik sta hier ook voor alles; er is niemand, die
mij eens iets uit de hand neemt."
Het viel haar niet in - even terug te denken aan haar ouderlijk huis
en aan de bewerkelijke koffie- en theeschenkerijen, die haar moeder
indertijd, een paar keer per dag, had klaar te zetten en weg te ruimen.
Als ze er aan gedacht had en ze had haar verzuchting aan de werkelijkheid
van het verleden - of zelfs maar aan die van het heden getoetst, dan
zou ze al ras hebben ingezien, dat ze allerminst reden tot klagen had
en dat haar lot, uit een materialistisch oogpunt althans, hoogst benijdenswaardig
was.
Ze schonk een kop thee uit, deed er suiker en melk in en nam het blikje
koekjes mee, welke laatste handeling een: "zoo valsch toch, die
Ma" aan Piet ontlokte.
Meneer Reewald zat voor zijn schrijftafel - heel druk doende met eenige
brieven, welke hij van zijn kantoor had meegebracht.
"Wat is dat nu voor manier - om zoodra je thuis komt, weer te gaan
werken, in plaats van eerst gezellig bij ons thee te komen drinken en
je dan lekker te maken?" vroeg ze, op half schertsenden, half knorrigen
toon.
[123:]
"Laat me nu,
ik heb wat na te zien."
"Ja, maar dat is onzin - op die manier ga je dood."
"'t Zal der wel niet erg op aan komen, of ik kapot ga - ik ben
toch maar een sinjo."
"God, Reewald, wees toch zoo kinderachtig niet. Een mensch zegt
wel eens iets in zijn boosheid - en je moet niet vergeten... ik schrok
toch ook van dien brief van ons kind...
Ze trachtte een paar tranen aan haar koude, staalgrijze oogen te ontpersen.
"Laat dat nu, maar, Corrie," zei hij, waardig.
Corrie noemde 't sinjo-deftig.
Niets is meer vernederend voor een gevoellooze vrouw dan dat er aan
haar gevoel getwijfeld wordt.
"Ik weet niet, wat je vandaag hebt," begon ze.
"Ik ken je niet."
Kalm, doordringend zag hij haar aan: "Dat is ook zoo, Corrie, je
kent me niet."
"God, Reewald - wat is er?" stamelde ze, plotseling door een
verlammende sensatie van angst vermeesterd.
"Ik heb passage voor je genomen naar Holland - overmorgen ga je
met een kustboot naar Batavia - je hoeft niet meer met een sinjo samen te leven."
"Zeg eens, Reewald, ik ben geen Inlandsche meid die door haar toewan naar haar dessa kan worden
[124:]
teruggestuurd.
Een huwelijk met een Europeesche is iets anders dan een verbintenis
tusschen Javanen, die met een briefje van den priester, voor een gulden,
ontbonden kan worden."
"Ik spreek niet van ons huwelijk te ontbinden; ik stuur je alleen
naar Europa
"O! naar Fientje bedoel-je?" poogde ze lachend te zeggen.
"Nee, niet naar Fientje; ik laat haar terug komen; kassian arm kind
"Een mooie boel zal 't hier worden," riep mevrouw Reewald
driftig uit. "Dan laat je haar zeker terstond met dien aap van
een sinjo, dien Flip, trouwen? En Coba... wat doe je daarmee?"
"Die houd ik hier?"
"En Piet... Pietermannetje?" vroeg ze bevend.
"Ook."
Als een striemslag van gloeiend ijzer viel dat ééne woord
op heur hart, de eenige gevoelige plek, die er in was, treffende.
Ze deed een wanhopende poging om zich te herstellen.
"Maar, mijn hemel, Reewald, wat je mij voorslaat is onmogelijk."
"Ik sla niet voor, ik zeg," klonk 't ijskoud, met matte stem.
Er lag iets wreeds in die stem, en in zijn oogen flikkerde een vuur
als in die van een getergd
[125:]
dier, dat op het
punt is, van slachtoffer - aanvaller te worden.
Wat er dien ochtend precies tusschen hen was voorgevallen, wat zij al
zoo gezegd had, wist Corrie zich waarlijk niet meer te herinneren.
Maar dat het diep ingevreten had in de ziel van haar man, dat zijn trots
er door beleedigd en zijn bloed er door in opstand gekomen was, bleek
maar al te duidelijk.
Het scheen wel of hij haar daardoor plotseling in een ander licht had
gezien, of hij haar nu pas in haar ware gedaante had leeren kennen,
of hij er zich, als door den invloed van een kracht van buiten af, van
bewust was geworden dat hij al die jaren in het Paradijs der dwazen
had geleefd. En tevens, dat hij zelf een gek en zij niet de engel van
den huiselijken haard, doch een schijnheilige duivelin geweest was.
Met een forsche poging had hij zich uit zijn apathie gewekt; met meedoogenlooze
hand had hij zich de schellen van de oogen gerukt.
Maar nu was ook alles in opstand gekomen: de laffe echtgenoot, die geduld,
de sinjo, die uitgelachen en geminacht werd.
In hem was de oermensch ontwaakt, die zich loswrong van de banden der
conventie en de voorschriften der cultuurmaatschappij. Zijn ontgoocheling
gaf hem moed om klaar te zien en om flink te handelen.
[126:]
Corrie's liefde
was aanstellerij geweest en zijn eigenliefde kwam hem nu voor als lage
kruiperij voor iemand van een hooger ras.
Hij had haar liefkoozingen gekocht, zich haar bezit door geld gewaarborgd;
zelfs een inlandsche njaï zou trouwer hebben geliefd.
Met zijn Oostersche neiging tot dwepen en overdrijven, sloeg hij nu
tot 't andere uiterste over en vond hij op eens den toestand onhoudbaar
en zichzelf een walgelijk sujet.
Hij haatte zijn vrouw als de medeplichtige van de schanddaad, welke
zij te zamen, onder den naam van huwelijk, hadden gepleegd.
Niet eens door een aanvechting van drift of passie, maar voortdurend
in koelen bloede.
Plotseling kwam over hem de aversie, die een geloovige Mahomedaan moet
hebben, als hij met een niet Mahomedaansche, een onreine, heeft geleefd.
Het was - of er - door vele geslachten van beschaving en vermenging
met Europeanen en half-castes heen, de oorspronkelijke inlander
in hem sprak, of de geest van zijn stamvader in hem wakker werd en hem
alles deed zien, zooals die het zelf zou hebben gezien.
Hij gaf zich niet de minste moeite - zijn handelingen te vergoelijken,
of Rücksicht tegenover zijn vrouw te gebruiken.
"Je kunt van avond pakken - kleed je maar niet aan
[127:]
voor tafel, ik
kom toch niet, 'k bedank er voor, deftig op zijn Europeesch te dineeren,
comedie te spelen, ja? Ik zal hier wel een een bord rijst eten."
Corrie was verlegen.
Maar, in het oogenblik hunner scheiding, begrepen ze elkander beter
dan tot nu toe het geval was geweest; zij althans voelde met volmaakte
juistheid, hoe het hem te moede was en tevens, dat het te vergeefs zou
zijn hem tot andere inzichten te brengen.
Ze stond tegenover een getergd en leeuw, die zich plotseling van zijn
kracht bewust was geworden, en elke poging, welke zij zou kunnen aanwenden
om die kracht te verminderen zou die - integendeel, in intensiteit doen
toenemen.
Zij voelde haar invloed verminderen, naarmate zijn zelfbewustzijn vermeerderde;
zij verloor, naarmate hij won.
In 't eerst was ze overbluft
verlegen
toen inziende, dat
verzet harerzijds toch niet helpen zou, besloot ze toe te geven.
Zelfs in die ure van verbazing en ontgoocheling, constateerde ze bij
zich zelve, dat er, in heur hart, niets aanwezig was, dat naar liefde
voor hem zweemde.
Onverschilligheid, verachting, haat
anders niet.
En met het wezen, dat haar zulke gevoelens inspireerde, had ze bijna
achttien jaar in de grootste vertrouwelijkheid geleefd.
[128:]
Ook zij walgde
van zich zelf.
Alle Schuld rächt sich auf Erde!
En dan te denken, hoeveel van die schijn-huwelijken, van die ongelijksoortige
verbintenissen, er, alleen om den broode, in de tropen... en waar niet...
worden gesloten!
God, die zooals het bijbelverhaal luidt, den mensch volgens zijn evenbeeld
schiep, moet wel moeite hebben er zich zelf, of ook maar iets goddelijks,
in te herkennen!
Spotters beweerden indertijd dat Darwin aarzelde tusschen twee veronderstellingen,
- was de mensch een gedegenereerde aap, of de aap een gedegenereerd
mensch? Ook in die spotternij was een kern van waarheid. -