[23:]
HOOFDSTUK II.
De Tantes.
De brief was gekomen,
gelezen en herlezen!
De inhoud er van was aan verwanten, vrienden en kennissen medegedeeld,
en iedereen verklaarde eenstemmig, dat het een waar geluk voor de dames
v. d. Horst was.
"Heerlijk toch, zoo'n meisje in huis!"
"'t Kind van je eigen zuster!"
"Zoo'n jong ding vroolijkt alles op."
"Jammer, dat de ouwe lui het niet meer beleefd hebben."
"Het zal een heele verandering voor jelui zijn, en aardig!"
Van al die opmerkingen en verscheiden andere gelijkluidende beaamden
de gezusters enkel de laatste, en die nog niet eens geheel.
Een verandering zou het zeker zijn, maar aardig?
"Hoe lang is Cornélie nu al weg ?" was Margot's
[24:]
eerste vraag, welke
door haar zuster, eerst na een poosje gezamenlijke uitrekening, beantwoord
kon worden.
Over de twintig jaar!
"Ik droeg nog korte rokken," herinnerde Dora zich.
"Ik ging ook nog school," merkte Margot op. "Ik weet
nog, dat ik zoo verbaasd was over haar uitzet en 't meest nog over haar
mooie koffers."
Dora nam den brief nog eens op en kreeg toen een doos vol oude portretten
uit de kast om naar dat van haar zuster te zoeken.
Margot vond iets stootends in dat zoeken, en dat na zulk een hartelijken
brief, en als om zich zelf en haar zuster van onhartelijkheid vrij te
pleiten, zei ze:
"Het laatste van Cor is - waar ze met haar drie kinderen op staat."
"Ja, dat weet ik wel; maar er moet hier toch ergens nog een meisjes-portret
van haar zijn."
"Vóór dat ze weg ging? Dat verbleekte; dat Mama in
haar kamer had, bedoel-je?"
"Ik meende, dat er nog een ander was. Ze heeft zich toch eens,
kort nadat ze in Indië was, voor de aardigheid, in sarong en kabaai
laten photographeeren."
"Dat had ik heusch vergeten, maar je hebt gelijk. Ik geloof - dat
het een groepje was met de familie, waar ze toen bij inwoonde."
"Ik zie 't niet, maar boven zijn ook nog portretten,"
[25:]
merkte Dora op
- de doos op tafel zettende en nog eens doorzoekende, zonder het bedoelde
portret of een ander te vinden.
"We moesten al de portretten, die we nog van Cor hebben, samen
in een familie-lijstje laten zetten en als welkomst-groet in Fientje's
kamer plaatsen," zei Margot, die altijd plannetjes voor attenties
had.
"Je praat alsof ze er al was. Haar kamer, je bedoelt toch zeker
't logeerkamertje van de nichtjes ?"
Dora vroeg 't met een zucht.
Want ze begreep nu al, dat de heerlijke opvroolijkingen, veroorzaakt
door de periodieke logeerpartijtjes harer Hollandsche nichtjes, vooreerst
niet meer zouden voorkomen.
Betsy en Wies en Dora, haar petekind, had ze van kind af zien opgroeien;
alles in haar leventje interesseerde haar, ze was van alles op de hoogte,
en van Fientje's leven wist ze niets.
Daarbij kwam iets een gevoel van wrok dat ze wel wilde smoren, doch
dat haar toch te machtig was.
Als jong uitgaand meisje - liever als jonge onderwijzeres, want de zusters
v. d. Horst hadden zich, zoodra ze van school kwamen, bij de werkende
vrouwen moeten scharen - was Dora geëngageerd geweest met een docent
aan 't Gymnasium. Hij had haar alles behalve aardig behandeld en ze
gevoelde zich toen zóó
[26:]
ongelukkig en levensmoede,
dat slechts een algeheele verandering haar, naar ze dacht, met 't leven
zou kunnen verzoenen.
Ze wilde weg uit Den Haag, waar hij ook woonde, en waar ze telkens gevaar
liep hem te ontmoeten.
Haar zuster had toen reeds haar prijs uit de loterij getrokken en was
met haar Indischman getrouwd.
Wat natuurlijker dan dat het teleurgestelde zusje zich tot haar wendde?
Zij deelde haar heur plan mee om naar Indië te gaan, 't zij als
gouvernements-onderwijzeres of als gouvernante. In 't laatste geval
zou ze zien met een familie uit te komen en als die haar niet kon houden,
zou haar zuster haar misschien wel aan een betrekking willen helpen.
Het antwoord kwam spoedig en was heel afdoend.
Cornélie moest 't haar ten sterkste ontraden om naar Indië
te komen. Wel is waar had zij het goed getroffen, maar dat was
een buitenkansje, waar niet op te rekenen viel en dat lang niet iedereen
overkwam. De meeste meisjes hadden moeite er een betrekking te vinden.
Als het van haar alleen afhing - zou het nog iets anders zijn, maar
zij vond het tegenover een man, die en meisje zonder geld getrouwd had,
heel onkiesche om hem ook nog een zuster op te dringen.
Bovendien, Indië was heusch zoo'n dorado niet meer,
[27:]
en wie in Holland
een boterham had, moest niet naar Indië gaan om er vleesch op te
hebben.
Een afgezaagd aphorisme; uit den heelen brief sprak slechts één
wensch: als-je-blieft met rust gelaten te worden.
Blijf rustig waar je bent.
Welken raad Dora opgevolgd had.
Ze had haar weg vervolgd, was over haar teleurstelling heen gekomen,
zooals men over alles heen komt, als men 20 jaar is maar ze had haar
zuster die weinige toeschietelijkheid en het gebrek aan belangstelling
nooit vergeven. En, tot haar eigen verbazing, stond de geheele geschiedenis,
welke ze voor goed begraven dacht, bij het ontvangen van den bewusten
brief, op eens weer zonneklaar voor haar geest.
Ze was weer 20 jaar en ze voelde op nieuw de koud-makende rilling van
teleurstelling, die er door haar heen was gegaan, toen de weigering,
of zooals zij 't vergoelijkend bestempelde, het ontraden van haar plan
door haar zuster, tot haar kwam.
Ze verwarde beide brieven tot Margot's stem haar uit haar mijmeren wekte
en haat tot het heden terugbracht.
"We krijgen zeker toch nog bericht, denk-je niet?
Of ze met de, boot tot Amsterdam of Rotterdam gaat ?"
"Ja... ze kan met de Maatij. Nederland of met de
[28:]
Lloyd komen,"
stemde Dora, zonder veel animo, toe.
"En dan zullen we er, een van beiden, naar toe dienen te gaan,
om haar af te halen. 't Zal misschien net in de Kerstvacantie vallen,
dat treft."
Dora zuchtte: "Dan zal er van ons plan, om met Marie en Jacques
voor een week naar Brussel te gaan niets komen."
"Nee, natuurlijk niet."
"Je neemt het nog al gelaten op," zei Dora op een toon, die
't tegendeel te kennen gaf.
Margot zag haar zuster verwonderd aan. "Wat wil-je, dat ik er aan
doe? Als ik de keuze had gehad, zou ik er ook niet voor zijn geweest.
Op onzen leeftijd en dan een meisje, dat wij niet kennen. Maar we worden
voor een feit geplaatst, dus moeten we er ons in schikken. Cornélie
is onze eigen zuster; het is dus natuurlijk, dat zij het eerst aan ons
denkt
.
Dora's staalblauwe oogen flikkerden driftig op.
"Natuurlijk? En dat, na zooveel jaren, waarin zij zich nauwelijks
om ons bekommerd heeft? Heeft Cor, na Papa's dood, ook maar éens
geïnformeerd, hoe onze omstandigheden waren?"
Margot glimlachte een klein, cynisch glimlachje.
"Ze zal gedacht hebben - als ze iets noodig hebben, zullen ze wel
klagen en dan is het tijd genoeg om sympathie te toonen
"Of te weigeren," voegde Dora er bitter bij.
[29:]
Margot zuchtte,
en den gedachten loop van haar zuster kennende, alsof die in haar eigen
brein was ontstaan, zei ze vergoelijkend: "je hebt gelijk, Dora.
Het is zoo, maar er valt niets aan te veranderen. Ook dit moeten we
opnemen, zooals 't komt, gelijk alles in 't leven."
"Je oude leuze", merkte Dora op.
"Ik weet geen betere. Verzet helpt toch niet
"En 't ergste is," voer Dora heftig uit, "dat je er precies
over denkt als ik, maar er niet voor uit durft komen."
"Durven wèl. Maar 't helpt niet. We moeten ons nu maar voornemen to make the best of it en 't kind met liefde en hartelijkheid ontvangen."
"Dus comedie spelen?"
Margot trok de schouders op, als om haar onmacht te toonen.
Het was Dora's ergernis, dat Margot zich overal met gelatenheid in schikte,
zoodra ze bij zich zelve had vastgesteld, dat verzet te vergeefs zou
zijn.
En Margot verbaasde zich er nog steeds over, dat Dora het niet deed.
Men moest zijn verstand gebruiken en beseffen dat, aangezien de omstandigheden
zich niet naar 't individu wijzigen, het individu het zich naar de omstandigheden
moet doen.
"Schik je naar het leven; het leven schikt zich niet
[30:]
naar jou,"
had Margot zichzelf altijd voorgehouden, en zoo was ze er in geslaagd
alles - wat er om haar heen en met haar gebeurde, uit een kalm, philosophisch
oogpunt te beschouwen.
Dora kon het niet; ze gebruikte ook wel haar verstand, maar ze was toch
meer een mensch van impulsie en sterk onder den indruk van 't oogenblik.
In 't diepst van haar wezen was ze een révoltée!
Ze deed haar best zich te schikken - maar ze kon niet, en waar Margot
er zich met onderworpenheid bij neerlegde, kwam zij steeds in opstand.
Beiden gaven ze, ofschoon ze om en bij de veertig waren, nog den heelen
dag les, en hoewel ze werkelijk veel ijver voor haar werk en vooral
veel plichtsbetrachting hadden, begroetten ze de vacanties toch steeds
als hoogtijden van ontspanning en rust.
Na den dood harer ouders - waardoor ze aan gezelligheid misten, wat
ze aan vrijheid wonnen, hadden ze er steeds een vaste gewoonte van gemaakt
om in de vacanties uit de stad te gaan of om de nichtjes te logeeren
te vragen.
En nu zou er noch van 't een noch van 't ander iets komen.
Ze wisten wel niet precies, wanneer haar nieuwe huisgenoote intrek bij
haar zou nemen, maar niet een per eerstvolgende mails - beteekende over
acht of veertien dagen.
[31:]
Dat zij, als alleenreizend
jong meisje, kind nog haast, van zelf aan boord zou blijven, en dus
den langsten weg, langs Spanje, zou nemen, maakte wel een verschil,
maar toch zou er van een vacantie, hoe dan ook, niet veel komen.
Ze rekenden 't een paar keer uit, en toen ze, een dag of tien later,
een tweeden brief met den datum van vertrek en den naam der boot ontvingen,
zagen ze dat haar eerste vermoeden juist was geweest.
De "Koningin Regentes" zou 21 November van Batavia afvaren,
ongeveer 18 December in Genua en 28 December in Amsterdam zijn.
Dus midden in de Kerstvacantie.
Margot zei - dat ze 't niet anders verwacht had.
Dora betoogde, dat 't zoo slecht mogelijk trof. Als 't een paar dagen
later was geweest, hadden ze misschien toch nog deel kunnen nemen aan
het Brusselsche uitstapje.
"Het is of er een fataliteit op rust. Weet-je dat we verleden jaar
al hadden zullen gaan? En toen kreeg Marie die dikke wang. En toen met
Paschen - Wat was er toen ook weer? O! ja, toen kon Jacques niet weg,
omdat zijn compagnon op reis was. En nu weer. Cor had toch wel eerst
kunnen vragen of 't ons schikte?
Van iets, dat drie keer uitgesteld is, komt natuurlijk nooit meer iets."
"In elk geval zijn èn Cor èn Fientje dood onschuldig
[32:]
aan de beide eerste
mislukkingen," zei Margot lachend.
Toen, met de haar ingeboren goedigheid en beschermende moederlijkheid
van oudere zuster: "Maar,Dora, jij kunt toch gaan. Er is toch geen
enkele reden, waarom ik die paar dagen niet alleen hier zou kunnen blijven,
en in Amsterdam kan ik 't ook wel alleen af. Waarschijnlijk zouden we
toch niet met ons beiden gaan. Dat zou toch eigenlijk zonde van 't geld
zijn."
"Ja, hoe moet 't daar nu eigenlijk mee gaan?"
Van nature was Dora zeker de gulste tante, maar juist die gulheid speelde
haar dikwijls parten, en niemand wist dat beter dan zij zelve.
"Nu, - je weet toch dat Cornélie, in haar eersten brief,
schreef, dat wij vooral alle onkosten op haar rekening moesten schrijven?
Ze zal toch school moeten gaan. Ze is toch pas zestien. Dan zal ze wel
andere kleeren en zoo noodig hebben. We zullen er van 't begin af een
boekje voor aanleggen en, om de drie maanden of zoo, met haar of met
Reewald afrekenen."
"Och! 't was minder aan de groote uitgaven, dat ik dacht, dan wel
aan de kleinere. Zoo'n kind meer in den kost voel je toch ook
"Ja... maar dat is toch moeielijk uit te rekenen
"Waarom eigenlijk niet? We zullen het van zelf wel aan onze huishoudrekeningen
merken. Cor kan toch niet verwachten
[33:]
"Cor schrijft
niet, dat ze iets verwacht," viel Margot haar, eenigszins knorrig,
in de rede.
Ze voelde natuurlijk, dat haar zuster zoo sprak uit noodzaak, omdat
haar inkomen haar werkelijk geen buitensporigheden veroorloofde, maar
toch hinderde het haar, juist omdat Dora anders zoo royaal was.
"Ik zou 't veel praktischer hebben gevonden, als Cor ineens een
som er voor beschikbaar had gesteld, ons het zelfde kostgeld betaalde,
dat andere ouders in Indië voor hun kinderen in Holland geven."
"We hoeven er toch niet op te verdienen; als ze maar de onkosten
vergoedt," meende Margot.
"Jawel, maar daar heb je nu zoo'n reis naar Amsterdam; dat kost
je minstens een tientje. Kun-je dat nu opgeven?"
"Nu, dat mag ik er wel voor over hebben. Anders geven we ook wel
iets uit in de vacantie, en ik ga nu niet naar Brussel."
"Je bedoelt, wij gaan niet, want zooals ik je al dadelijk zei,
ik ben niet van plan er jou alleen voor te laten zitten."
Margot lachte om den wanhoops-toon, waarop haar zuster die woorden uitte.
"Kom, we moeten het ons nu niet te erg voorstellen. Wie weet hoe
aardig dat meisje is en hoe wij ons aan haar zullen hechten."
[34:]
"Dat hoop
ik maar niet. Dat zou nog veel erger zijn. Dan zou 't afscheid ons des
te harder vallen."
"Dora, wat ben je toch eenig!" plaagde Margot.
"Eerst zie-je tegen Fientje's komst op - als tegen een berg en
nu zie je tegen haar weggaan op."