VI
George Woudsma liep in diepe gedachten over den donkeren weg voor zijn hotel.
[404:]
Hij kon er zich
maar niet in vinden - telkens kwamen als een eindeloos refrein de woorden
bij hem terug.
"Wat ben ik slecht! Wat ben ik slecht! Ik had het nooit van mijzelf
kunnen denken. Dat die gedachte zelfs bij mij kon opkomen, valt mij
zoo tegen van mijzelf. 't Mag niet, 't kan niet! en toch, ó God!
Ik heb haar zoo innig lief, zij , is de eenige vrouw voor mij op de
wereld, - 't geluk ligt voor 't grijpen. Mijn hand behoef ik er maar
naar uit te steken!"
Dat hij nog strijden moest met zichzelf vervulde hem met bitterheid
en toch kon hij niet besluiten - te doen wat hij wist dat alleen edel
en plicht was.
Zij was hem zoo lief, Olga, van het eerste oogenblik dat hij haar zag;
hij had zoo bitter geleden toen hij haar had moeten afstaan aan zijn
besten vriend, maar toch het was een bitterzoete smart geweest. Hij
wist dat zij gelukkig zou worden, dat Henri haar ten volle waard was,
dat zij hem uit heel haar hart lief had en dat zij hem zelf nooit zoo
had kunnen beminnen.
Dat denkbeeld gaf hem rust en vrede, en nu zag hij haar terug, verbitterd,
gebroken, zooals zij meende verraden door hem, wien zij haar volle vertrouwen
had gegeven.
Zij wilde die eerste liefde dooden, de wonderbloem, die haar eerst zoo
had betooverd met wortel en al rukken uit haar hart; zij had getracht
door verstrooiing te vergeten, het had haar nog ongelukkiger, nog hopeloozer
gemaakt - nu zocht zij een ander middel, zij vroeg een reddende hand
- en haar smeekende oogen hadden het hem duidelijk genoeg. gezegd -
aan hem, juist aan hem.
Was het niet om te duizelen?
Zeker, de liefde die haar eens had vervuld voor Henri kon zij hem niet
meer geven, maar toch zij wilde hem haar geluk en toekomst toevertrouwen,
zij wenschte door hem bedaard, gesteund, genezen te worden. Zij rekende
op zijn liefde, op zijn teederheid. Zij verlangde niets liever dan Henri
te vergeten om met hem een nieuw leven te beginnen.
[405:]
Arm gewond vogeltje
- zij vluchtte naar hem, zij wilde door hem opgenomen, gekoesterd worden,
en hij voelde zich sterk genoeg om haar veel te vergoeden om haar langzamerhand
haar levensgeluk terug te geven door zijn overgroote liefde, zijn zorgende
teederheid.
Het verleden zouden zij niet meer aanroeren, zij zouden het sluiten
buiten hun denken en voelen, zij moest hem beloven er niet meer over
te tobben, alleen te leven voor het heden en de toekomst.
Over den brief zouden zij ook niet meer spreken. Hij wilde haar zeggen:
"Tracht te vergeten, ik zal je helpen Olga, beschouw alles als
een booze droom. Geloof alleen maar aan mijn liefde; mijn trouw, die
zullen je nooit ontbreken."
En waarom zou hij 't niet doen? Nooit zou de waarheid kunnen bekend
worden, als hij bleef zwijgen en 't een ander ook verzocht.
Zijn lot en 't hare lagen in zijn hand, hij zou nog gelukkig kunnen
zijn, hij die meende met het geluk te hebben afgerekend.
Gelukkig?
't Koud zweet parelde hem op het hoofd, met het verraad van zijn vriend,
zijn dooden vriend, dien niemand anders, verdedigen kon, zou hij dit
geluk koopen.
Was die prijs niet te boog?
O dat hij aan die mogelijkheid durfde denken, dat was zoo vernederend,
zoo verlagend.
Waaraan had Henri het verdiend dat hij hem de liefde, de achting niet
teruggaf van zijn eigen vrouw, dat hij zijn geluk wilde rooven na eerst
zijn beeld te hebben verbrijzeld?
Hoe zou hij met die eerloosheid op het geweten ooit rustig kunnen genieten
van zijn liefde?
Zou de herinnering aan Henri niet zijn beste, liefste oogenblikken verbitteren,
zou die niet als een dreigend spooksel telkens oprijzen tusschen haar
en hem?
[406:]
En als 't hem gelukken
mocht haar ziel te genezen, haar hart weer te doen bloeien in liefde,
hoop en vertrouwen, als hij dien verdorden tuin op nieuw vullen kon
met de liefelijkste bloemen, als hij haar alles vergoed had, wat zij
eens leed, wat dan?
Zou hij dan voldoening gevoelen over hetgeen hij had gedaan; zou hij
niet altijd het verwijt moeten hooren:
"Uit het moeras der leugen bloeit je geluk op en daarom is het
slechts bedrog. Als zij en Henri wisten wat 'n misbruik je maakte van
het geheim jou alleen bekend!"
Hij bedroog ze beiden, zijn vriend en zijn liefste, liefste schat!
Hij alleen kon het misverstand tusschen den doode en haar opheffen,
hij alleen kon door een woord Henri's nagedachtenis in haar herinnering
weer rein doen worden en heilig, - en hij aarzelde het te doen uit egoïsme
omdat hij er belang bij had Henri's beeld te dooden in haar ziel, omdat
hij wist dat hij nooit, nooit zijn herinnering bij haar zou kunnen verdrijven
als zij hem nog aanhing met de liefde uit haar eerste maanden van geluk.
Hij wist dat zoo lang de smart over Henri bij haar levend bleef, zij
nooit een ander geheel kon toebehooren, dat hij te zwak zou zijn om
te strijden tegen hem. Wanneer zij haar liefde terug vond en haar smart,
dan was zijn kans op geluk verloren, dan wachtte hem weer een leven
van eenzaamheid.
Zelfs wanneer Olga eens, na jaren, er in toestemde zijn vrouw te worden,
dan zou zij hem niets kunnen geven dan een door een ander nog geheel
vervuld hart.
Zooals zij nu over Henri dacht, verlangde zij niets vuriger dan haar
man door onverschilligheid terug te geven, wat hij haar had doen lijden.
Zij voelde zich zoo diep gekrenkt, zoo bitter verongelijkt en belaagd,
geen wraak was te groot om Henri nog in zijn graf te beleedigen, hem
te straffen voor zijn leugen, zijn verraad.
[407:]
Zij vertrouwde
George nog alleen, op hem vestigde zij haar laatste kans op vrede, zoo
niet geluk, en hij zou het afwijzen om een denkbeeld, een hersenschim?
Was dat geen Don Quichote waard? Wie zou het weten! Hij zag rond, in
de voorgalerij brandde licht en zaten de Indische gasten onder hun toddy
te praten over de stadsnieuwtjes, de mailtijdingen, de tekortkomingen
van Jan en Jansje. Wie kon begrijpen dat hij daar in de eenzaamheid
zulk een zwaren, bitteren strijd streed?
Hij ging naar binnen - naar zijn kamer, maar bleef onder het afdak zitten.
Altijd zoo alleen te blijven, altijd zijn tijd te dooden tusschen antipathieke,
of onverschillige menschen, door werken dat hem weinig - door uitgaan
dat hem geen belang inboezemde - geen levensdoel hebben dan geld te
verdienen; eens naar Europa terug te keeren en daar weer alleen zijn.
O als hij gelooven kon, dat het hem nog eens zou gelukken haar hart
te winnen zelfs wanneer zij de waarheid wist!
Maar dat ging boven zijn kracht, dat voelde hij. Henri rijk door hare
liefde bleef de sterkere, zijn lijden zou te groot, te bitter zijn als
hij haar de zijne mocht noemen, terwijl zij nog steeds den andere toebehoorde.
Neen er was geen keuze; zwijgen en haar bezitten, of spreken en haar
verliezen; 't eerste beteekende eerloosheid, verraad aan zijn vriend
en aan zichzelf en aan haar, maar de vervulling van zijn liefsten wensch
- het andere het verlies van zijn geluk, de vernieling van zijn toekomst
maar voor Henri eerherstel - voor haar het terugvinden van haar heiligste
ik - hij zou haar terug geven bezittingen hooger dan wat hij haar kon
schenken - haar liefde voor Henri en haar vertrouwen in God en de menschen!
Hij mocht niet weifelen, het moest, er kwamen duizend drogredenen tegelijk
in hem op, banale motieven om hem af te houden van zijn plicht - hij
wilde er niet naar luisteren, en hij kon niet anders, zij verwarden,
vertroebelden zijn geest, zij maakten hem blind voor de waarheid - zij
verdwaalden
[408:]
zijn eergevoel,zij
schenen een stem te leenen aan de natuur, de starre, trotsche natuur
met haar reuzenboomen, vol bedwelmende bloemgeuren, haar sterrenhemel
zoo strak en koel schitterend - aan de gesprekken der menschen met hun
hopeloos platte, kleine levensopvatting.
"Men kan niet leven met de dood en - het toeval heeft het zoo geregeld
- je bent er niet verantwoordelijk voor - wie zal het ooit zeggen? -
Henri is dood en kan je niet verraden - geniet wat er te genieten valt
- morgen is het gedaan. Laat de arme Olga niet verkwijnen in eindeloos
treuren voor den doode! Je hebt ook recht op geluk, op liefde. - Jij
bent ook maar een mensch. - Maak haar gelukkig, vergoed haar alles.
- Dat is je plicht, niets anders "
Hij haalde zwaar adem, en streek zich de verwarde haren van het hoofd.
"Dus maar - laten afdrijven - niets zeggen - mijn geluk niet opofferen
- aan een hersenschim!"
"George!"
Hij hoorde de woorden niet maar toch was 't of hem iets werd toegeroepen,
of het zacht rondom hem suisde; hij zag om. Neen er was niemand op 't
heele erf, in de verte dreunde ergens de eentonige dreun van een pan
toen [Indische ballade] - vlak naast hem zoemden de insekten, nooit
zwijgend in den Indischen nacht. Boven hem tusschen het dikke gebladerte
de sterren als stofgoud den hemel overpoeierend - alles zoo stil, zoo
plechtig, en weer riep hem zijn vriend:
"George!" O die stem, hij kende ze nog nog zoo goed, hij wist
wat zij hem zeggen wilde, hij verstond het duidelijk.
"George! Geef mij haar liefde, haar achting terug! Je weet hoe
ik ze verdien. Jij, wie ik alles vertrouwde, alles bekende! Als je wist
hoe in 't land, waar ik nu ben, aards geluk en aardsche liefde zoo weinig
beteekenen, 't is niet
[409:]
voor mij dat ik
je vraag mij te sparen, maar voor haar - je wint haar misschien, maar
zij is reeds verlaagd door die ongelukkige vergissing en zij zal altijd,
altijd dieper dalen wanneer je opzettelijk haar bedriegt - om jezelf!"
En die stem sprak krachtiger en duidelijker dan alle stemmen van natuur
en menschen rondom hem.
"Ja om mijzelf! Niemand zal er door winnen dan ik. Zij verliest
altijd - zoo niet uiterlijk dan toch innerlijk!"
En hij boog het hoofd en bracht het offer!
"O mijn lieve lieveling! Je zult nooit weten, wat het mij kostte
- tot mijn schande -" en hij ging naar binnen om te schrijven.