[234:] XLVII.
Het is in het midden
der Westmousson, de hoogtijd der natuur, die feestelijker dosch, meer
purper en goud, meer weelde en heerlijkheid met zich voert dan de hoogtij
van eenig vorstelijk echtpaar ooit te aanschouwen gaf. Als het pad eener
bruid is de breede landweg, die zich door de dreven slingert bezaaid
met bloemen.
Hier is de grond wit van de geurige tandjoe met haar fijn uitgepunte
sterren, naar strooit de kemoening haar witte bloesems, ginds zijn het
de kelken van den waroeboom, die als de koningen dezer eeuw zich des
avonds met het purper tooien om 's morgens in het stof te worden vertreden;
elders de zilverachtige vleugels der vlinders, die geleefd en bemind
hebben in den tropischen zomernacht.
Boven welft zich een bladerendak, rondom verheft zich geboomte, oneindig
verscheiden in kleurschakeering; de tamarinde waarvan de pluimen als
zoo veel lichtende punten verspreid liggen op het donker gebladert;
de djattieboom met zijn goudbruine bouquetten, heerlijk afstekend tegen
de blauwe lucht; de palmen met hun wuivende kroonen, de pisangs met
hun blanke schilden,
[235:]
de oranjeboom met
zijn geurigen tooi en overal - - - om de reusachtige waringin als om
het teerste struikje, lianen en orchydeën, die zich daar slingeren
en winden en haar zacht gele, of lila bloemtrossen bestemmen tot diadeem
of halssieraad van het geboomte dat hen beschermt.
De frissche regens hebben niet slechts de sluimerende natuur doen ontwaken,
in het anders zoo droomerig stille landschap heerscht beweging en werkzaamheid.
De Javaan brengt zijn karbouwen naar buiten om den vochtigen grond te
beploegen; daar ginds ligt de sawah reeds als een vruchtbaar meer zich
zachtjes rimpelend bij den groet van het morgen koeltje, en overal schitteren
kleine waterstralen in het dartelend zonnelicht; de weg is beriekt met
voetgangers; de mannen spoeden zich voort naar het werk, dat hun wacht;
de vrouwen in haar veelkleurige sarongs, kunnen ter nauwernood den last
torschen der vruchten, die dit jaargetijde zoo overvloedig schenkt;
naakte kinderen plassen in de rivier of dartelen in de weiden met de
veulens en geitjes, die zich te goed doen aan het malsche gras, als
in de tooversprookjes, opgeschoten in den nacht - - -
Waar het azuur des hemels het schoonst is, waar de frissche berglucht
nieuwe levenskracht brengt, en de vriendelijke muziek van den bergstroom
door het blij gezang van duizend vogelen wordt verzeld, is een klein
gezelschap vereenigd, dat straks naar buiten kwam geloopen en nu zich
midden op den weg geplaatst heeft, om den reis.wagen, waarvan de komst
door luid geschreeuwen zweepgeklap wordt aangekondigd, te zien naderen.
Weldra is hij dichterbij gekomen; het wuiven van
[236:]
handdoeken en zakdoeken
wordt steeds heftiger, daar buigt zich een forsche gestalte uit het
portier met een luid hoerah! door allen begroet!
Als eindelijk de wagen stil houdt en de reiziger rondom zich ziet, vraagt
hij zich af of hij niet verplaatst is naar het paradijs in plaats van
naar een lief plekje in het gebergte, zooveel geluk, zoo veel innige
tevredenheid is er te lezen op de gezichten, die hem vol blijde verwachting
tegenstralen.
De beide jonge meisjes in haar lichte kleedjes, met rozen in de golvende
lokken en lachjes om de frissche lippen, de man, die juichend zijn kind
opheft in zijn armen, met den blik vol teederheid gevestigd op de lieve
moeder, de vrouw met het donker gekleurd gelaat, dat hem lief is geworden
in dagen van leed en ontbering, die bescheiden zich wil terug trekken
Hij ziet al die gezichten; hij hoort een juichend: "Dag oom! dag
oom!" dan ziet of hoort hij niet meer, dan snikt hij slechts: "Tina!
Tina! - - - Kamisah, - - - O, wat heb ik naar je verlangd!"
Tina en Gertrude
zijn niet voor niets zoo druk bezig geweest dien dag; oude Niam heeft
niet voor niets vriendschap gesloten met de kokkin; het welkomstrnaaI,
dat den geliefden gast wordt aangeboden, is uitmuntend en het gelach
en gepraat is zoo innig vroolijk, de toon zoo goed en hartelijk dat
oom Jan met Tina aan zijn zijde en Emy op zijn knie telkens weer herinnerd
wordt aan den indruk van daarstraks, of hij wellicht was verdwaald geraakt
in het paradijs.
Maar - zelfs aan paradijs vreugde komt een einde en 't is een gelukkige,
maar ook een vermoeienden dag geweest.
[237:]
Straks als allen
zijn verkwikt en opgefrischt, door een rustig middagdutje, een koel
bad en een geurig kopje thee, kan Gertrude zich niet langer bedwingen
en zegt vleiend: "Nu bent u uitgerust, oom! niet waar, hij ziet
er wel tien jaar jonger uit dan van morgen? - en nu moet u ons alles
vertellen; niet maar zoo van den hak op den tak springen, maar geregeld
vertellen."
Oom wil niets liever dan dat en steekt zijn pijp op.
"Geregeld vertellen, dat heb ik nooit gekend, maar ik zal mijn
best doen. De reis was vuorspoedig, naar mijn zin eigenlijk wel wat
al te voorspoedig, want, om je de waarheid te zeggen, ik had al niet
veel zin in de expeditie toen ik aan boord ging, maar hoe nader de boot
bij Holland kwam, hoe meer ik er tegen opzag Arnold te ontmoeten, ja,
ik moet je tot mijn schande bekennen, dat ik drie dagen in Amsterdam
heb rondgeloopen voor ik besluiten kon naar Delft te gaan. Maar eindelijk
moest ik er dan toch aan gelooven. Ik schelde aan en zeide aan de meid
dat er een mijnheer was uit de Oost met de groeten van den jongenheer.
Ik werd in de zijkamer gelaten; daar kwam de meid zeggen, dat ik maar
moet gaan zitten en terwijl ze me een stoel gaf vroeg ze of ik juffer
Doortje ook gezien had en of het waar was dat ze nu ook al een kind
had.
't Was een hartelijke, ouwe ziel en het deed me goed wat met haar over
jullie te praten, maar het schoot me op eens te binnen, dat Arnold me
vroeger mijn familiariteit met den mindere stand kwalijk nam - en dus
liet ik de sloof maar gaan.
Eindelijk kwam je vader binnen.
Ik weet niet hoe lang hij en ik tegenover elkander gestaan hebben, zonder
dat een van ons beiden een
[238:]
woord kon uitbrengen!
Hij begreep dat ik het zijn moest, en ik wist dat die uitgeteerde schim
mijn knappen broer Arnold was, maar als ik hem daar niet in zijn eigen
huis had ontmoet, dan zou ik het nooit geloofd hebben. Gelukkig kwam
je mama binnen, zij viel me snikkend om den hals en was heel hartelijk
en lief; ze vroegen me om te blijven eten en Christine werd geroepen
- - - ik geloof dat ze heel braaf is, Emile."
"Zoo oom, gelooft u dat?" lachte deze.
"Ja, als ik denk dat ze mij, die toch waarachtig het goed meen,
zoo vreeselijk slecht vond - - - - dan moet ik het wel gelooven."
"U zoudt ons eerst van papa vertellen?"' herinnert Emile.
"Ja... ja. Wat wou ik zeggen? Juist - - - ik was reeds driemaal
bij je oudelui geweest - eens heb ik er maar gegeten, want, zooals je
weet, ik heb nog al een gezonden eetlust en daar schenen ze niet op
verdacht te zijn - nu dan, ik was er driemaal geweest, zonder dat ik
een woord over de zaak had durven spreken; den vierden keer heb ik een
kloek besluit genomen - en alles gezegd, wat ik op het hart had"
- -
"En wat antwoordde papa?" vraagt Gertrude in spanning.
"Ja, weet je, kinderen, ik geloof dat het veel mijn schuld was.
Ik heb de zaak wat onhandig aangepakt; ik had niet zoo met de deur in
het huis moeten vallen
maar je begrijpt, als ik dat niet gedaan
had, zou ik nooit den moed gehad hebben met mijn beschuldiging voor
den dag te komen."
"Was papa erg boos?"
"Boos? O Emile, dat er zulke woorden kunnen ge
[239:]
sproken worden tusschen
broers
enfin, je kent je vader, hoe minder we over de zaak spreken
hoe beter geloof ik. Hij ruste in vrede! Ik heb hem alles vergeven...
"Toen ik zag dat er met zachtheid niets met hem viel aan te vangen,
dat ik met al mijn bidden en smeeken niet verder kwam, toen ook zuster
Aleida, de eenige die nog invloed op hem uitoefende, niets vermocht,
toen ben ik verplicht geweest den ouden notaris in den arm te nemen
die in der tijd met de boedelscheiding was belast. Hij dreigde hem gerechtelijk
te dwingen- -"
"Maar kondt u hem dwingen, oom? Hij kon immers alles loochenen."
"Neen jongen. En dat hij het niet kon, heb ik te danken gehad aan
de overgevoeligheid, waarom allen, behalve mijn moeder, mij zoo dikwerf
hebben uitgelaachen. Toen ik hier eenzaam rondzwierf, waren de enkele
brieven, die ik uit Holland ontving, een ware schat voor me; ik bewaarde
ze allen en herlas ze somtijds; zoo had ik nog altijd den brief, waarin
hij me papa's dood berichtte en dat de erfenis zoo was tegengevallen.
Een andere brief, ook nog bewaard, bevatte zijn verantwoording; hij
had als mijn gemachtigde me ruim f 15,000 over te maken. Hij gaf toe
en ik ontving mijn geld. Het was meest in staatspapieren belegd; een
weinig in landerijen; je vader lag me alles voor tot de vereischte som
er was... o, ik zie nog die magere handen beven, ik hoor nog die schorre
stem Het moet hem vreeselijk veel gekost hebben afstand te doen van
zijn schatten; ja, toen ik hem daar voor me zag, toen begreep ik reeds
dat hij het niet zou overleven... God is mijn getuige, als
[240:]
ik het zelf niet
zoo noodig had, zou ik liever gewacht hebben tot zijn kinderen me konden
geven wat me toekwam - - - -
Toen alles was afgeloopen, bleef hij met starende oogen al mijn bewegingen
volgen, tot ik de papieren had weggeborgen in mijn geldkistje; hij snakte
naar adem en was zoo bleek als een doode, maar hij sprak geen enkel
woord.
Zoo kon ik niet van hem heengaan. Ik smeekte me een goed woord toe te
spreken, voor we voor altijd scheidden; ik herinnerde hem aan onze moeder,
hoe ze altijd had getracht de liefde tusschen ons te onderhouden; tot
eenig antwoord noemde hij het cijfer van de som, die hij me had uitbetaald.
Ik ging dan heen, zonder groet of afscheidswoord, weinig vermoedend
dat ik dienzelfden avond zijn huis weer zou, betreden.
Zooals je weet sloot je vader zich dikwerf halve dagen op, dat was vooral
na Bernards dood een gewoonte van hem geworden. Maar, hoe eenzaam en
in zichzelf gekeerd hij ook leefde, hij verbrak nooit de orde van het
huis en Christien was dus zeer verwonderd toen hij dien middag op haar
bellen niet aan tafel kwam. Ze ging hem roepen; toen ze geen antwoord
kreeg maakte ze de gesloten deur open; daar zat hij dood in zijn stoel.
Dokter Ems werd in allen haast geroepen, maar er was niets meer aan
te doen, hij zeide dat het een aanval van beroerte geweest was, een
zeer lichte aanval, maar zijn uitgeput lichaam kon niets verdragen
"
Er volgt een lange stilte, maar geen traan wordt gestort door Arnold
van ,Son's kinderen bij het verhaal van zijn dood - - -
[241:]
"Hoe was mama,
onder dat plotseling sterfgeval?" vraagt Emile eindelijk.
"Ja, kinderen, wat zal ik je zeggen? Je moeder is me altijd een
raadsel geweest, en dat zal ze me wel blijven. Zoodra we bij het wederzien
een oogenblik alleen waren bezwoer ze, dat ze met heete tranen het uur
beweende, waarin ze Arnold boven mij verkoos; nog den dag te voren had
ze me verzekerd, dat ze een diep rampzalige vrouw was en nooit een gelukkig
uur had gekend sedert, haar huwelijk - - - - - - -
Ik had het diepste medelijden met haar en toen ik Arnold's dood vernam,
was mijn eerste gedachte: welk een verlossing voor Lala! En wat zie
en hoor ik toen ik in huis kwam? Een geschreeuw van: "O Nolletje,
o, mijn lief Nolletje! je bent de eenige man, dien ik ooit heb lief
gehad!" En dan die zenuwtoevallen! Het was vreeselijk om aan te
zien. En dat moet ik je zeggen, Christien behandelde je moeder niet
goed bij die gelegenheid. Wat is dat voor manier van doen om iemand
die zoo ligt te stuiptrekken, met water te gooien? Dokter Ems was ook
erg onverschillig - - - lach je Trude?"
"Neen oom, ga voort."
"Na de begrafenis werd het testament geopend; wij zaten allen stom
van verbazing over het groot fortuin, dat je vader naliet, maar Lala
riep maar dat ze nog veel meer had verwacht. Ja, 't is een vreemde vrouw,
je moeder! Ik heb het opgegeven iets van haar te begrijpen. Weet je
wat ze den dag na de begrafenis gedaan heeft: 's morgens stuurde ze
aan de diaconie duizend gulden voor de armen en 's avonds vroeg ze tante
Aleida en mij op het lekkerste dinertje, dat ik ooit heb bijgewoond.
[242:]
En de fijne wijnen
van grootpa, die Arnold nooit heeft aangeroerd. dan voor Bernard, wel,
ik ben een boon als er nog één flesch van over is; wij
hebben er al verscheidene geknapt, samen, en, als er een zieke was,
als dokter Ems hulp kwam vragen voor een van zijn. behoeftige patienten,
dan ging de oude Constantia en madéra er heen, alsof het schoon
water was geweest.
Je mama wilde in den diepen rouw gaan en nu schijnt het dat ze in Delft,
dien rouw niet diep genoeg konden maken, ten minste, ik ben met haar
en Aleida naar Parijs gegaan om daar een en ander te koopen. We zijn
er vier weken gebleven, en... 't is schande dat ik het zeg, maar o,
jongenlief, wat kan men daar in dat Parijs een plezier hebben! - - -
-
Je moeder had gelukkig geen zenuwtoevallen meer; 's morgens moest ik
met de dames naar de magazijnen, dat was wel vervelend, maar ik zag
nog al eens aardigheidjes voor je
je mama heeft me alleen vier
kisten meegegeven met hoedjes en japonnetjes en mooie laarsjes. Een
prachtig juweelen garnituur voor Dora, dat heb ik. meegebracht, ik had
zoo'n geheim vermoeden dat ik het andere mee heb helpen opeten."
"En ook speelgoed voor Emy," vraagt een zacht stemmetje.
"Kisten vol," roept oom, "kisten vol, het andere heb
ik nog in Soerabaia gelaten, maar Emy's speelgoed dat komt van middag!
- - -
Maar om op Parijs terug te komen. 's Morgens gingen we naar de winkels,
maar 's avonds
Ja, weet je, niemand vermoedde daar dat je mama
pas weduwe was, en toen de rouwtoiletten eenmaal klaar waren, vond ze
het beter ze maar niet te dragen voor ze in Holland
[243:]
terug was en
kinderen, je moet mama, daarom niet van ongevoeligheid verdenken maar
we hebben schandalig veel plezier gehad in Parijs."
"Wel neen oom, 't is haar van harte gegund!"
"Toch", zegt oom na eenig beraad, "ik wil de goede vrouw
niet verraden, maar toch geloof ik dat de familie verstandig zou doen
met
enkele maatregelen te nemen tegen haar verkwisting. Ik heb
nooit in mijn leven zulk gooien met het geld gezien, dat is rijden en
rossen, koopen wat ze ziet, eten waar ze trek in heeft - - -" "Misschien
zullen we haar later wat moeten controleeren. Maar laat ze maar eerst
een poosje genieten! Ze gaat in den Haag wonen met Christien niet waar?"
"Ja, ofschoon als ik goed gezien heb, niet voor lang. Je zuster
Christien is erg braaf Emile, maar slim is ze niet. Er liep daar in
Delft een afgescheiden dominee of zoo iets rond, nu, let eens op mijn
woorden, die wordt je zwager.- - -"
"Beumer bedoelt u? Die afgedankte zendeling?"
"Ja, Beumer heet hij; je weet wel, met dat sluike haar; en die
teemerige stem; nu die aast op - - - op Christien, zullen we maar zeggen."
"Onmogelijk oom! onmogelijk!" klinkt het van drie kanten.
"Nu wacht je tijd maar af! Geloof me, ik heb goed gezicht op die
soort van dingen. - - - -"
"En nu een ander praatje. Tina, stop mijn pijp nog eens, - o, kind!
hij smaakt zoo goed, nu jij dat weer voor me doet - Emile, schenk me
een bittertje en dan zal ik je eens vertellen wat mijn plannen zijn
voor de toekomst. Ik heb hard gewerkt in mijn leven en ik voel dat ik
oud en stijf word. Ik zou juist geld genoeg
[244:]
hebben om in Holland
stilletjes te gaan leven, maar ik weet dat mijn vrouw en Tina veel liever
in Indië blijven.
Nu ben ik besloten om een lief huis met een groot erf te huren, eindelijk
ook eens in een wagen rond te rijden en al de mooie jassen en vesten
te gaan dragen, die Lala voor me gekocht heeft in Parijs. Ik ga er een
grooten tuin op nahouden, bloemen kweeken en verder zal ik wel werk
en last genoeg hebben met het uithuwelijken van mijn dochter. Niet waar,
Tina, dat wordt haast tijd?"
"Neen pa, ik wil nog graag wat bij u blijven! Maar ik zeg niet
als Trude voorgaat, ik niet zou volgen. - -"
"Wacht, daarop niet, Tina!" lacht Dora. "Trude wil een
oude vrijster worden! Eerst heeft ze dien armen Stricke bedankt, toen
een weduwnaar, die zoo rijk is als Croesus, - ja oom,- daar weet u nog
niets van, dat vertel ik u later wel eens, - en nu zal kapitein Bankhorst
weer een blauwtje loopen."
"Wie zegt je dat?" vraagt Gertrude met hooger blos.
"Nu, word maar niet boos, zusje! We zouden niets liever wenschen
dan dat je hem aannaamt; hij is een door en door fatsoenlijk man, wat
ernstig en geposeerd voor zijn leeftijd, dat is waar, maar... "
"Maar dat is juist wat ik wensch, Emile!"
"Och hemel!" roept oom Jan, "ik zie wel, dat we Gertrude
hier zullen moeten achterlaten als we naar Karingan trekken."
"Naar Karingan?" herhalen allen.
"Ja, zeker, zoo heet immers je nieuwe standplaats, Emile? A propos,
ik heo nog vergeten je te feliciteeren met je benoeming tot controleur!"
"O, die is zoo lang uitgebleven, dat het haast geen
[245:]
felicitatie meer
waard is," antwoordt Emile. "Maar oom heb ik u goed begrepen?
Zoudt u waarlijk met ons willen meegaan?"
"Ja, kinderen. Waar jullie heengaat, ga ik ook heen. Mijn vrouw
anders zoo schuw voor europeesche dames, wil nergens liever zijn dan
in de buurt van Dora. En Tina
"
"O pa! ik vind het een heerlijk plannetje!"
"Maar Karingan is een stille plaats, oom."
"Des te beter, mijn jongen! Dan kunnen we elkaar tot gezelschap
zijn."
"Oom, wat zijt u lief voor ons," zegt Dora terwijl ze zijn
hand drukt.
"Wel, het sprak van zelf, kind! Wat heb ik je geantwoord, Emile,
toen je in der tijd vroeg of Kamisah bij me was gebleven? Wie onze armee
deelt, moet ook onzen voorspoed deelen! En ik heb een idée kinderen,
dat je veel voorspoed wacht op Karingan."
"We zijn op IIoenka toch ook niet ongelukkig geweest, is het wel
Emile?" vraagt Dora.
"Neen, 't is vreemd,"'zegt Emile peinzend, "we hebben
daar tegenspoed gehad en ziekte en armoeile, maar toch - als ik terug
zie op den tijd er doorgebracht, dan is het me haast of ik er gelukkig
geweest ben - -"
"Vin je dat vreemd, Emile ?" vraagt Dora, zacht.
" Vergeet je dan hoe lief we elkaar daar hebben gehad?" -
- - -
EINDE.