I.
't Heeft half zes
geslagen, en daar het Zondag en mooi weer is, bespeurt men op het Waterlooplein
te Batavia en zijne omliggende straten, eene ongewone drukte. Uit de
woning der stafmuzikanten, aan den hoek van Passer-Senen, komen de kunstenaars
met hunne instrumenten en lessenaars; andere soldaten, door vrouwen
kinderen vergezeld,volgen hen op den voet; eenige baboes [Kindermeiden]
en aankomende jongens voegen zich bij hen, en zoo wordt de eerste kring
rondom de executanten gevormd. Langzamerhand komen eenige huurrijtuigen
met matrozen of vreemdelingen aangereden, en dan eenige particuliere
equipages, die gaandeweg deftiger en sierlijker worden; ruiters en amazones,
tal van voetgangers maken spoedig dit concert in de open lucht voltallig.
Onder de uitvoering luistert men naar de muziek, als het stuk namelijk
iets zeer bijzonders is; zoo niet dan wordt het gesprek, dat aan den
gang was, er niet door afgebroken en de wandeling der oude en jonge
heeren rondom de sierlijke voertuigen gaat steeds voort; als gouden
of zilveren torren fladderen de talrijke officieren om de korfjes met
veelkleurige bloemen, waaraan de rijtuigen, gevuld met fraai
[115:]
getoiletteerde
brunettes en blondines, den vreemdeling in Batavia, onwillekeurig doen
denken.
In zijn oog vooral moet zulk een publieke muziekuitvoering veel aantrekkelijks
hebben: de meeste equipages munten uit door rijkdom en sierlijkheid,
en de vaak armzalige huurwagens, met de magere paardenschimmen er voor,
dienen slechts om het contrast nog grooter te maken; de heeren in hunne
lichte, witte fantasiepakjes, of in glinsterende uniform, de Javanen
in hunne Zondagsche kleeding, en vooral de talrijke, frissche, lieve
meisjesgezichten in de rijtuigen, dat alles tusschen de hooge waringinboom
en en op het groene plein biedt een waarlijk schoonen aanblik.
Bij een zeer elegante mylord, met twee fraaie zwarte paardjes bespannen,
stonden twee heeren. De een was een man in de kracht van zijn leven,
in burgerkleeding, de ander een zeer jong officier. In het rijtuig zat
een mooi meisje met nog twee kleine zusjes, en een jongetje naast den
koetsier.
"Blijft ge nog wat praten, Frits?" vroeg de oudere heer.
"Als Justine er niets op tegen heeft, met plezier," antwoordde
de officier.
"Waarom zou ik er iets op tegen hebben?" sprak het meisje
lachend.
"'t Is goed ook! Tot straks, kinderen; Justine, gij kunt niet te
ver toeren; ik moet de paarden nog na het eten gebruiken."
En hij verwijderde zich.
"Pa, Jakob man toeroot" [wil medegaan] riep het knaapje op
den bok.
"Jakob, geen Maleisch," zei het meisje verwijtend.
De vader stond even in beraad stil, toen schudde hij het hoofd en sprak:
"Neen, Jakob, nu niet, blijf maar zoetjes bij Ketjil."
Doch de jonge dwingeland was alles behalve gewoon zijn hoofdje te buigen.
[116:]
"Man toeroot,
man toeroot" riep hij luider en luider, het schreeuwen nabij.
"Kom maar hier!" zei de vader ontevreden; "stoute jongen,
wie heeft je dat dwingen toch geleerd?"
Jakob gaf zich geene moeite, de vraag te beantwoorden.
Hij klauterde vlug naar beneden, en spoedig verwijderden vader en zoon
zich en thans voorgoed.
"Wat is uw vader toch nog een knap man, Justine!" sprak de
officier.
"Dat geloof ik," antwoordde het meisje: "menig jong mensch
wordt door hem beschaamd."
"En menig jong meisje beschouwt hem ook zoo."
Justine glimlachte.
"Waarom of hij Jakob niet dadelijk zijn zin gaf, en eerst het geheele
Waterlooplein bij elkaar liet schreeuwen?"
Justine scheen geheel verdiept in de Miserere van den Trouvère.
Frits zette zijn éénen voet op de tree van het rijtuig,
en rekte zijn hals zoo lang mogelijk uit, om over de menschen heen te
kunnen zien, en de lange gestalte van zijn oom in het oog te krijgen.
"Het loopen verveelt hem nooit," zoo ging hij als tot zich
zelf pratend voort. "Ha, nu staat hij stil! Wiens equipages of
dat is?"
"Frits," zei Justine, half glimlachend en half boos, "je
bent een akelige jongen. Er ligt je iets op de lippen, eene veronderstelling
of een vermoeden. Wat, weet ik niet. Kom, wees oprecht!"
"Neen, volstrekt niet," antwoordde hij; maar de spottende
trek om zijn mond zei genoeg, dat Justine niet geheel en al ongelijk
had.
"Hij lacht, Justi, hij lacht!" riep het tweede meisje.
"Kom, Nonnie, wat weet jij er van? Je mag nog niet meespreken met
de groote menschen."
"Met de groote menschen! Al mag ik je nog geen Frits noemen, zooals
Justi, en papa, daarom ben ik niet dommer. Wacht maar, als ik zelf groot
ben!"
"Je bent een veelbelovend kind, Non, en voor jou en voor Jakob
is het hoognoodig, dat je eens onder fermer handen komt dan van Justine
en tante Jet."
[117:]
"Je hoeft
je niet te bemoeien," riep Nonnie, rood van kwaadheid.
"Kom, Frits! maak nu geene ruzie met Nonnie en zeg me liever wat
je op het hart ligt."
"Niets, nichtje! Weet ge van wie dat rijtuig is, waarbij je pa
stilstaat?"
"Van majoor De Lance."
"'t Kan zijn, ik weet niet."
Hij tikte de maat met zijne kleine karwarts op de punt van zijne glimmende
schoenen. "Hebt ge de gouvernante van majoor De Lance wel eens
gezien? Een lief wijfje, hè?"
"Ik weet het niet... O, foei, Frits, foei!" riep zij een oogenblik
later verschrikt uit.
"Wat is het, Justi, wat?" vroeg Nonnie, "zeg me zachtjes,
waarom zegt je zoo!"
"Niets, Nonnie; Frits praat wat nonsens."
"Ik zeg, wat iedereen zegt."
"De juffrouw van De Lance is mooi, Justi. Kijk, ze doet heur haar
zoo," - en de kleine wijsneus trachtte de lokjes op haar voorhoofd
bij wijze van tirebouchons te laten hangen.
"Frits, ik kan dat half en half spreken niet verdragen; zeg me
ronduit, wat gij toch bedoelt; en wat gij mij door uwe wonderlijke gezichten
wilt doen raden?"
"Maar, Justine, wat wordt ge spraakzaam! Ik ben dat niet van u
gewoon. Is het dan zoo iets bijzonders wanneer ik u vraag, of gij een
mooi meisje hebt gezien? Uw papa schijnt haar wel zoo te vinden. Hij
staat nog op het zelfde punt."
"Gij bedoelt iets anders, Frits."
"Op mijn woord niet, Justi! Niets anders dan wat ik zeg. Zoudt
ge niet graag een mama willen hebben, en jij ook, Poppie?"
Poppie, een klein dingske van omtrent vier jaar, gaf geen antwoord,
maar kroop dichter bij Jnstine. Nonnie, die niet zoo spoedig verlegen
werd, antwoordde:
"Jawel neef! Ik wil wel, maar dan moet ze niet zoo dik zijn, als
tante Jet, en mooie kleeren dragen, en het haar zooals de juffrouw van
De Lance."
[118:]
"Slim ding,"
riep Frits, en barstte in een luid gelach los. Justine was iets bleeker
geworden.
"'t Stuk is uit. We zullen maar gaan, Non!"
"Nu al Justine! Zeg eens zijt ge boos op mij?"
"O neen, Frits! Maar ik heb niet graag, dat je zulke praatjes houdt
tegen de kinderen."
"Kom het gaat bij hen het ééne oor in, het andere
uit."
"Dat weet ik beter," zuchtte zij, en gaf het teeken om af
te rijden. Frits sprong van de treê, groette, en ging een anderen
weg om. Het rijtuig baande zich langzaam onder alle andere een weg;
Justine zag onverschillig rond.
"Daar staat papa met Jakob," riep Nonnie.
Justine keek die richting uit. Haar vader stond bij de groote vis-à-vis
van den majoor De Lance in druk gesprek met een jonge dame, die in haar
geheel nieuwmodisch, Europeesch toilet eene zeer elegante verschijning
was.
Jakob zat zeer vertrouwelijk op de voorbank tusschen de kleine jongeheeren
De Lance, en zoo verdiept scheen zijn papa in hetgeen de jonge dame
hem lachend verhaalde, dat hij niet eens het rijtuig zijner familie
bemerkte.