[40:] TWAALFDE TOONEEL.
Juf f r o u w D u m o n t a l l e e n.
(Leest den brief op den voorgrond). Dat ik mij zoo vernederen
kon en alles is nu opgelost, Zoo'n mooie brief, zoo echt comme il faut.
Niemand vertrouwt hij liever zijn kinderen toe dan mij, - Hij durfde
gister avond niet spreken. Ik hield mij zoo hoog (lachend). Hij
moest eens weten, hoe ik smachtte naar een hartelijk woord, een stil
handdrukje (voortlezend). En wat hem zoo in mij aantrekt, wat
hem zoo'n vertrouwen geeft in de toekomst, wat hem in alle gerustheid
zijn kinderen aan mij doet geven, dat is juist mijn door en door Europeeschheid.
(Zich bedenkend). O; nu herinner ik mij. Hij heeft mij gisteren
laten opbiechten. Dat ik niet van rijsttafel hield, dat ik middagslaapjes
verfoei, dat ik sarong en kabaya's en andere negligés indecent
vind, dat ik geen last van de warmte heb - dat heb ik hem gister avond
alles gezegd - niet denkende dat - dat hij er zoo'n waarde aan hechtte
- maar vooral - dat ik alle inlandsche onhebbelijkheden adat djawa en
tinka"s [Javaansche manieren en kuren.] zoo verafschuw - dat dwaze,
Javaansche bijgeloof vooral, (schrikkend), O, God! Wat heb ik
gedaan! Als hij dat weet! (kermend).
[42:]
Eindelijk in de haven en nu dit weer? (zij valt op een der stoelen neer.) Maar hij hoeft het niet te weten - neen - neen! Ja maar ik weet het toch, met een leugen in het hart moet ik hem mijn jawoord geven. Ik kan hem toch niet bekennen dat ik als een onbeschaafde Nonna mijn toevlucht heb genomen tot een liefdedrank. Wat zou hij mij verachten! Neen, ik moet zwijgen, maar o, het zal mij zoo hard vallen als hij mij prijst en ik alleen weet hoe slecht ik het verdien. Wie komt daar aan? Hetty! Zij mag niets weten van den brief. Die bakvisch, dat vroegwijze, brutale kind!