[70:]
TWEEDE GEDEELTE.
I.
HET STEEKSPEL.
Te midden der drie
hooge bergen de Lawoe, de Merapi en de Merbaboe in een schoone vruchtbare
streek, ligt de keizerlijke hofstad Karta-Soera, die nog slechts sinds
weinige jaren door den keizer van Mataram bewoond werd. Vroeger toch
tijdens den opstand van Troeno-Djojo lag de residentie meer ten zuiden
bij de hoofdstad Mataram; na het sluiten van den vrede had keizer Hamangkoe-Rat
een tegenzin gekregen in den dalem, dien zijn vader bijna stervend had
moeten ontvluchten en daarom zich in Karta-Soera een paleis laten bouwen.
Zooals alle vorstelijke verblijfplaatsen, had de kraton van Karta-Soera,
meer het voorkomen van een vesting dan van een paleis; dikke ringmuren,
hier en daar afgewisseld door bastions, omgaven de talrijke gebouwen
door den keizer en zijn hofhouding bewoond; verscheidene poorten gaven
er toegang aan.
Niet ver van den hoofdingang omringde een omheining of pagger de bamboezen
huizen, die tot kazerne dienden voor de Hollandsche lijfwacht, door
de Compagnie genadig aan den keizer te zijner beschikking toegestaan,
maar die eigenlijk geen ander doel had dan den vorst en zijn aanhang
in het oog en onder bedwang te houden.
De hoofdpoort gaf toegang tot den grooten aloen-
[71:]
aloen, een uitgestrekt
binnenplein, door groote in parasolvorm gesnoeide waringins beplant,
en van alle zijden omringd door kleine gebouwen, die tot bergplaats
dienden der gamelans van de rijksgrooten, van hun wapens en paardentuigen,
in gebruik bij de wekelijksche tournooien. De grond was met wit zand
bestrooid; zorgvuldig was elk grashalmpje geweerd en zoo helder en glad
scheen de gladde oppervlakte, dat men er, volgens javaansche spreekwijze,
gerust stofgoud op kon strooien, zonder dat iets verloren ging.
Een tweede poort leidde tot het binnenste van het paleis, waar zich
achter de reusachtige, rijk met verguld snijwerk, versierde pendoppoh,
het eigenlijke vorstelijke verblijf of de Probojoso bevond, niet ver
van de Kapoetren of harem.
Aan elke poort houdt een vrouw de wacht, een oude gerimpelde amazone
in hofkostuum, dat wil zeggen in enkelen sarong tot boven de borst reikend,
armen, schouders en hals bloot maar met gele verf gekleurd.
Aan een der zijden van den aloen-aloen verheft zich de Sitingil, een
hoogte, waarop de keizer zich met zijn eerewacht neerzet, wanneer hij,
zoo als heden het geval is, een tournooi komt bijwonen.
Een schitterend, echt Oostersch tafereel, een weelde en rijkdom van
kleuren en glansen, die door de reeds dalende zonnestralen nieuwen gloed
en nieuw leven verkrijgen. Het scharlakengoud schittert boven alles
uit, daarnaast vonkelt het geel in alle schakeeringen, nog schitterender
als het zich huwt aan het kalme paars of zich vereenigt met het levendige
groen in zijn diepe weerglansen, of door zijn stralen het droomige blauw
vervroolijkt. En over alles werpt de zon een roodgouden sluier, de gouden
gebitten der paarden en hun bonte schabrakken, flikkeren oogverblindend;
de takken der waringinboomen laten een regen van vurige vonken op het
zilverwitte
[72:]
kiezelzand door;
de bergen baden zich in den warmen gloed, en zenden koele geuren uit
de bosschen, op hun hellingen naar beneden in den lusthof. De blauwe
lucht koepelt zich over het stukje schoone aarde, dat hier tusschen
de bergen besloten is, wolkeloos en diep, zooals zij alleen tusschende
keerkringen zijn kan.
De ruiters rijden heen en weer trotsch op hun fraaie rijk versierde
paarden, en trotsch op hun eigen kleeding, hun goud en edelgesteenten;
de gamelans in de verschillende huizen, worden zacht en teer bespeeld.
Op eens wordt het spel luider en levendiger, de ruiters scharen zich
twee aan twee, de keizer gaat verschijnen, daar treedt hij naar buiten,
omgeven door zijn stoet van amazonen en lijfwachten, alléén
te paard, terwijl zij allen te voet gaan.
Hamangkoe-Rat onderscheidt zich noch door koninklijke houding, noch
door geestige trekken; slap hangt zijn donkerbruine huid om de vooruitstekende
jukbeenderen, zijn oogen liggen diep en zonder eenige uitdrukking in
de diepe kassen, zijn geheele uiterlijk mist alle kracht en waardigheid,
ondanks de schitterende kleederen, die zijn gestalte omsluiten; alles
verraadt den slaaf der laagste hartstochten, een man door uitspattingen
verzwakt en door opium uitgeput.
Op zijn hoofd draagt hij de hoog opstaande zwart zijden muts of koeloek,
rijk versierd met gouden borduurwerk, zijn sikapen of bovenkleed is
van stijf goudlaken en beurt het voorover zakkende hoofd door een breeden
hoogen boord nog eenigszins op. Een kostbare kaïn van het beroemde
Solosche fabrikaat valt op zijn donkergroenen eveneens met goud doorwerkte
djarik (pantalon), zijn voeten steken in purperen muilen; in een rijk
met edelgesteenten versierden gouden band, die 's keizers middel omsluit,
flikkeren de gevesten van drie krissen, terwijl een ring door een stralenden
robijn versierd, daaraan bevestigd
[73:]
is en straks den
gouden haak van de toomen afwacht, als de vorst zich tot het rennen
begeeft.
De gelaatstrekken der Hollandsche lijfwachten schijnen nog blanker tusschen
al die gebronsde mannen; oranjesjerpen omgorden hun heupen, de gele
wambuizen der officieren zijn met linten en strikken versierd, fraaie
pluimen tooien hun breedgerande vilten hoeden; het zwaard dragen zij
op zijde, het slaat tegen hun geplooide beenbekleedsels, die in nauwsluitende
kousen en kaplaarzen eindigen, op de schouders rusten de geweren. Kapitein
Grevink gaat aan hun hoofd.
De javaansche lijfwachten van beider geslacht volgen hen; de vrouwen
dragen pijl en boog, het zijn echter amazonen, die alle schoonheid en
jeugd missen, de mannen voeren pieken en lansen.
Eenige vrouwen in hofgewaad dragen den keizer zijn gouden zonnescherm,
sirih-doos, kwispeldoor en troon na, deze troon, tampar genaamd, is
een laag vierkant tabouret, van rood fluweel met gouden franjes versierd;
anderen hanteeren stompe lansen, de wapens voor het rennen vereischt;
het gevolg bestaat uit meer dan twee of driehonderd mannen.
Zoodra de Soesoehoenan in het renperk aangekomen is, stelt hij zich
aan het hoofd der ruiters, die hem eerbiedig opwachten en maakt eenige
keeren steeds in meer versnelden galop den tocht rondom de baan; de
vlugge paarden brieschen van genot, bevallig heffen zij den rijk versierden
hals omhoog en tippen de voorpooten sierlijk op bij de tonen der gamelans
en andere luidschallende instrumenten. Dan wordt de rit vlugger, zij
buigen den kop en snellen voorwaarts, altijd levendiger, altijd rapper,
totdat het witte zadel van den aloen-aloen in dwarrelende wolken omhoog
stuift bij de vluchtige aanraking hunner hoeven.
De keizer matigt den stap van zijn paard, die beweging heeft hem reeds
vermoeid, hij zal van
[74:]
daag niet meer rennen;
bij den Sitingil gekomen, stijgt hij af en neemt op zijn troon plaats.
De wachten scharen zich rondom zijn zetel, de amazonen laten zich achter
hem op een knie neder en strekken den gespannen boog voor zich uit als
om de vijanden van hun vorstelijken meester reeds bij voorbaat te bedreigen;
op eerbiedigen afstand van hem zitten de andere vrouwen, die de keizerlijke
insignes dragen, kruiselings op matten.
Een oogenblik is alles doodstil, het opgejaagde stof zakt langzaam neer,
de duizenden en duizenden menschen en dieren in den aloen-aloen, verroeren
zich niet. Aller oogen vestigen zich op den oppermachtigen meester,
wiens onbewogen blik koel en onverschillig over het bonte schouwspel
aan zijn voeten glijdt.
Zelfs de gamelans zwijgen, totdat de keizer met een schier onmerkbaar
loom gebaar de hand opheft; onmiddellijk vervullen de tonen der muziek
weer de lucht en eenige ruiters komen vóór. Na den keizer
met hun lansen begroet te hebben, haken zij de korte, ronde toomen aan
hun gordels, om de handen vrij te hebben en besturen alléén
met lichaam en knieën hunne paarden. Het steekspel neemt een aanvang;
een der voornaamste prinsen rijdt vóór tot halverwege
de baan vlak vóór 's keizers zitplaats; een andere ridder
rijdt hem te gemoet.
Onmerkbaar haast drukt de keizer zijn oogleden toe als wilde hij zich
inspannen om beter te zien, wie de nieuwe aanvaller is.
Niemand kent hem, zijn uiterlijk valt echter tusschen al deze kleine
gestalten op, niettegenstaande zijn kleeding eenvoudig is in vergelijking
met die der andere edelen.
Rank en groot is zijn gestalte, hij schijnt één met het
vurige Perzische paard, dat hij geheel onder bedwang heeft en in hem
zijn meester erkent; zijn glinsterend zwarte haren vallen in korte krullen
op
[75:]
zijn hals, uit
de witte koeloek, die ze van boven bedekt; een vuurrood wambuis doet
zijn breede, krachtige schouders en borst fraai uitkomen; slechts spaarzaam
is het met gouddraad bestikt, zijn kaïn hangt in sierlijke plooien
over den sneeuwwitten djarit. De lans hoog opgeheven rijdt hij op den
prins aan, vervolgt hem tot aan het uiteinde van het plein, waar deze
zich plotseling omkeert en hem steken tracht toe te brengen, hij pareert
ze echter met het grootste gemak en zij zetten het spel voort. Allen
zien ademloos toe, totdat plotseling een onderdrukt gejuich uit de menigte
opstijgt, een gejuich, dat dadelijk verstomt, want het is ten strengste
verboden zich te verheugen, als een prins van den bloede uit het zadel
wordt gelicht, en nu is het 's keizers broeder, die door den vreemdeling
overwonnen is.
Met nieuwen moed en nieuw vuur gaat het tournooi voort; altijd is het
echter de onbekende ridder, die den palm der overwinning wegdraagt;
de meest bekende steekspelers beproeven hun krachten tegen hem. Allen
zijn gedwongen zijn meerderheid te erkennen, hij blijft meester van
het kamp. Fier rijdt hij rond de baan, zijn lans in de hand. Voor den
keizer gekomen, laat hij zijn paard de soembah [Kniebuiging.] maken,
en iets als een vaag teeken van bewondering schemert op het effene gelaat
des vorsten.
"Een kranige kerel," fluistert de Hollandsche luitenant zijn
kapitein toe, "ik heb hem nog niet eer gezien. Wie hij zijn mag?"
"Och, al die bruine vellen lijken op mekaar," antwoordde kapitein
Grevink minachtend, "maar hij stond bij het huisje van den Rijksbestuurder
en dat bevalt me minder."
"Waar Amirang Kasoumo hem opgedoken heeft?
[76:]
Hij behoort tot
geen der grooten van het hof."
De keizer wendde zich iets terzijde en wenkte schier onmerkbaar, toch
was de vluchtige beweging voldoende om Amirang Kasoumo, den rijksbestierder,
die op eenigen afstand zat, naar zijn troon te doen schuiven; hij wierp
zich met het aangezicht ter aarde en de keizer boog zich voorover om
hem iets op fluisterenden toon te vragen.
"Heer der Wereld!" antwoordde Kasoumo, " vergun uw dienaar
dat hij straks uw voeten kusse. De vreemdeling is een groot en heldhalftig
man, een vijand der Compagnie," voegde hij er schier onhoorbaar
achter.
De Soesoehoenan hief 't hoofd weer op en een flauwe beweging zijner
oogen bewees den rijksbestierder, dat bij genoeg wist. Kasoumo kroop
ruggelings terug naar zijn plaats en de keizer nam zijn strak, kil gelaat
weer aan.
De schaduwen van den avond vielen over het gebergte en het dal, de laatste
bloedroode stralen der zon flikkerden nog even om de kruinen der bergen,
toen werd alles donker en grauw, maar de maan steeg hooger en hooger
en hulde den aloen-aloen in haar blauw-zilveren glans.
Aan alle zijden van de baan werden nu toortsen ontstoken, die met hun
roode glansen de bescheiden stralen der maan op de vlucht joegen; het
tournooispel had opgehouden, de ruiters stegen van hun rossen en schaarden
zich allen in een halven kring, op eenigen afstand van den keizer; zij
zetten zich op den grond neer, de lansen opgeheven houdend, maar de
keizer scheen in goeden luim, hij beval hen de wapens aan hun dienaars
over te geven en wenkte aan enkelen naderbij te komen; onder hen was
ook de rijksbestierder.
"Waar is de overwinnaar in zoovele spelen?" vroeg hij.
Amirang Kasoumoschoof terug, op eenigen afstand
[77:]
van de andere edelen
stond een groep mannen, wier ruwe gelaatstrekken en forscbe gestalten
sterk afstaken bij de sierlijke, tengere maar slappe figuren der javaansche
edelen. Aan hun hoofd ging de vreemde ridder.
Kapitein Grevink trachtte niets te verliezen van hetgeen er voorviel;
zoo zag hij dan ook den vreemdeling, door Amirang Kasoumo begeleid,
's keizers troon naderen en hem de voeten kussen.
Door den afstand was het hem niet mogelijk van het gesprek, dat trouwens
in hoog javaansch gevoerd werd, een woord op te vangen.
Na weinige oogenblikken stond de keizer op en noodigde allen uit bij
hem het avondmaal te gebruiken.
Langzaam wendde zich de stoet weer naar de eerste binnenplaats, nu echter
ging de vorst te voet; de Hollandsche lijfwacht bleef bij de eerste
poort de wacht houden, kapitein Grevink keerde naar den Pagger - de
heining die het kamp der Hollandsche soldaten omsloot - terug. Hij was
niet gerust, waarom, dat wist hij zelf niet.
Reeds sinds langen tijd heerschte er spanning tusschen de Compagnie
en den Soesoehoenan; deze beschuldigde de Hollanders van de Tjeribonsche
prinsen te beschermen, die hem nog geen hulde hadden gebracht; de Compagnie
daarentegen drong op afdoening aan van de schulden, door Hamangkoe-Rat
jegens haar aangegaan, toen zij hem op den troon zijns vaders herstelde.
Amirang Kasoumo, de machtige rijksbestierder, was den Hollanders ongenegen;
hij vervloekte in zijn hart de afhankelijkheid, waarin de keizer tegenover
hen geraakt was en zocht een geschikte gelegenheid om hem daarvan te
verlossen; de zwakke, slechts aan zijn genot denkende, Soesoehoenan
liet alles aan zijn listigen, sluwen dienaar over. Hij was tevreden,
zoo hij naar hartelust zich aan zijn opium
[78:]
en zijn vrouwen
kon overgeven en vond alles goed wat hem het gedurige bezit dezer onmisbare
voorwaarden van zijn geluk kon verzekeren.
Op het binnenhof was weldra het feestmaal in vollen gang; verscheidene
tentjes of priëelen waren daar opgericht; van voren geheel open
en van achter met gordijnen afgesloten; in het midden verhief zich dat
van den keizer. De in een halve maanvorm opgerichte huisjes hadden allen
het gezicht op den voorsten zetel; kruipend kwamen de dienaren door
de gordijnen het maal opbrengen.
Fijn gevlochten matten vormden èn tafel èn zitplaats,
allen waren schrijlings gezet - pisang bladeren verrichtten den dienst
van tafellakens; koekoesans [Manden uit bladeren gevlochten.] waarin
de rijst was opgebracht, sierden met hun pyramidenvorm, die tot aan
de schouders der aanzittenden reikte, het feestmaal.
Daarnaast waren groote stapels van gebraden vleesch, hoenders, en gevogelte
opgericht; het scheen onmogelijk dat die ontzaglijke hoeveelheid van
spijzen in één maal kon opgebruikt worden, maar het gebruik
eischte dat, zoodra de vorst gegeten had, al het overgeblevene met mat
en al opgenomen werd om het aan de bedienden van de prinsen en edellieden
mee te geven.
Volgens de etiquette mocht niets van het opgedragen eten in de keizerlijke
keuken terugkeeren; de dienaren wisten er wel raad mee; wat zij niet
opkregen, ging mede naar hun huis. Het dessert uit vruchten en een oneindige
verscheidenheid van gebak bestaande, werd op dezelfde wijze op nieuwe
pisangbladen voorgediend, weggedragen en uitgedeeld.
Vervolgens werd den gasten een schat van de geurigste aaneengeregen
bloemen, melatiknoppen, tandjoengs, tongkens, enz., aangeboden, waarvan
zij de
[79:]
welriekende snoeren
aan hun hoofdbedekking boven de ooren bevestigden.
De sirih kwam nu de plaats van sigaren bij de hedendaagsche Europeesche
feestmaaltijden vervangen, en dit bleek het sein tot een opgewekt, vroolijk
gesprek.
Ieder had echter de oogen gericht op den vorst, die eenzaam op zijn
hooge zitplaats troonde, want zelfs de naastzittende was een zestal
voeten van hem verwijderd.
Een schaduw van een glimlach op zijn onbewegelijk gelaat te voorschijn
roepen, was ieders hoogste eerzucht.
De keizer sprak echter alleen met zijn rijksbestierder, die aan zijn
voeten zat.
"Wat zal de Compagnie zeggen, als ik hem een schuilplaats verleen?"
vroeg de machtige beheerscher van Java en Madura, dien honderdduizenden
slechts met het aangezicht ter aarde durfden naderen, wiens wenk over
hun aller leven en dood besliste.
"De Hollanders, verheven Keizer, behoeven niet te weten, wie Uw
Hoogheid gastvrij in zijn paleis opneemt."
"Hij is in open vijandschap met hen, zij hebben hem vergeefs gevolgd
en het zou onvoorzichtig blijken, zoo wij hem een schuilplaats verleenden
ondanks het verdrag dat ik met de Compagnie aanging."
"Is de Compagnie meester in uw kraton, mijn gebieder? Zal door
niets uw schuld aan hen afgelost worden?"
"Ja, zwaar is de last der erkentelijkheid, niets kan deze verminderen."
"Toch wel, machtige keizer, geen juk is er dat men niet kan afschudden
zoo de tijd daarvoor rijp is."
"Dat kan slechts een machtige, krachtige vuist," sprak de
keizer loom.
[80:]
"En die vuist
zal te vinden zijn als Uw Hoogheid het gebiedt; het gewicht der dankbaarheid
wordt steeds zwaarder en zwaarder, ten laatste zakt het verpletterend
neer op de hoofden der beweldadigden."
"Uw woorden zijn mij duister als een nacht zonder sterren,"
hernam de Soesoehoenan.
"Uw dienaar zal gaarne een licht ontsteken op dien duisteren weg,"
antwoordde de rijksbestierder, "mijn gebieder weet, welke hooge
verplichting ik aan den dapperen Balinees heb."
De keizer zag hem wezenloos als vragend aan.
"Uw Hoogheid gewaardigt zich niet te gedenken dat de held mijn
dochter, nadat zij weigerde haar echtgenoot, den Bantamschen prins,
in de verbanning te volgen, naar Kartoe-Soera geleid heeft, haar met
den grootsten eerbied bescherming verleenend.
De keizer wenkte dat hij voort zou gaan:
"Welnu, dan machtige Keizer, het hart mijner dochter is bewogen
van liefde voor haar beschermer, en nu zij wettig gescheiden is van
den Pangeran Poerbaya, kent zij slechts één wensch, met
Soerapati vereenigd te worden als het Uw Almacht behaagt."
"Radhen Goesik is jong en schoon; het zou wreed zijn haar tot den
eeuwigen weduwstaat te veroordeelen; wanneer zij den held liefheeft
en hij ons belooft zijn arm tegen de Compagnie op te heffen zoodra het
juk te zwaar wordt voor onze schouders, dan zij hij welkom in den kraton."
De rijksbestierder kuste 's keizers voeten.
"Heb dank, machtige monarch," zoo sprak hij, met moeite de
vreugde verbergend die in zijn stem school, "mijn dochter en Soerapati
zullen u dank weten en als de tijd gekomen is, dan zal hij u verlossen
van het zware juk dat de Kafirs zoo schandelijk op uw schouders hebben
geladen, want zijn geest is helder en zijn arm is sterk."
[81:]
De keizer luisterde echter niet meer, al zijn aandacht was afgeleid door het spel zijner danseressen dat nu onder begeleiding van de tallooze muziekinstrumenten een aanvang ging nemen.