[47:] VI.
POERBAYA'S KRIS.
Hevige opgewondenheid
heerschte in het kamp toen de prinses met haar gevolg er terugkeerde.
De vaandrig Kuffeler, omringd door zijn mannen, had zich tot den prins
begeven. en vroeg hem zijn wapens af in ruil van den beloofden pardonbrief
der Compagnie.
Soerapati stond terzijde bleek van drift; geen woord was sedert gisteren
meer tusschen hem en Kuffeler gewisseld; zonder zich het minst om hem
te bekommeren, volgde zijn mindere zijn eigen instructiën. De Balineezen
morden en vroegen zich af, wat toch de bedoeling der Compagnie geweest
kon zijn met hen in dienst te nemen, vrijheid en vergiffenis te beloven.
Was het alleen, daar die Hollanders zich te zwak voelden om hen te bestrijden
dat zij in ruil voor hun vergiffenis hulp en bijstand van hen vroegen,
maar wat hadden zij met die gunsten der vreemdelingen te doen? Waren
zij hier niet in hun eigen land, voerden zij geen vrij onbezorgd leven,
beefde niet de geheele omtrek voor hen, bracht de bevolking hen voorheen
niet vrijwillig alles wat zij verlangden, om hun dorpen van plundering
te vrijwaren?
En in plaats van dat vrije lot, zocht hun opper
[48:]
hoofd opnieuw de
slavernij, hij spiegelde zich gouden bergen voor van zijn onderwerping
aan de Hollanders, nu kon hij ervaren waaruit die belooning bestond.
Zijn diensten, ja, die werden gaarne aangenomen, maar nu het de eer
der overwinning gold, nu ging een ander er zich mee tooien en hij mocht
toezien. Zouden nu eindelijk zijn oogen opengaan?
Soerapati wist wat zijn volk dacht en mompelde; hij hoorde hun spotlach,
hij kende hun denkbeelden en leed dubbel nu hij in hun tegenwoordigheid
zoo diep vernederd werd door dezelfden, aan wie hij hen had opgeofferd.
Het vuur der muiterij smeulde achter al die gebruinde voorhoofden, het
kostte hem slechts een woord en allen zouden zij den vaandrig met zijn
soldaten neergestoken hebben. Hij begreep het en toch moest hij kalm
blijven in tegenwoordigheid van zijn mannen, in tegenwoordigheid van
den prins, die hem zoo hoogschatte en die om zijnentwille vooral zich
oprecht en gaarne aan de Compagnie onderwierp. Hij voelde zich beschaamd
en diep vernederd maar er viel niets te doen; elke daad van hem jegens
Kuffeler, dit voelde hij genoeg, zou hem als strafbaar aangerekend worden.
Hij kon slechts den vaandrig laten begaan om des vredes wille, de eer
van Pangeran Poerbaya's onderwerping aan hem overlaten en alleen hopen
op de billijkheid van kapitein Ruijs, die de hooge Regeering den waren
staat van zaken zou blootleggen en hem voldoening geven tegenover den
verwaanden vaandrig.
Hij gaf den prins dus een teeken, dat hij zich aan den uit Batavia gezonden
onderofficier, zou overgeven.
"Het zal nu schijnen," sprak hij, "of gij u rechtstreeks
in de handen der Ed. Compagnie stelt. Vaandrig Kuffeler spreekt als
zaakgelastigde van den Grooten Heer; ik kon slechts uit naam van kapitein
Ruijs met u onderhandelen."
[49:]
"Zal zijn
slaafschheid nog verder gaan?" vroeg Wirajoeda, een jong en vurig
Balinees, aan den ouden Kiai Hemboong. "Ik ken onzen meester niet
meer. Is hij dezelfde, die slechts met een kleine kris voorzien ons
uit de gevangenis van Batavia verloste, de wacht neerstak, zich van
haar wapens meester maakte, schrik en dood overal verspreidde?"
"Laat hem begaan, mijn zoon! De tijger slaapt, wee den christenhonden
als hij ontwaakt!"
"Maar waarom slaapt hij nu, waarom kruipt hij voor de Hollanders.
Wij hebben hen niet noodig, een slag en wij zijn weer vrij!"
"Hij is de moedigste, die niets te verliezen heeft. Wie een kostbaar
kleinood vreest te verbeuren wordt zwak. . . ."
"En lafhartig! Wij zien toe, wee hem zoo zijn slaafsche onderwerping
te ver gaat. Ook onze trouw en toewijding hebben grenzen."
"Stil mijn zoon, stil! Overhaasting heeft meer bedorven dan moed
deed winnen. De vrucht van verbittering is nog niet rijp in Soerapati's
ziel."
Intusschen gaf Pangeran Poerbaya op kalmen, beslisten toon aan zijn
mannen bevel de bijeengebonden wapens aan den vaandrig over te geven.
De pieken, buksen en krissen werden in bundels aan de voeten van den
onderofficier gelegd.
"Daar het de wensch is van de Edele Compagnie dat ik mij aan u
onderwerp, leg ik al deze wapenen vóór u ter aarde neder,"
sprak hij kalm en ootmoedig. "Ik hoop dat gij mijn vrijwillige
onderwerping op prijs zult stellen en dat geen kwaad mij en de mijnen
geschieden zal."
"Er ontbreekt nog een wapen aan!" beet de vaandrig hem ruwen
scherp toe.
"De Heer vaandrig vergist zich," antwoordde Pangeran Poerbaya
rustig, "al mijn mannen zijn ontwapend."
"Maar gij zijt het nog niet; ik moet ook uw
[50:]
kris hebben, anders
erken ik uw onderwerping niet."
De trekken van den Bantamschen prins namen een smartelijke uitdrukking
aan, hij bracht onwillekeurig de hand aan zijn wapen, en een dof gemompel
steeg uit zijn manschappen op.
Radhen Goesik, die met de andere vrouwen en slavinnen bij de tent stond,
bedekte haar gelaat met de handen op het vernemen van dien smaad haar
echtgenoot aangedaan, ook de Balineezen lieten een onheilspellend gerucht
hooren. Soerapati bewoog zich echter niet, roerloos staarde hij het
tooneel aan.
"Verschoon mij Heer," sprak de prins, "maar ik geef mijn
kris niet aan een ondergeschikt officier over."
"Wat, durf je nog voorwaarden stellen, wees blijde dat wij jou
met je aanhang niet een blauwen pil laten slikken. Houd je praatjes
voor je en geef mij je kris."
Vaster drukte Poerbaya zijn hand op het wapen en schudde het hoofd van
neen, zonder met een enkel woord op de ruwe toespraak van den vaandrig
te antwoorden. Doodsche, dreigende stilte heerschte onder al die mannen,
in het woud verzameld.
"Geef je mij het ding goedschiks over," drong Kuffeler aan,
steeds dichter en dichter op den vorst toetredend.
"Vergun mij dat ik de kris op zijde houdt, Heer," sprak de
Pangeran altijd even onderworpen, maar vast. "We zijn hier nog
niet op uw gebied. Het woud is onveilig en het zou gevaarlijk kunnen
zijn daar ongewapend in rond te dolen."
"Meen je dat we niet sterk genoeg zijn jou en je kraam te beschermen
tegen wie ook, of vertrouw je dat aan vreemden niet? Kom, maak geen
verdere praatjes, en geef mij dat wapen, als je met Hollanders te doen
wilt hebben, dan dien je ook hun gewoonten te kennen."
[51:]
"Ik ken de
gewoonten der Hollanders," hernam de prins, "maar men moet
mij zoo hard niet vallen, want dit is mij een groote schande. De Compagnie
heeft mij immers in genade aangenomen, waarom behandelt een vaandrig
mij zoo hard?"
Het gemompel verhief zich opnieuw, het werd luider en luider; aller
oogen waren op Soerapati gevestigd, de brandstof lag hoog opgestapeld,
een vonk was voldoende om ze in laaie te ontsteken; een wenk van zijn
oog en de Bantammers waren op de saamgebonden wapens gevallen om daarmede,
tegelijk met de Balineezen, Kuffeler en de zijnen neer te houwen.
Soerapati voelde, dat de toestand hoe langer hoe meer gespannen werd,
dat dezelfde mannen, die nu nog naar hem opzagen, in het volgende oogenblik
over hem heen zouden doen wat hun verbitterd gemoed vóórschreef,
en dat het dan gedaan zou zijn met de mannen der Compagnie. Hij trad
tusschen den prins en den vaandrig en sprak op bedarenden toon:
"De prins geeft gelijk, vaandrig! Personen van zijn rang geven
hun wapens slechts over aan leden der Hooge Regeering of aan hoofd-officieren;
hij mag gerust zijn kris behouden, ik sta er u borg voor."
"Wat komt gij er u mee bemoeien, slaaf!" riep de vaandrig
verbitterd, "'t gaat je volstrekt niet aan, 't is een zaak tusschen
mij en den Pangeran."
"Ik wilde erger dingen voorkomen, daarom trad ik tusschenbeide;
sta den prins toe, zijn kris te dragen totdat wij het bosch verlaten.
Het kan hier onveilig worden en dan hebben wij gewapende mannen hoog
noodig," en zacht fluisterde hij hem in, "sta het toe, ik
blijf u geen borg voor mijn mannen en de zijnen als gij voortgaat hen
te verbitteren."
"Ellendeling, jij durft me dreigen?"
[52:]
"Ik dreig
niet, ik waarschuw slechts."
"De woorden van den luitenant vinden weerklank in mijn ziel; ik
zal u, hoe ongaarne ook, mijn kris overgeven, doch eerst als wij deze
plek verlaten hebben," sprak de prins.
"Nu kan ik niets anders doen dan het beloven, gij hebt den man
gek gemaakt met uw dwaze tusschenkomst," voer Kuffeler zich vertoornd
omkeerend uit, "pas op, uw schuldboek is dik genoeg, addergebroed;
gij vertrekt onmiddellijk naar Batavia, daar kunt ge u verantwoorden,
ook nog over dit allerlaatste heldenstuk."
"Vaandrig, 't is goed, dat gij vertegenwoordiger zijt van de Hooge
Regeering," zeide Soerapati nog altijd even kalm, "ik zou
anders niet vergeten, dat gij mijn ondergeschikte zijt."
"Een gedroste slaaf mijn meester!" schimpte Kuffeler.
"Vaandrig," fluisterde hem een zijner kameraden in het oor,
"drijf de zaak niet tot het uiterste, die menschen zijn tot alles
in staat als ze getergd worden. Zij zijn onze meerderen in getal."
"Meent ge dat ik ze vrees, en wat u betreft, bruine huichelaar,"
zoo wendde hij zich tot den Pangeran, "uitstel is geen afstel,
uw kris moet ik hebben, op den morgen onzer afreize."
Verbaast en als versuft zagen de inlandsche soldaten elkander aan en
Kuffeler pochte tegen zijn kameraden:
"Zoo moet men de javaansche honden behandelen. Met kracht en geweld
krijgt men alles. van hen gedaan, met toegevendheid niet."
Radhen Goesik was intusschen op haar matje neergevallen en snikte:
"Wat moet hij haar liefhebben, dat hij om haar zooveel van haar
landgenooten verdraagt!"