[22:] III.
Duinwijk was in
de laatste jaren met geweld tot badplaats gepromoveerd; een ondernemend
speculant had een maatschappij tot exploitatie van het Badhuis weten
te vormen. De aandeelen waren grootendeels geplaatst; er was een Kurhaus
gebouwd, men had zich wat koetsjes en badstoelen aangeschaft; op het
strand stond een muziekkoepel. In de couranten waren aanprijzende advertentiën
en reclames verschenen om het kalme, rustige, fraaie strand in de gunst
van zieken en gezonden aan te bevelen Zelfs vertelde men dat aan een
Duitschen prins en zijn gevolg vrij logies was aangeboden, mits hij
veertien dagen in Duinwijk wilde logeeren; maar hoewel het bericht in
alle couranten de ronde deed en ook niet werd tegengesproken, kwam de
prins niet, en zelfs ondanks het aanleggen van de stoomtram kon Duinwijk
het maar niet tot een mode-badplaats brengen.
De eerste maatschappij op aandeelen was reeds sinds lang geliquideerd
en een andere in haar plaats gekomen.
Deze had de zaak heel anders willen aanpakken, maar toch scheen ook
haar manier niet de rechte en Duinwijk, als badplaats, bleef kwijnen.
Men had gaarne van Dr. Adrichem meer medewerking gehad en was er van
overtuigd, dat, wanneer hij er zich mee wilde bemoeien, de zaak een
heel ander loop zou krijgen. Hij was er echter niet toe te bewegen en
sloeg de schitterendste aanbiedingen van de Directie dadelijk van de
hand.
Hij verkoos geen baddokter te worden; waren er zieken, dan konden zij
hem roepen en hij zou ze behandelen, onverschillig of ze in het Badhotel
of in het dorp logeerden, maar zich verbinden aan de Maatschappij, dat
nooit.
Een jonge dokter kreeg toen de betrekking, die echter weldra bleek niets
dan een eerepost te zijn. In het dorp,
[23:]
dat behalve de gewone notabelen
- de pastoor, de dominee, de ontvanger en de notaris - geheel door arme
visschers bewoond werd, was Dokter Adrichem hoogst populair; men wist
dat hij rijk was, maar vond hem zonderling. Zijn eigen familie verdiepte
zich in allerlei vermoedens over de redenen, die hem konden genoopt
hebben zich, nu twaalf jaren geleden, op dertigjarigen leeftijd, geheel
van de wereld af te zondëren.
Hij was in zijn jeugd een vroolijke knaap geweest, meer dan vroolijk
zelfs; als student stond hij bekend om zijn dolle streken, die hem echter
niet beletten binnen betrekkelijk korten tijd zijn studiën af te
maken.
Van jongs af had de zee hem steeds aangetrokken en zeer tegen den zin
zijner familie besloot hij dokter bij de Marine te worden. Hij vertrok
vol illusiën, blijde, opgewonden en kwam na drie jaren uit Indië
terug als een schim van zijn vroeger zelf, bleek, ziekelijk, lusteloos,
afgemat, levensmoede. Zijn kameraden wisten niet anders dan dat hij
langzamerhand zoo was geworden.
Zijn eerste werk was zijn ontslag uit den dienst te nemen; alweer tegen
den zin zijner ouders en zuster.
Maar hij ging zijn weg, zonder iemand ooit eenige verantwoording van
zijn daden te geven; de plaats van gemeentedokter in Duinwijk was sinds
lang vacant, niemand had lust zich op het eenzame stranddorpje, dat
toen geheel van de wereld afgescheiden was, voor een karig inkomen te
vestigen, en toen een Dr. Adrichem er naar solliciteerde werd het postje
hem met vreugde gegund. Een geschikt huis was er in het heele dorp niet
te vinden, hij liet er zich een bouwen, nam een huishoudster, op advertentie
en na dien tijd waren er juist twaalf jaren verloopen, gedurende welke
Adrichem slechts tweemalen zijn dorp verlaten had om zijn ouders te
begraven.
Hij leefde als een kluizenaar, geheel voor zijn studiën en zijn
zieken; hij gold bij de bevolking als een ware wonderdokter; van uren
ver kwam men hem raadpIegen, zijn collega's riepen hem dikwijls in consult,
want
[24:]
ook zij vonden hem een weergaasch knappen kerel, maar slechts
als het armen gold nam hij het voorstel aan.
Rijken konden volgens hem professors genoeg krijgen.Zijn zuster kwam
nu en dan eens een dagje over; in de laatste jaren, nu Duinwijk gemakkelijker
te bereiken was, meer dan vroeger.
De wereld, die dokter Adrichem ontvlucht was, kwam hem langzamerhand
weer opzoeken; hij bekommerde er zich niet over en zette zijn eenvoudig
leven voort. Zijn gezondheid had hij langzamerhand teruggekregen en
zijn aangeboren opgewektheid voor een groot gedeelte ook, en dit maakte
hem nog meer bemind.
Niemand wist als hij, de zieken zoo op te monteren; hij was er nu geheel
in; hij kende elke familie in al haar vertakkingen. De namen zelfs van
de kleinste kinderen waren hem bekend.
Rekeningen schreef hij nooit.
"Ze kunnen ze toch niet betalen," zeide hij lachend, "want
ik heb een hoog tarief. Dus houd ik het maar te goed."
Hij zelf hield apotheek, maar onder de medicijnen rekende hij ook bouillon,
wijn, melk.
Juffrouw Bol pruttelde dikwijls over den aanloop; de smerige klompen,
de drukte die 't gaf, het verwennen wat mijnheer dat volk deed. Zij
vond het eerst ook zeer eentonig en 't duurde lang vóór
zij zich wennen kon, maar zelf begreep zij dat het met haar lastig humeur
en schoonmaak-manie moeilijk gaan zou een geschikter en aangenamer betrekking
te vinden, en zoo had zij het, hoewel zuchtend en klagend, reeds twaalf
jaren volgehouden.
ln den laatsten tijd, nu Duinwijk een stoomtram bezat en een badhotel,
werd het er prettiger; er kwamen meer vreemden, zelfs mevrouw Van Haeren
verscheen een of twee keer in het jaar met haar dochters. Dokter ontving
ze vriendelijk en royaal, maar noodigde ze niet uit tot logeeren en
bracht hen nog minder een tegenbezoek.
[25:]
Vroeg men hem of hij iets tegen de promotie van Duinwijk tot badplaats
had, dan antwoordde hij leuk:
"Wel neen, laat ze hun gang gaan. Zij hinderen mij niet."
De jonge baddokter verveelde zich doodelijk, hij had niets te doen dan
op het terras met de drie à vier kurgasten te praten of te dammen;
telkens kon men hem op den stoomtram zien en tegen het einde van het
seizoen nam hij zijn ontslag.
Dokter Adrichem nam de behandeling der zieken weer op zich, en hij zond
hun flinke rekeningen.
"Menschen die rijk genoeg zijn om een badplaats te bezoeken, moeten
ook met mijn tarief genoegen nemen," verklaarde hij, en alles wat
de Directie deed om met hem over de behandeling der patiënten in
schikking te treden, werd hooghartig afgewezen.
Nu wist hij wel zeer goed dat hem bij de aandeelhouders de schuld gegeven
werd van den geringen bloei der badplaats; het liet hem koud.
"Ik heb hen immers niet geroepen," zeide hij, "en mijn
goeie visschers ook niet. Laat ze hun Kurhaus voor afbraak verkoopen
of er een gevangenis vanmaken. Alleen met de zieken bemoei ik mij; zijn
die niet over mij tevreden, dan moeten ze maar een anderen dokter roepen."
Nu was het "badseizoen" reeds sedert veertien dagen geopend
en behalve een ziekelijke dame met twee kinderen en een paar bleeke
jongelui, die voor half geld onder dak waren gebracht, bergde het nieuwe
badhotel nog geen gasten.
Het stond er eenzaam en gloednieuw in de blakerende zon; de stores hingen
neer, en alles zag er even wit, even warm, even stil en ongebruikt uit.
Het lag boven op een duin; een "terras", waarover een rood
en grijs zonnescherm hing, gaf nog eenige teekening en kleur aan het
gebouw; spichtige booropjes schudden door den fermen zeewind erbarmelijk
heen en weer; de twaalf badkoetsjes waren netjes op een rij onder aan
het
[26:]
strand geschikt; de bad vrouw zat te breien of te slapen,
in haar hokje; de badstoelen lagen allen nog op hoopen, slechts vier
à vijf stonden verstrooid over het goudgele zand.
De geheele inrichting maakte den indruk van een steedsche dame, die
ergens tusschen de duinen verdwaald is geraakt, haar vervelende positie
in de een zaamheid verwenscht en zich schaamt over haar elegant toilet
tusschen al dit visschersvolk.
Slechts nu en dan kwam er leven op het strand, als de stoomtram vreemdelingen
aanbracht, die ook eens "een dag aan zee" wilden doorbrengen.
Dat waren familiën met groote karbiezen, steedsche kinderen met
appelen of boterhammen aan den mond, luid sprekende mannen en op zijn
zondagsch gekleede juffrouwen. Met hun drieën of vieren werd een
badstoel gehuurd, de kinderen gingen spelen aan het strand, trokken
de kousen uit en plasten in het water; de ouderen zaten te praten en
uit hun eetvoorraad te putten.
Dan kwamen potverteerders van een kaartpartijtje, zanggezelschappen
of kerkbesturen, die hun dagje buiten hielden. Zelden had het Kurhaus
er groot voordeel van; de meesten brachten hun provisies mee; ten hoogste
werd een kop koffie besteld, waarbij men zijn boterhammen at; de heeren
namen soms een borreltje en de dames een glaasje rood of spuitwater~
Het dienstpersoneel was op twee kellners teruggebracht en deze hadden
nog haast niets te doen dan vaon de zaal naar het terras te slenteren,
met het servet op den rug of zwaaiend in de hand.
In den vacantietijd werd het wat beter, dan kwamen families over, die
graag op een koopje aan zee wilden zijn, met kinderen en meiden zelfs,
doch dan regende het gewoonlijk dag aan dag; nu echter in de heerlijke,
zonnige maand Juni was het er op vollen middag stil als in een woestijn.
Een der stoelen was alleen verhuurd; daarin zat het
[27:]
ongelukkige
Jansje: Haar zuster won het dubbeltje van den anderen stoel uit, door
in het zand naast haar te zitten; zij was druk aan het haken van een
ster voor een sprei, haar groote strandhoed lag naast haar in het zand
en een dikke, maar niet lange, vlecht van kroes bruin haar viel op haar
rug.
Frank was met zijn schetsboek in de hand langzaam van het hotel gedrenteld;
hij zag de krukken bij de stoelen liggen en begreep dat de beide kurgastjes
nu van de zee genoten.
Zonder dat zij hem opmerkten, kwam hij tot achter de stoelen en hoorde
het gesprek der beide kinderen.
"Ajakkes," zei de schelle stem van het bocheltje, "ik
vind het niets prettig aan zee. Het waait er altijd en je krijgt je
oogen vol zand."
"Maar lieveling! We zijn toch gekomen om aan zee te zitten."
"O ja, jij dweept met de zee, maar ik vind er niets aan; ik loop
nog liever bij ons op de gracht."
"Vooral als 't er zoo naar rozen ruikt."
"En hier ruikt het naar visch, dat komt op hetzelfde neer. Ik wou
dat we weer t'huis waren; ik kan niet slapen in die benauwde bedstee,
met ons tweeën en ik dacht dat we hier alle dagen visch zouden
krijgen en garnalen, maar jawel! 't is spek, spek en nog eens spek."
"Ja, met het logies hebben wij 't niet best getroffen, maar 't
kan moeilijk anders; in 't badhotel is 't zeker veel beter, maar dat
kost in een dag meer dan bij Krijns in de week."
"Als hij nu maar wat had willen afdokken."
"Ja, dat kan je begrijpen."
"Hij zag mij liever dood. Dan was hij van mij af en jij ook! Wat
zou je doen, Roos, als je niet meer met mij opgescheept zat?"
"Och foei! praat toch zoo niet, Jans! Je weet, ik mag het niet
hooren."
"Heb je hier pret?"
"Ik? Ja, dol! Ik griezel als ik denk aan huis!"
[28:]
"En je bent van nacht niet in bed geweest."
"Maar ik heb heerlijk geslapen op den stoel."
"Dat komt er van als men gezond is. Dan kan men tegen alles, dan
kan men een stootje velen. Maar zoo'n misbaksel als ik ben."
"Och Jans, ik wou dat je eens ophield met altijd zoo op jezelf
te schelden. Dat is éénmaal zoo en niet anders. Onze Lieve
Heer hooft het gewild."
"Onze Lieve Heer! Waarom heeft hij 't juist aan mij gewild? Dat
is niets mooi, en dat vind ik niets aardig. Jij bent zoo mooi dat iedereen
je aankijkt en mij kijken ze ook aan en denken bij zichzelf: Wat een
monster! Een bult op krukken! Kromme Jans! zooals de jongens op de gracht
me noemen. En moet ik dat nu prettig vinden, alleen omdat onze Lieve
Heer het goedvond juist mij zoo en duizend andere menschen recht van
lijf en leden te maken?"
"Maar je zou veel kalmer en gelukkIger zijn als je eenvoudig je
onderwierp aan je lot, dat heel treurig is, zeker, maar daar kan niemand
wat aan veranderen. Ik verzeker je, ik was duizendmaal liever in jou
plaats."
"Dat kan je makkelijk zeggen."
"Maar ik meen 't gerust, hoor! Me dunkt, ik zou er veel beter tegen
kunnen. Ik had dan stellig nog even plezier in alles als nu. De zon
is toch altijd even mooi, of ik recht of krom ben. De hemel is altijd
even blauw en die zee zingt zoo verrukkelijk nacht en dag. Daar zou
ik altijd naar kijken of ik zou mij bezighouden zooveel ik kon."
"Je moest in mijn plaats een dagje wezen, dan zou je de lust in
al die mooie dingen ook vergaan. 't Zal mijn zorg wezen wat voor kleur
de boomen hebben en hoe de zee er uitziet. 't Eenige waar ik wat om
geef, is goed te eten te hebben en 's nachts lekker te liggen. Maar
dat vind ik hier niet en thuis ook niet."
"Kon ik je dat toch bezorgen! Maar je ziet wat een bedroefd beetje
ik verdiend heb van den winter met laat opblijven en vroeg opstaan;
als deze sprei klaar
[29:]
is krijg ik er stellig f 20 voor en dan koop
ik je wat lekkers."
"Twintig gulden en daar gaat het katoen nog af! Dat is dadelijk
op! Waren wij ten minste maar rijk, dan had ik ten minste nog eenige
vergoeding voor mijn ongelukkig figuur!"
Rose-Marie zuchtte.
"Kon ik 't door wenschen maar worden, Jans! Ziezoo, weer een sterretje
af, dat gaat toch gauw. Heb je geen trek wat te breien of te haken?"
"Dank je wel. Ik ben voor mijn plezier uit - zegge voor mijn plezier
- en maak me niet zenuwachtig met dat gefriemel, 't geeft toch niets
of ik zoo wat knoei."
"Maar als je eens zorgde voor onze kousen. Dan hoef ik het niet
te doen, en je neemt mij werk uit de hand!"
"'t Zou ook wat! Ik werk niet; ik dank er feestelijk voor. Na zoo'n
ellendigen nacht ben ik nog veel miserabeler, en dan zou die zeelucht
mij beter maken? Ik geloof er niets van. Zeg, Rosa! die mijnheer, die
mij toen geholpen heeft en die jou zoo aankeek, heb je dien niet meer
gezien?"
"Neen, Jans."
"Heusch niet?"
"Zeker niet! Waarom zou ik er om jokken?"
"Zou hij in 't hótel logeeren?"
"Ik weet het niet; misschien kwam hij hier maar voor een dagje."
"Dat geloof ik niet. Hij had een groot valies bij zich. Daar heb
ik niet eens naar gekeken."
"Ik vond hem erg knap. Jij niet?"
"Hij was heel vriendelijk."
"Omdat hij je zoo aankeek."
"Neen, omdat hij je droeg!"
"Dat deed hij alleen om jou!"
"Wel neen, hij had medelijden met je."
"Medelijden! Daar heb je 't. Dat is 't eenige, wat ik opwek; vind
je dat zoo prettig? Ik vind het vreeselijk, ellendig. Ik wou dat ik
dood was, want dan
[30:]
hadden ze eindelijk geen medelijden meer met
mij en zeiden dan: Gelukkig!"
"O foei, Jansl Wat ga je van morgen weer te keer. Als je wist hoe
je mij pijn doet."
"Dan weet je ook eens wat pijn is!"
Frank van Haeren had er genoeg van; het sarren en plagen van het boosaardige
kind, dat in haar treurigen toestand een vrijbrief vond om haar zuster
telkens te kwetsen, hinderde hem in zijn aesthetisch gevoel; dat was
een impressie die pijn deed, en zoover mocht zij niet gaan.
Hij verwijderde zich zonder eenig gedruisch te maken door het mulle,
dikke zand, maakte een kleinen omweg en naderde toen van voren de beide
stoelen.
Jans had hem 't eerst in het oog en trok haar zuster aan den mantel.
"Daar is hij! daar is hij!" fluisterde zij haastig.
"Wie toch?"
"Die mijnheer, die medelijden met mij en bewondering voor jou had."
Rosa-Marie had juist een rood wollen doekje om haar hoofd geslagen;
de tallooze krulletjes sprongen van onder de franjes er uit, het was
alleen om ze wat in orde te houden, dat zij heur haar bedekte. De harde,
roode kleur gaf een warm tintje aan haar matte kleur, iets wat aan den
gloed van een agaatroos deed denken.
Frank kon zijn oogen niet van haar afhouden, vooral toen hij zag hoe
onder de verrassing der herkenning haar blik begon te stralen en een
lach als het ware zonnelicht uit haar geheele figuur deed opgaan.
"Hoe kon ik haar niet mooi vinden? Zij is prachtig! Eén
kleur, één leven. Alles vibreert in haar. Zij staat op,
alsof een onzichtbare veer haar in beweging brengt."
Beleefd nam hij zijn hoed af, ook voor de kleine Draak", zooals
hij in gedachten Jansje noemde; zij groette hem met een grijns, die
zeer vriendelijk moest heeten, en hij vroeg hoe het de dames aan zee
beviel.
Het zonnetje verdween als bij tooverslag van Rose-
[31:]
Marie's gelaat
en zij zag onrustig naar haar zusje, die zich haastte te antwoorden.
"O, ellendig! We hebben 't zoo slecht getroffen!"
En Frank moest een heel verhaal hooren, van een benauwde bedstee en
een kamertje, waarin geen plaats was voor een stoel en dat vlak naast
den stal lag, waarin de geit en de kippen zoo'n spektakel maakten, dat
zij reeds om vijf uur wakker werd, en 't brood was altijd oudbakken;
van "pain de luxe broodjes" wisten zij niet; zij hield niet
van die harde korsten, die kon zij niet bijten, want zij had zooveel
slechte kiezen, en de koffie was niets als "suikerij" en het
middageten was nog treuriger, niets dan eten door mekaar, bah! en spek
of taai vleesch. Nooit eens visch, waar zij dol op was; alleen de reuk,
dien had men gratis.
Frank luisterde niet naar haar woordenstroom in plat Amsterdamsch geuit,
maar toch wist hij alles wat zij verhaalde, want de weerklank van haar
woorden vond hij telkens terug in het onophoudelijk wisselende spel
van Rose-Marie's physionomie. Nu eens lachte zij even guitig, dan weer
kwam er een trek van diepen weemoed, die onmiddellijk overging in een
heel boos gezichtje, dat weer vervangen werd door een wereld van medelijden,
zekere hulpeloosheid en wanhopend vragende: "Kan ik er iets aan
doen?"
"Uw logies schijnt veel te wen sc hen over te laten," zeide
Frank, toen Jans even ophield om adem te scheppen; "maar hoe zijn
de menschen?"
"O, de menschen zijn zoo goed," antwoordde Rose-
Marie snel. "Zij doen wat ze kunnen, maar natuurlijk wat kan men
verlangen voor f 3 in de week?"
"Nu, dat is niet veel! Voor u tweeën?"
"Dat kan u begrijpen, ik vind het duur genoeg, maar ziet u, meneer!
Roos vindt alles goed, zij kan bij de hand zijn als een echte kat, maar
bij zulke vreemde menschen
"
[32:]
"Och! we moesten nemen, wat wij konden krijgen. Vrouw Krijns
haar zuster is getrouwd met een buurman van ons."
"Nu ja, dat zal meheer wat kunnen schelen."
Rose-Marie boog haar hoofd en haakte met verdubbelden ijver.
"Maar als ik 't goed beschouw," ging Frank na een poosje voort,
"heeft juffrouw... Jansje niet waar, wel wat gelijk. Ik vind het
niet goedkoop en ik ben zeker, dat u in 't badhótel, voor hetzelfde
geld of een ietsje meer, evengoed onder dak zoudt kunnen komen."
"In 't badhótel!" riep Jansje;haar oogen schitterden
en gaven haar een zeer flauwe gelijkenis met haar zuster.
"Ach, me dunkt daar moet het heerlijk zijn."
"Logeert u daar?" vroeg Rose-Marie.
"Neen, ik ben voor een paar dagen de gast van mijn oom den dokter.
"O, de dokter," en Rose-Marie's gelaat zag er vroolijk en
opgeruimd uit als bij een prettige herinnering, "dat moet zoo'n
beste man wezen. Vrouw Krijns kon er niet over uit."
"Ja, mijn oom is zeer populair! Wil u, dat ik eens voor u naar
den prijs informeer?"
"O ja, als 't u belieft," riep Jansje.
Rose-Marie weifelde; haar gelaat stond betrokken als een mistige herfstdag;
zij liet haar werk even rusten, iets dat bijna nooit gebeurde, de haakpen
ging zenuwachtig langs haar lippen en eindelijk zeide zij:
"Ik: dank u voor de moeite, maar waarlijk 't is niet te doen. Ik
heb er ook al naar gevraagd, maar 't minste is f 4 per dag en dan moet
men aan tafel nog wijn nemen en fooien geven. Neen, 't is niet voor
ons, want ik zal 't u ronduit zeggen. Ik kan maar over f 30 beschikken,
dat is dus zooals wij bij vrouw Krijns leven wel genoeg voor drie weken
ruim, met de extra kosten er bij."
Frank had moeite een glimlach te onderdrukken.
Dertig gulden voor twee meisjes om er bijna vier weken,
[33:]
van te
leven! Nog onlangs had hij en een paar vrienden voor f 30 in Restaurant
Riche gedejeuneerd, en vonden dat zij er eigenlijk niets voor hadden
gehad. Hij hield zich echter goed en zeide hoog ernstig:
"Dan zou u wat korter kunnen blijven; misschien kwam dat op hetzelfde
neer."
"Ja, ik heb 't liever een week goed, dan mij drie weken zoo te
behelpen," viel Jansje bitter uit.
"Maar dat zou dan, want we hebben nog maar f 20 over, f 8 met ons
tweeën, nog juist twee dagen zijn, want die f 4 hebben wij noodig
voor wijn en fooien."
"U is een goede reken meesteres, juffrouw.. .juffrouw Rose, als
ik het wel heb..."
"Rose-Marie, mijnheer! Mijn zuster heeft alles in overvloed, zelfs
haar naam! Aan een heeft zij niet genoeg."
"Juffrouw Rose-Marie, dat klinkt lief! Zoo echt rooskleurig; rose
met een fijn blauw zilveren tintje. Voelt u niet de kleur der woorden?
Laat u mij maar begaan! Ik zal zien of zij niet tot een accoord komen
kan."
"O, u is te goed, mijnheer."
"Dat weet u niet, misschien vraag ik u een gunst weerom."
Plotseling betrok de lucht bij het meisje weer.
"Neen, ik zal u geen verplichting opleggen," zeide Frank haastig,
"vertrouw me gerust! Ik doe alles voor mijn eigen plezier, niet
voor het uwe, want," voegde hij er lachend bij, "ik werk voor
het badhotel, mijn oom is aandeelhouder en hij is een suikeroom."
"O zoo!" De grijze ongerustheid was nog niet geweken, maar
een flauw rozig zonnestraaltje kwam er onderuit kijken. "En wij
kunnen toch immers vrij beslissen, niet waar? We zijn tot niets gebonden."
"Zeker, zeker! U kan terugkeeren tot het spek en den stal van vrouw
Krijns. Maar zeg me eerst hoe vindt u de zee?"
"De zee, o die!" en nu brak de zon heelemaal door, "die
is geen teleurstelling!"