III.
't Huis van den betaalmeester Hagen lag zoowat in 't midden der langste, smalste, maar voornaamste straat der kleine provinciestad Westveld.
[24:]
't Had van voren
drie verdiepingen, zes ramen en een deur; links van de deur echter bevond
zich een magazijn van oude meubels, waarvan de eigenaar het naastbijgelegen
huis bewoonde. De kamer rechts, die nog dieper dan breed was, strekte
tot huiskamer; van voren had het huis weinig oog, het was het breedste
van de heele straat, waar alle woningen elkander blijkbaar het wachtwoord
gegeven hadden, zoo min mogelijk verf aan haar ramen, zoo min mogelijk
kalk aan haar muren ten koste te leggen.
Ze droegen alle een sterker of zwakker kanarievogelkleur, ten minste
daar, waar de steenen niet ontbloot lagen. Het huis der familie Hagen
had nog bovendien 't genot van een vrij grooten tuin, die den afstand
tusschen de woning en de rivier vulde met een eerbiedwaardige massa
kool, erwten en boonenplanten en tot sieraad zich in een maagdelijk
woud van aspergeloof verheugde. Bij het water stond een prieeltje, dat
er 's winters uitzag als een hoop dorre takken, met een paar vermolmde
planken, waarvan drie een bank en twee een tafel verbeeldden. Van dezen
tuin werd weinig gebruik gemaakt; tante Theresia vond het in de lente
te koud, in den zomer te warm, in den herfst te guur, in den winter
te dol om er in te zitten.
Nu eens waren er te veel muggen, dan weer te veel torren en daarbij,
een tuin was meer voor 't nut dan voor 't genoegen en nut trok men voldoende
uit dat stukje grond.
's Maandags en vrijdags kool, dinsdag erwten of boonen, woensdags en
zaterdags andijvie of spinazie, donderdags seizoensla. Zondags echter
maakte zij geregeld voor het diner een wandeling door haar domein, als
een schaduw door Johanna gevolgd. Dan werd de tuinhoed opgezet, dien
zij vijf en dertig jaar geleden voor best had gekregen, bij het eerste
huwelijk van haar broer, en die nu slechts voor deze gelegenheid dienst
mocht doen.
Die beide huwelijken hadden niet veel verandering
[25:]
gebracht in het
stille huishouden en nog minder in tante Theresia's positie als hoofd
van 't gezin.
Zij was een soort van suikertante, want nog zeer jong had zij alleen
een vrij aanzienlijke erfenis ontvangen, welke voor haar 't gevolg had,
dat zij wantrouwend werd jegens allen, die zoo gaarne der jonge, schoone,
rijke erfgenaam hun hand hadden geboden in ruil voor haar hart en beurs.
Zij wilde voor zich zelf gekozen worden en sprak wat al te ruiterlijk
uit, dat zij niets om de mannen gaf en niet anders wilde trouwen dan
met huwelijksvoorwaarden. "Si non, non!"
Dit was misschien wat al te luid gezegd of oververteld en 't gevolg
bleef niet uit, Theresia had er weinig moeite mee, de aanvallen op haar
beurs te onderscheiden van die op haar hart, en de schoonste jaren gingen
voorbij, zonder dat zij één van beiden verloor.
Bij haar broeder werd zij met onderscheiding behandeld. Zij was een
gulle tante; zij gaf gaarne, zoo men slechts dankbaarheid toonde, en
toen de eerste vrouw overleden was, kwam zij op zijn verzoek gaarne
haar intrek in zijn ledige woning nemen om zijn eenig dochtertje Suze
geheel naar haar grondbeginselen op te voeden.
Haar schaduw Johanna volgde natuurlijk, zonder dat van haar in 't bijzonder
gesproken werd, maar tante Theresia zonder Johanna was een kopje zonder
schoteltje. Johanna, de onbeduidende, de onopmerkenswaardige Johanna,
completeerde haar zuster, die eigenlijk niets beginnen kon, zelfs geen
kous op zetten, zonder haar hulp.
Na een jaar of tien vond Theresia het beter dat haar broer hertrouwde;
Suze's opvoeding beantwoordde niet aan de verwachting, die zij er van
gekoesterd had en zij bekende niet gaarne, dat iets haar mislukt was.
Zij zocht dus in den kring van haar kennissen en vond er een goedig,
braaf meisje, zonder veel eischen,
[26:]
geheel het tegenbeeld
van haar eerste schoonzuster, met wie zij het nooit goed had kunnen
vinden.
Op haar raad hertrouwde Johan dus en zij gaf plechtig Suze's verdere
opvoeding aan de jonge vrouw over, die echter voor de gewichtige taak
terugschrikte en haar zuster bad en smeekte de opleiding van het jonge,
opgewonden kind te behouden.
Theresia bedankte en verzekerde in niemand's rechten te willen treden,
en de uitslag van dezen strijd vol edelmoedige gevoelens was, dat niemand
zich meer om 't meisje bekommerde, behalve tante Johanna, die voor haar
toilet zorgde en op haar wenken vloog. De opvoeding, dat gewichtige
werk, waarvoor Theresia zooveel boeken had geraadpleegd, bleef dus halverwege
steken.
Suze werd in 't geheel niet meer opgevoed; zij verveelde zich doodelijk
in 't oude huis en haar eenige uitspanning was in 't zomerhuisje tante
Johanna allerlei sensatieromans voor te lezen, welke het goede schepsel
's nachts deden rillen en beven.
Kwam tante Theresia toevallig eens in den tuin, dan werd het boek onmiddellijk
weggestopt en de tante overhoorde haar nicht een aardrijks- of geschiedkundige
les.
Maar er kwam een oogenblik, waarop Suze geen romans meer wilde voorlezen,
tot Johanna's groote teleurstelling, die maar niet begrijpen kon, dat
haar nichtje druk bezig was zelf de heldin te spelen in een roman, die
in groote opgewondenheid begon en allerongelukkigst eindigde ineen hotelletje
van het Taunusgebergte.
Eerst toen Suze goed en wel met haar jongen tenor verdwenen was, gingen
de oogen van vader, stiefmoeder en tantes open.
Met Judith, het dochtertje uit het tweede huwelijk, moest het anders
worden; haar moeder overleefde Suze's vlucht niet lang.
Niemand zocht echter tusschen die twee gebeurtenis
[27:]
sen, waarvan de
eerste meer beweging veroorzaakte dan de tweede, eeenig verband en toch
was de wroeging, die Judith's moeder ondervond over de achteloosheid,
waarmede zij gewaakt had over het aan haar zorgen toevertrouwde kind,
een der oorzaken van haar vroegen dood.
Theresia wiesch zich de handen in onschuld; had zij Suze's opvoeding
geheel geleid, zoo iets ware voorzeker niet gebeurd, nu moest echter
Judith een pronkstuk worden, een diamant door haar kunst geslepen.
En zij had ook geen reden van klagen over Judith, alles ging bij haar
als vanzelf.
"Dit kwam door haar opvoedingsmethode," verzekerde zij. En
hun eenige huisvriend, Dorus Bruisman, die voor origineel wilde doorgaan,
zeide heel droogweg:
"Kent u de anecdote van den dokter, wiens patiënt, een smid,
zonder zijn weten spekpannekoek had gegeten en daarna herstelde? Zoodra
een ander nu, een schoenmaker, door dezelfde ziekte was aangetast, schreef
de dokter hem ook spekpannekoeken voor, maar ongelukkig, de man stierf."
"En wat zou dat?"
"Wat dat zou? Wel, juffrouw Theresia, wat goed is voor een smid,
deugt daarom niet voor een schoenmaker."
"Nu, waar wil je daarmee heen?"
"Waar u wil, juffrouw, maak zelf de conclusie. Wat goed is voor
Judith, deugde daarom nog niet voor Suze. De spekpannekoek was Suze
te zwaar. Precies hetzelfde geval als met den dokter, behalve dat bij
u de smid gestorven is aan het voorgeschreven middel en de schoenmaker
er wel bij vaart."
"Die Dorus, die Dorus!" sprak Theresia met een gedwongen glimlach,
maar Dorus bezat het voorrecht, vroeger alleen aan hofnarren geschonken,
hij mocht alles zeggen wat hij meende, zonder dat iemand er ooit
[28:]
aan dacht het hem
kwalijk te nemen; dat hij daardoor soms wat brutaal werd, wien zou 't
verwonderen?
Toch huiverde tante Theresia er voor, dezelfde proef nog eens te wagen
met Suze's dochtertje, dat eens onverwacht in de armen der hotelhoudster
van den gouden Fazant voor haar familie verscheen.
't Kind werd wel opgenomen, doch moest onmiddellijk weg naar een pensionaat,
zoo ver mogelijk van huis, waar zij slechts eens in 't jaar de vacantiedagen
mocht doorbrengen. Nu naderde langzamerhand 't oogenblik, dat het kostschooltijdperk
een einde moest nemen; nog een jaar of vier, vijf ten hoogste en wat
dan?
Tante Theresia huiverde bij de gedachte het komediantenkind dagelijks
voor zich te zien en misschien er 't zelfde schandaal aan te beleven
als voorheen aan Suze.
Het diner daags na de ontvangst van dokter van Steelands brief was afgeloopen;
geregeld werden de glazen door Johanna gewasschen en door Theresia afgedroogd,
terwijl Judith het tapisseriewerk voor den dag haalde, waaraan zij dag
in dag uit tot zeven uren werkte. Overigens was Judith niet veel in
de huiskamer; 's morgens bleef zij na het ontbijt een paar couranten
voorlezen aan tante Theresia, wier oogen geen andere lectuur verdragen
konden dan die van Mme Cottin's roman en van haar kerkboek.
Daarop ging zij naar haar kamer en bleef er tot koffietijd; 's middags
hielp zij tante Johanna met het inmaken der winterprovisie of het verstellen
van het linnen en verdween dan al weer boven de trap tot een half uur
voor het diner, dat besteed werd om met papa te schaken.
Zóó ging het dagelijks, behalve Zondags, wanneer er niets
gedaan werd dan een wandeling rondom de wallen, na volbrachten zondagsplicht,
en een quadrillepartijtje, waaraan Dorus Bruisman deelnam, terwijl Johanna
met opengespalkte oogen naar de poppetjes
[29:]
keek tot zij eindelijk
niets meer zag en begon te knikkebollen, aan welke aangename bezigheid
tante Theresia haar nu en dan wreed ontrukte met het bevel eenige appels
te schillen, of noten voor 't gezelschap te kraken.
Judith kon zich niet herinneren dat het ooit anders was geweest; sedert
dat zij naar school ging was er niets veranderd; de eenige afwisseling
was eenmaal 's jaars de komst der kleine, uitgelatene Aldegonda, of
zoo als Judith haar noemde Alda, en volgens Theresia Gontje.
Judith nam de kleine gewoonlijk mee in den tuin of boven op haar kamer,
want voor Theresia had het kind een heiIzamen schrik, die de tante haar
vergold met een slecht verborgen antipathie. Na het vertrek van AIda
hield deze afwisseling weer op. Judith was nu vier en twintig jaar oud;
zij had nog niets gezien van alles, waarvan andere meisjes op haar leeftijd
reeds moede zijn; zij kende het trouwens niet en haar verlangen naar
al die flauwigheden, zooals tante Theresia de werstdsche ijdelheid noemde,
was al zeer koel. Zij was tevreden en gelukkig in haar eentonig, maar
toch snel voorbij vliegend leven en dus kon tante Theresia voldaan zijn,
haar opvoeding was volkomen geslaagd.
Klokslag zeven uur, juist toen Judith haar werk oprolde en Johanna de
kopjes voor haar zuster gereed zette, werd er gebeld en een oogenblik
later kwam de origineele Dorus binnen.
Hij was een oud vrijer en in vroeger, veel vroeger jaren voor korten
tijd Oost-Indisch ambtenaar geweest; hoewel jonger dan Theresia en ouder
dan Johanna, droeg hij een blonde pruik op zijn grauwgetint gelaat.
"Goeden avond! Zijn de dames ook nieuwsgierig naar den toestand
van 't weer?"
"Dank je," antwoordde Theresia voor allen, raad 't reeds,
je brengt weer kou naar binnen."
[30:]
"Ja, 't vriest
een beetje!"
"Ik hoorde het aan 'trollen der rijtuigen," merkte Johanna
op, die steelsgewijze een half lepeltje meer thee in den trekpot deed.
"Om zes uur is de breack van Polster langsgereden," zeide
Judith, "tante Johanna heeeft een goed geheugen."
"Hoe is 't, goed vooruitgegaan met de stikkerij?"
Judith ontrolde het tapijt en hield het tegen het lamplicht.
"Die violette streep had twee nuances lichter moeten zijn. Zoo
maakt ze den indruk van een dikke lijn inkt op een officieel stuk."
"Maar, mijnheer Dorus, 't is overdag heel anders!"
"'t Is voor de zaal bestemd, hè?"
"Ja, dat weet u immers wel."
"Wanneer zijn de blinden daar open?"
"Bij den schoonmaak en... als wij er in zitten."
"Wanneer is dat?"
"Op de verjaardagen van tante Theresia en van papa!"
"Nu, dan is 't er nog niet licht, behalve als de lamp aan is, ergo
moet het tapijt ook geheel daarop berekend zijn om in 't donker gezien
te worden."
"Mijn oogen zijn al slechter geworden sedert ik er mee begonnen
ben!" klaagde Johanna zoo zacht, dat niemand het hoorde.
"'t Wint ons een karpet uit," zei de de oude heer, "op
deze manier hebben we nog iets aan dat eeuwige pikken van de vrouwen."
"Daarover heb je toch niet te klagen, Johan! Sedert dertig jaren
draag je geen kousen dan die door mij gebreid zijn."
"Zeker, Trees, zeker! Maar Judith en Johanna zijn anders zoo vlijtig
niet."
"'t Behoort tot mijn opvoedingssysteem den kinderen zooveel mogelijk
vrijheid te laten, maar men moet weten aan wie dievrijheid wordt gegeven.
Dat
[30:]
was Betsie's fout
in Suze's opvoeding. Vrijheid is een mes dat men geen onvoorzichtige
in handen moet laten; Judith en Johanna toonen zich waardig dat wapen
te hanteeren."
"Ze hebben er trouwens ook den leeftijd voor. Ze zijn de kinderjaren
beiden al mooi ontwassen," zei Dorus weer droogweg. "Zeg eens
kind, hoe is 't? Wanneer lezen we je naam toch in de krant? Altijd maar
suffen in de boeken, zonder dat het iets geeft. Geen examen, zelfs geen
novelle."
Judith werd vuurrood.
"Dat is mijn doel ook niet, mijnheer Dorus."
"En wat doe je dan.daar boven? Tooveren leeren?"
"Misschien wel; in ieder geval iets dat mij amuseert."
"Hm, hm! Tante Theresia moest je eens komen overvallen!"
"Dat heb ik genoeg gedaan, daarvoor heb ik uw raad niet noodig,
Dorus!"
"Zeg 'reis, Bruisman," sprak de betaalmeester, "laat
je nu niet door die vrouwen van de wijs brengen en wees voor 't eerst
van je leven eens verstandig."
"Zoodra ik dat geweest ben, zal ik 't verder gebracht hebben dan
UEd. in uw lange, nuttige loopbaan."
En de schaduw van tante Johanna's lippen vertrok zich tot de schaduw
van een glimlach en Theresia schudde lachend het hoofd met de woorden:
"Die Dorus, die Dorus!"
Ook Judith glimlachte even, meer uit gewoonte om Dorus' zoogenaamde
aardigheden, dan omdat zij hem werkelijk zoo geestig vond.
De betaalmeester verhaalde ondertusschen de gewichtige zaak, die hem
bezighield; Dorus bracht de handen aan zijn pruik en zette een gezicht,
dat zeer goed paste bij den ernst van 't oogenblik.
"Een zeer belangrijke zaak, een moeilijk geval."
"Niet waar," vroeg Theresia, "dat heb ik ook al
[31:]
gezegd. 't Is een
zware verantwoordelijkheid voor Johan."
"Zwaar, zeer zwaar!"
Medelijdend zag Johanna naar haar armen broeder, dien men zoo lastig
viel en Judith, die Dorus beter kende, keek afwachtend naar zekere plooi
van zijn mond, die zij wel gelegenheid had gehad te leeren kennen.
"Geef me nu raad! Wat 'n idee van Van Steeland om er bij mij mee
aan te komen. Doekers heeft aangenomen den jongen klaar te maken voor
zijn examen. Waarom zorgt die ook niet voor een geschikte kamer om den
deugniet onder dak te brengen?"
"Begrijp je dan niet, Hagen, dat het een fijne, kiesche trek van
je vriend is, die je geen reden wil geven tot de klacht, dat hij je
in dit gewichtig geval voorbij ging?"
"Ik had 't hem niet kwalijk genomen," bromde Hagen.
"Hoe jammer, dat Van Steeland dit niet vooruit wist."
"De zaak ligt er nu toe! Kun je me een goeden raad geven, ja of
neen!"
"Geduld, geduld! Je weet, eerst gedaan en dan gedacht, heeft al
menigeen in 't leed gebracht en de rest. Moeder Theresia, een kopje
thee met melk als je blieft, niet omgekeerd. Tante Johanna, als oome
Dorus komt, mag je er wel een extra lepeltje bij doen, hoor! Je weet,
ik noem de zaken bij haar waren naam, die thee is erg larie-farie."
"Hoe is 't mogelijk, er is evenveel in gekomen als anders. Het
water kookte zeker niet, ga eens hooren, Johanna!"
De arme schaduw, die bij Dorus' woorden meer gekleurd had, dan men met
recht van een schaduw verwachten kon, stond op en begaf zich keukenwaarts.
"Zie zoo! dat geeft ideeën! Je hadt zus Jo niet weg moeten
sturen, moedertje, dit kopje is al veel beter.
[32:]
Wat ik toch een
geplaagd man ben. Papa, Johan komt mij raadplegen over kamers; wil je
nu wel gelooven dat hij de vierde is, die me vraagt naar een woning
rond te zien? Daar heb je kapitein Anders en mevrouw Bode en dan
"
"Je bent een verdienstelijk mensch, Dorus."
"Evenals u, tante, ook zonder zelfs kind noch kraai te hebben?
Kraai, weet je waar dat op ziet, juffrouw Minerva?"
"Dat beteekent de vrouw zeker."
"Juist! maar waarom noemen zij de vrouw kraai?"
"Misschien omdat ze de kraai voor een nachtvogel houden, evenals
de uil van Miverva."
"Mis, savante, mis! Omdat de vrouwen zooveel van blinkend goed
houden. Adres: je zuster en haar komediant."
Judith lachte echter dezen keer niet; met al haar goeden wil om den
huisvriend niet voor het hoofd te stooten, vond zij Dorus nu toch te
grof om haar schatting aan zijn geestigheid te betalen.
"Dat bevalt je niet, hè, daarom lach je zoo zuur, moeder
Theresia; nu aan de zaken! Ik heb nog veel dat voorgaat, de kanarie
van de notarisvrouw is bij me in den kost om fluiten te leeren, het
beeldje van juffrouw Lamberts heeft zijn kop verloren en moet ik het
aan mekaar lijmen en dan nog al dat huizen zoeken, dat rooft me een
tijd! Hoe kom ik er nog mee klaar?"
"Maar wij hebben toch den voorrang?"
"Zeker, mamaatje, zeker! Wacht, daar valt me iets in, recht geschikt
voor een ondeugenden jongen, die in arrest moet. Probaat, probaat! Ik
zou zijn gezicht willen zien! Dat zal kostelijk zijn. 't Is in orde,
oude vriend, in orde! Schrijf je tongekijker maar, dat hij zijn zoon
gerust zendt. Voor 't logies is gezorgd."
"En waar, als ik vragen mag?"
"Laat dat aan mij over! Uitstekend, ik verzeker 't je, als de vader
er even slag van heeft suikerooms
[34:]
naar de andere
wereld te helpen als ik om kosthuizen te zoeken voor jongens, die niet
willen op passen, dan feliciteer ik de erfgenamen, hoor, en kan hem
wel recommandeeren aan de talrijke neefjes en nichtjes, die mij elk
nieuw jaar verheugen met hun mooie brieven, beginnende met Dierbare,
Geliefde of Hooggeschatte oom, (dat laatste is het oprechtste) en eindigende
met uw dankbare, uw gehoorzame, uw innig liefhebbende Neef of Nicht."
"Je bent weer aan 't doorslaan, Dorus. Zal je ons eindelijk zeggen,
wat je op het oog hebt?"
"Vertrouw je mij dus niet blindelings?"
"Dat heb ik nog nooit en nog niemand gedaan."
"Welnu dan! Ken je Lange Thijs?"
"Jawel, die met de dochter van den doodgraver getrouwd."
"Juist, Thijs houdt er een soort van boerderij op na; hij is rentmeester
van 't goedje van baron Dmges en heeft plaats genoeg. Van de week kwam
ik er nog een glas melk drinken en hij vroeg me of ik geen huurder wist
voor zijn kamers!"
"Woont hij niet bij 't kerkhof?"
"Juist, tusschen het kerkhof en de rivier; een uitstekend plekje
om een half mislukt jongmensch tot ernstige gedachten op te wekken.
't Is heel stil, weinig passage, een paar koeien en nu en dan een lijkstaatsie,
daarbij een gezonde wandeling naar professor Doekers; geen afleiding
hoegenaamd."
"Foei, mijnheer Dorus, 't is om dat jonge mensch het huis uit te
jagen."
"Waar naar toe, mijn lieve Esther, ik wil zeggen, Judith?"
"Naar de societeit, of erger nog de herberg!"
"Daar is hij ook ver af. Maar, wijsneus, daarover heb je niet te
oordeelen. Wat zegt papa er van?"
"Mij dunkt dat het wel kan. Thijs en zijn vrouw zijn zeer fatsoenlijke
lui."
[35:]
"Zeer proper!"
bevestigde tante Theresia, "niet waar, Johanna!"
"O Heere ja!" klonk het mat van de toegesproken lippen, "zij
heeft vroeger bij ons gewerkt."
"En uat zegt genoeg, zusje! Dus aangenomen? Ach, had ik bij al
mijn kennissen maar zoo kort werk."
"Zie zoo, dat is vast afgedaan. Ik ben blij, dat ik van die zorg
af ben. Van avond schrijf ik nog aan van Steeland!"
Vriend Dorus grinnikte van pret; hij verkneukelde zich bij de gedachte
aan 't gezicht, dat die jonge geurmaker zou trekken, wanneer hij bezit
nam van zijn nieuw logies.