XIII.
Na Reinouts vertrek hernam alles bij de Hagens zijn ouden gang; Judith werkte en studeerde weder, ontving brieven van den afwezige en beantwoordde
[114:]
ze altijd op den
ouden, vriendschappelijken toon als ware er niets ernstigs tusschen
hen besproken.
Hij echter liet niet na nu en dan een toespeling te maken, die zij nooit
scheen op te merken; ten minste een echo kwam er nimmer op.
Een verandering wist hij door te drijven, hij haalde haar over hem eenige
geschriften toe te vertrouwen om ze uit te geven.
Door zijn tusschenkomst verschenen zij onder een pseudoniem in tijdschriften
en maakten onmiddelijk opgang; ze werden zelfs nu eens aan dezen, dan
aan genen bekenden geleerde toegeschreven, zoo weinig herkende men in
den flinken gedachtengang den krachtigen stijl en vooral in de uitgebreide
belezenheid en kennis, die ze onderscheidden, de hand eener vrouw.
Reinout vermoedde niet dat Judith's eenige reden om haar handschriften
aan de pers over te leveren; die was om hem van zijn neiging te genezen.
"Een schrijfster en dan nog zulk eene van taaie geleerdheid aan
zijn familie als mevrouw van Steeland voor te stellen, dat zou toch
te kras zijn," dacht zij.
Het corrigeeren der drukproeven gaf haar echter nieuwe afleiding, evenals
het voorrecht haar geesteskinderen gedrukt te zien haar een ongekend
genot veroorzaakte.
Reinout vond daarin een geschikt voorwendsel meermalen in Westveld terug
te komen, nu vooral, nu de spoorweg langs het stadje liep, was de reis
ook veel gemakkelijker.
"Mag ik er niet over spreken?" vroeg hij dikwijls.
"Neen," was haar onveranderd antwoord.
"Ook goed, maar ik tel de maanden! Judith, als je wist hoe mijn
hart opzwelt van trots als ik je stukken hoor prijzen, of je meeningen
bestrijden door mannen, vergrijsd in de wetenschap. Wanneer je mijn
vrouw bent, dan zal ik je leeren, hoe je aller bewondering tot je kunt
trekken."
[115:]
"IJdele jongen,
wat geeft die bewondering?"
"Dat zal je ondervinden. Nu tel ik nog de maanden, spoedig de weken
en dan de dagen. Wat zullen je vader en tantes opzien, Judith, als ik
je kom weghalen uit dit slaaphuis!"
"St, st! Genoeg voor dezen keer; we zullen zien!"
In den winter, die den bepaalden termijn voorafging, hadden echter twee
belangrijke gebeurtenissen plaats in 't huis, dat door den tijd geheel
en al vergeten scheen.
Tante Theresia overleed na een kortstondige ziekte, die zeer spoedig
werd gevolgd door den dood der hoofd-institutrice van Alda's kostschool.
Deze werd opgeheven en zoo moest het jonge meisje, dat te oud was om
weer op een ander pensionaat te beginnen, wel in huis terugkeeren en
daar haar studiën voortzetten ten einde met haar achttiende jaar
de noodige examens te doen.
Voor haar grootvader had Alda zeer weinig, voor haar tantes Johanna
en Judith in 't geheel geen ontzag. De deftige persoonlijkheid van tante
Theresia had haar steeds geïmponeerd, dus duurde het niet lang
of zij volgde in huis geheel haar eigen weg en liet alles voor haar
buigen.
Judith ontving van haar vader de opdracht, het meisje verder voor haar
examens te bekwamen en zeer gaarne had Judith het gedaan, maar hoe van
studie te spreken tot een zeventienjarig meisje, dat, in een deftige
kostschool opgevoed, voor niets ooren heeft dan voor plezier, toilet,
muziek en zingen?
Den halven dag bracht Alda voor de piano door, de andere helft in de
studeerkamer van Judith, die nooit zoovele liedjes gehoord en geeuwen
gezien had als in de uren, die Alda voor haar geopend themaboek trachtte
zoek te brengen.
't Was op een van de eindeloos lange Maartsche dagen nog erger dan menigen
winterdag; de regen kletterde sinds den morgen met onafgebroken kracht
[116:]
tegen de ruiten
van het raam, waarvoor Alda zat, druk bezig heur haar in fijne vlechten
te leggen.
Zoo vond haar Judith, die niet anders meende dan dat zij verdiept was
in sommen of thema's.
"Hoe is 't? Vlot het vandaag niet?" vroeg de tante.
Alda was kalm met haar vlechtjes voortgegaan en antwoordde:
"Neen, tante Ju, het wil niet."
"Maar wanneer zal niet het, maar wanneer zal u willen?"
"Ik geloof nooit, vandaag niet en morgen niet."
"En je examen dan?"
"Dat doe ik niet."
"'t Is toch grootpa's wil, Aldal"
"Maar de mijne niet en dat is toch het voornaamste."
"Kindlief! Je spreekt zoo onverstandig, dat examen moet je toch
doen; dit is altijd onze bedoeling geweest."
"Wat kan het mij schelen, wiens bedoeling het is. Plaag me niet
meer, tante, eens moet het er toch uit, vroeg of laat; kom me niet meer
lastig vallen met uw boeken. Ik wil niet studeeren en ik wil geen examens
doen. Zie 't maar buiten mijn wil gedaan te krijgen!"
Zij wierp de boeken over de tafel, sloeg de armen over mekaar en staarde
haar tante triomfantelijk of liever uitdagend aan.
"Denkt u dat ik over die leelijke boeken wil versuffen en oud worden
als u? Niets doen dan letters eten en cijfers zuigen? Jaren en jaren
lang? Daar bedank ik voor! Is dit een huis, waarin een jong meisje leven
en ademen kan? Ik wil hier niet blijven, ik wil hier niet een plantenleven
leiden om te verwelken als u. O God, is me dat een winter geweest! Opstaan,
kleeden, ontbijten, borduren, studeeren, dineeren, slapen! Dat kan ik
niet uithouden! Ik moet beweging om mij hebben, leven, licht, vroolijkheid,
want zoo
[117:]
kniezen is om krankzinnig
te worden. Ik moet er uit, voor het te laat is."
En het verwende kind trappelde met de voetjes en wrong de handen als
een levend beeld van wanhoop.
"Wat ben je toch ondankbaar," vermaande Judith, "hoevelen
zouden er gelukkig zijn in jou plaats, Je bent omringd van liefde en
zorgen, je hebt het goed ."
"O ja ,'t ontbreekt mij noch aan eten, noch aan drinken; ik heb
een goed, zacht bed, zelfs een warm kruikje! Is dat geluk? Ik pas voor
zulk geluk! Dat heeft onze Azor ook, maar ik heb recht op meer, ik met
mijn talent."
"Meen je dan dat men zoo gelukkig is als men bewonderd en gevierd
wordt? Dat alle wenschen dan bevredigd zijn? Je zult altijd nog iets
meer verlangen en wie weet of je niet juist datgene betreuren zult,
wat je nu geringschat."
"Zelfs uw preeken, hé! Ik herhaal 't nog eens; 't is geen
jonge meisjesleven, dat ik hier leid. Hoe heel anders hebben 't mijn
vriendinnen, die gaan naar bals, opera's, concerten, soirée's,
die hebben lieve toiletjes om mee uit te gaan en ik moet alle avonden,
die Onze Lieve Heer mij geeft, zitten rekenen of vertalen. Bah, foei!
Kreeg ik maar de tering, dan was het in eens uit!"
"Zeg toch zulke leelijke dingen niet, Alda; dat is zonde! Wanneer
men je hoorde, zou men zeggen dat genot het eenige levensdoel van den
mensch was."
"Noemt u boeken lezen dan een levensdoel? U weet er niets van,
tante Ju! u heeft zelfs niets gezien, niets ondervonden, dan toen u
in Den Haag logeerde, evenals eens tante Theresia. Misschien heeft u
dat niet eens recht genoten; om daar 't volle genot van te hebben moet
men jong en mooi zijn, en andere talenten bezitten dan de uwe. O, als
ik in uw plaats ware geweest.... Zeg, tante Ju, wanneer trouwt u met
oom
[118:]
Reinout? Dan gaat
u zeker in Den Haag wonen en dan kom ik bij u logeeren."
"Als je zoo klaagt, wil ik je niet bij me hebben, Alda."
"O maar dan zal ik niet klagen! Neen, dan eerst zal ik leven, dan
eerst genieten. Och tante Ju, wanneer is 't bruiloft?"
"Nooit, kind!"
"Och kom? Dat maakt u me niet wijs; als er brieven uit Leiden komen,
dan ziet u er dadelijk vroolijker uit en jonger. U wacht maar alleen
op zijn promotie! Dan komt er eindelijk verandering; ik blijf bij u;
laat grootpapa en tante Johanna zich maar samen amuseeren, ik vlieg
uit!"
"Praat toch geen nonsens, Aldal Er is niets van aan!"
"Ik heb 't veel liever dat u met oom Reinout trouwt dan met mijnheer
Dorus, want dan blijft u in dit akelige huis, en ik er bij."
"Mijnheer Dorus?"
"Ja zeker; denkt u dat ik niet zie, hoe hij na tante Theresia's,
dood altijd rondom u draait? Hij weet zeer goed, dat u haar eenige erfgenaam
is, dat grootpapa en tante maar 't vruchtgebruik van dit huis hebben,
terwijl het arme komediantenkind onterfd werd. Zie me maar niet zoo
verbaasd aan, tante Ju, ik weet alle familiegeheimen!"
Zij stak haar vlechtjes met een groote pijl boven het hoofd vast, wierp
al haar boeken op een hoop en bleef toen voor Judith staan, beide handen
op haar schouders gedrukt.
"Tante Ju!" vroeg zij vleiend, "gaat u nu spoedig trouwen,
vóór den winter!?"
"Maar kindlief! waar denk je aan? Ik zal niet trouwen."
"Ik wil niet onbescheiden zijn, tante, en achter uw geheimen komen;
ik vraag 't maar alleen om te weten of u dezen winter nog vrij is; dan
moesten we
[119:]
met ons tweetjes
naar Amsterdam gaan. U ziet er oud genoeg uit om mijn chaperon, mijn
waarnemende moeder te zijn, en dan gaan we overal heen met ons tweeën.
U is zoo rijk en een verblijf van een paar weken in de hoofdstad zal
u niet arm maken. Toe tante, wees toch eens ferm en beloof me dat, waarlijk
ik krijg anders de tering. Bedenk toch wat een ongelukkig kind ik ben,
zoo vroeg moederloos en mijn vader schijnt me heel vergeten te hebben...
als hij ten minste nog leeft."
Zij kuste Judith op beide wangen en deze moest onwillekeurig glimlachen.
"En dan moet u mij met meer plagen met dat examen. Druipen doe
ik toch! Waarom mij dus aan die schande blootstellen? Als ik mijn brood
verdienen moet, dan zal 't toch niet zijn door aan vreemde kinderen
boekenwijsheid in te prenten. Daar ligt mijn toekomst niet. Alda Jager
en gouvernante! Dan nog liever
"
En zij maakte een theatraal gebaar, dat een steek in 't hart beteekenen
moest.
Een oogenblik later was zij weggewipt en in de huiskamer weerklonk haar
gouden stem, die het groote air der Freischütz zong.
Judith redderde haar boeken en cahiers op, die met bijna niets anders
dan teekeningetjes gevuld waren, verdiepte zich vervolgens in haar eigen
studiën, maar werd telkens afgeleid door de heerlijke tonen, die
het huis vervulden.
Zoodra zij gedaan had, kwam Alda weer binnenstormen.
"Heeft u mij gehoord? vroeg zij. "U is de eenige, die het
voelt hier in huis, al wil u het met laten merken. Is dat geen bijzondere
gave des Hemels, zoo'n stem?"
"Foei, wat ben je toch ijdel, Alda!"
"Neen, dat is geen ijdelheid! Wanneer tante Johanna of u zulk een
stem had, ik zou de eerste zijn,
[120:]
om ze te bewonderen
en te waardeeren. Waarom zou ik 't niet doen nu ze mij toebehoort? Ik
erken immers, dat ze mij van Boven geschonken werd; zelf kan ik er niets
aan doen. Maar toch, 't is zonde en jammer dat niemand me hooren kan
dan grootpapa, die er bij in slaap valt, tante Johanna, die hardop haar
gesprek met de meid over zuurkool en snijboonen voortzet en tante Judith,
die bang is om mij ijdel te maken, en me daarom nooit prijst. Dan nog
de kwajongens en overburen, die zeggen: "Wat schreeuwen ze daar
bij Hagen, de jonge juffrouw krijgt zeker klappen." Dat is de eenige
waardeering, die ik ontvang. Is dat talent mij daarvoor gegeven?"
"Maar wat wil je dan toch eigenlijk, ontevreden schepsel?"
"Wat ik wil? O leefde papa nog; hem zou ik volgen. Kunstenares
worden, een zaal vol onverschilligen bezielen, met bloemkransen gekroond,
verdoofd door applaudissement, de hulde van vorsten en prinsen ontvangen.
Dat wil ik en geen water-en-melk-geluk, zooals u 't hier schijnt te
vinden, in dit huis!"
"Ik Zou je graag gelukkig willen zien, Alda! maar wat je geluk
noemt kan ik je niet geven. Dat geluk is gelijk aan een vergiftige vrucht,
waarnaar ik een kind zie verlangen; hoe het ook daa;rnaar de handjes
uitstrekt, 't is mijn plicht haar die vrucht te weigeren. Wat je zoo
verleIdelijk toeschijnt, Alda, is een gevaarlijke vrucht en een bittere
zelfs, hoe aanlokkelijk zij ook schijnen mag. De weg van den kunstenaar
is moeilijk, doornig
"
"Goed, maar niet eentonig en effen; dat haat ik het meest."
"Och, je weet niet, hoe doornen kunnen steken. Je arme moeder wist
het en daarom wilde zij je verre van 't tooneel laten opgroeien. Zul
je haar wensch, haar laatsten, dan niet eerbiedigen?"
"Mama kende het kunstenaarsleven ook niet. Zij had geen talent
en daarom ook geen succes, terwijl
[121:]
ik
Zeg me
ten minste, wat moet ik met mijn talent doen?"
"Je omgeving gelukkig maken en opvroolijken."
"Den slapenden grootpapa, de breiende tante Johanna, de studeerende
tante Judith?"
"En later als je een eigen huishouden hebt je man aan het huis
boeien, je kinderen leeren."
"Ajakkes, wat een echt Hollandsch huisbakken geluk! Dat gun ik
je van harte, tante Ju! Trouwen in Westveld, El Dorado der oude vrijsters.
Ach, neen, u begrijpt mij ook niet, niemand begrijpt me, ik ben een
rampzalig schepsel."
Verdwenen was zij en Judith hoorde kort daarop, hoe zij haar troost
zocht in een dolle wals van Strauss.
"Ach!" zuchtte Judith. "Hoe zal dat arme, onrustige gemoed
ooit vrede vinden! Of is de vrede niet het hoogste geluk?"