[96:] VIII.
Een maand later
zat freule Asseleyn van Arsenede in haar lievelingssalon van het huis
in het Willemspark.
Te zeggen dat zij zich hier nu zoo bijzonder amuseerde, zou een weinig
bezijden de waarheid zijn.
Leonore hield niet van buiten, en nu ligt het Willemspark juist niet
precies in het centrum van Amsterdam.
"Ik heb dit huis gekocht omdat het hier half buiten is," had
hij Leonore gezegd, "het kind zou zich niet binnen stadsmuren kunnen
wennen."
"Ik houd niet van dat halfslachtige," antwoordde Leonore,
"daarom mag ik ook geen kleine steden lijden, òf geheel
buiten, òf geheel in de stad."
In haar besliste manier van spreken, haar wijze om een oordeel of een
beginsel te verkondigen, lag zoo iets krachtigs en weldoordachts; dat
Daisy's vader er
[97:]
een waarborg in
vond voor haar vaste principes en flink karakter.
Daags vóór zijn vertrek was zij in Amsterdam gekomen en
had geduldig toegeluisterd naar de uitleggingen, welke de heer Mac Dunolly
haar gaf, waar zij het geld moest ontvangen, noodig voor haar uitgaven,
wie haar rechtskundige en wie haar finantieele raadsman zou wezen en
verder allerlei bijzonderheden ten opzichte der huishoudster en der
bedienden. Leonore trachtte geen woord te verliezen; met haar koel en
scherp verstand, wist zij zich dadelijk in alles te werken en nam met
vaste hand de teugels van het huishouden op.
"Juffrouw Van Duin, mijn huishoudster, is een respectabele dame;
zij kan uw chaperon zijn wanneer u naar, komedies of concerten gaan
wil. Of u Daisy meeneemt, is uw zaak. Ik laat dit geheel aan u over,"
had hij gezegd.
Aan alles kon Leonore zich wennen, in alles zich schikken wat tot haar
nieuwen levenskring behoorde, alleen maar niet aan het voornaamste,
aan het kind.
Daisy was niet te doorgronden; Leonore zat, met de handen over elkander
haar dikwijls aan te zien, en vroeg zich af hoe zij ooit den sleutel
tot dit wonderlijk karakter zou kunnen,vinden.
Het afscheid tusschen vader en dochter was nogal meegevallen, of liever
er was in het geheel geen afscheid tusschen hen geweest. Mac Dunolly
was uitgegaan, zoo het heette om nog eenige boodschappen te doen; Daisy
had hem niet eens hooren weggaan, maar in waarheid was hij met den nachttrein
naar Parijs en zoo verder naar Marseille vertrokken.
[98:]
Toen zij den volgenden
morgen merkte dat haar vader voorgoed heen was, zeide zij geen woord,
maar bleef uren lang zwijgend voor het raam zitten; op alle pogingen
om haar af te leiden, te laten eten of drinken, antwoordde zij niets;
eindelijk stond zij op en sprak:
"Daisy gaat naar bed."
Wat Leonore of juffrouw Van Duin ook beproefden om haar iets te laten
gebruiken, zij wees alles af; zij ging naar bed, en toen zij den volgenden
morgen aan het ontbijt verscheen, was er niets bijzonders aan haar meer
te zien.
Tegen Leonore was zij koel beleefd, meer niet; er lag eerst iets lijdelijks,
iets onverschilligs in haar geheele manier van doen na het vertrek van
haar vader.
Toen de nieuwe gouvernante haar vriendelijk naderde, en zeide, dat nu
met haar opvoeding een begin zou worden gemaakt en dat dit begin het
eerst haar uiterlijke verschijning zou betreffen, keek zij haar verbaasd
aan.
"Ik begrijp u niet," zeide zij kortaf.
"Wel, dat beteekent dat wij nu eerst voor Daisy's kleeren gaan
zorgen; wij rijden naar Hirsch en zoeken een mooi toiletje voor haar
uit."
"Waarom?" vroeg zij lusteloos.
"Om Daisy er netjes uit te laten zien zooals het een een juffrouw
Mac Dunolly past, die toch niet op een halven jongen mag gelijken."
"Och, zoo lastig mooie kleeren, daar mag men geen vlekken op maken
en geen scheuren."
"Dat spreekt, daar moet men op passen."
[99:]
"Daisy veel
liever oude kleeren aan."
"Neen, lieve Daisy, dat gaat niet. Ik zal je kast straks eens nakijken,
om te weten wat je noodig hebt."
Het kind vloog weg naar boven en Leonore begon haar inspectie van het
huis en de kasten.
Met de huishoudster had zij zich dadelijk op aangenamen voet geplaatst;
op vriendelijken maar volstrekt niet gemeenzamen toon zeide zij haar:
"Juffrouw! U is door mijnheer Mac Dunolly aangesteld om het huishouden
te besturen; u heeft het tot nu toe uitstekend gedaan. Mag ik u vriendelijk
verzoeken eenvoudig daarmede voort te gaan alsof ik er niet ben? De
zorg van het kind rust op mij en die zorg is al zwaar genoeg; u zal
wel zoo goed willen zijn mij van al het andere te ontheffen. 't Is u
zoo goed toevertrouwd."
Hierop kon de juffrouw niets zeggen; duidelijk had de freule - zoo als
zij op bevel van mijnheer door alle huisgenooten genoemd werd - hun
beider werkkring afgebakend.
Leonore ging echter alleen haar onderzoekingstocht door het huis doen
en vond alles, dank de netheid der huishoudster, behoorlijk in orde.
Aan de kamer der jongejuffrouw gekomen, vond zij de deur gesloten; zij
tikte en vroeg vriendelijk:
"Mag ik binnenkomen, Daisy?"
"Neen," was het besliste antwoord, "het heele huis kan
u doorloopen, maar in mijn kamer komt u niet."
Leonore beet zich op de lippen; zij begreep dat tegenstand verbazend
moeilijk was, want wanneer zij door geweld in de kamer drong, zou zij
alle kans op Daisy's ge
[100:]
negenheid verspelen;
er was niets van het kind te verkrijgen door dwang; men moest alles
vrijwillig van haar zien te bekomen. Leonore's plan was immers om, door
zachtheid en toegeven, invloed op het kind te winnen.
"Men vangt vogels met suiker en niet met azijn," was haar
stelregel, die bij de Waelbekes zoo doeltreffend was gebleken, en al
zou zij ook vaten suiker noodig hebben, zij was vastbesloten die aan
Daisy's opvoeding ten koste te leggen; wat kon het haar eigenlijk ook
schelen of het karakter van het kind zich ten goede of ten kwade ontwikkelde;
als zij zelf maar een dragelijk leven had.
En na zeer snel dat alles overdacht te hebben, sprak zij doodbedaard:
"'t Is goed, Daisy! Ik wist je plan niet, maar mag ik je garderobe
dan niet eens nazien?"
"Ik heb niets anders dan deze japon en een blauw zijden, die zal
ik straks aantrekken."
Juffrouw Van Duin kwam intusschen naderbij en schudde het hoofd:
"'t Zal u niets helpen, freule! Zij wil niemand in die kamer hebben;
zij draagt den sleutel om den hals. Zelf maakt zij die des morgens aan
kant - of niet aan kant; zelfs de meiden mogen er nooit in."
"Nu ik zal er ook niet op aandringen, maar ik dien toch haar kleeren
na te zien."
"Zij heeft niet het minste ondergoed en van bovenkleeren alleen
twee japonnen. Mijnheer zei altijd: dat kan wel wachten totdat de gouvernante
komt."
"Dan moet ik er toch voor zorgen. Kan je over
[101:]
een half uur klaar
zijn Daisy?" riep zij door de deur, "dan gaan wij tezamen
uit. Wil u maar het rijtuig laten voorkomen, juffrouw Van Duin?"
"Daisy wil niet uit."
"Jawel, Daisy! Ik ben er op gesteld, dat je mij eens het moois
van Amsterdam wijst."
"Gaan wij dan kleeren koopen?"
"Ja zeker, daar is Papa op gesteld!'
"Papa ziet ze toch niet." Dat klonk weer heel boos.
"Kom, ik wacht je straks."
"Ja, dat kan u begrijpen, dat ze komen zal," zeide juffrouw
Van Duin tot Leonore; maar Daisy verscheen toch iets vroeger dan den
bepaalden tijd, in een potsierlijk kostuum van hardblauwe zijde met
doffen van tarlatane, dat veel te kort was en waaruit haar beenen en
armen staken; om haar hals schitterde een prachtige rivière van
diamanten in haast oogverblindende pracht; bovendien had zij zeegroene
kousen aan en lage goudlederen dansschoentjes. Het kind zag er allerbespottelijkst
uit, maar zij scheen zichzelf heel mooi te vinden en zeide met een zegepralend
lachje:
"Ik heb toch ook een mooie japon."
Leonore deed haar uiterste best niet te glimlachen; zij zag haar hoog
ernstig aan en antwoordde:
"Zeker, Daisy! Jij bent heel mooi, weinig Amsterdamsche meisjes
hebben zulke prachtige japonnen en kostbare juweelen als u; maar hier
zijn de modes anders dan in Indië, wat men dáár mag
dragen is hier ongeschikt, en vooral men kan duidelijk zien dat deze
japon gemaakt werd, toen Daisy nog een veel kleiner meisje was."
[102:]
"Kan men dat
zien?" vroeg het kind onnoozel.
"Zeker, kijk maar eens hier! Zie je die mouwen niet, hoe kort zij
zijn, en de rok komt maar tot aan de knieën, en die juweelen draagt
men eerst als men eenige jaren ouder is."
"Ik wil ze dragen, ik wil - ik wil 't!" riep zij heftig uit
en stampte op den grond.
"Nu, thuis kan Daisy ze dragen naar hartelust, maar nu zal ik maar
alleen uitgaan en zien of ik geschikte hollandsche kleeren voor Daisy
kan koopen."
Zij zette haar hoed op, deed haar mantel om, doodbedaard en kalm, terwijl
Daisy haar oplettend in al haar bewegingen volgde. Soms wierp het kind
een blik op zichzelf en dan weer op de elegante gouvernante, maar sprak
geen woord meer.
"Nu, Daisy, tot straks!" zeide Leonore toen men haar kwam
zeggen dat het rijtuig voor was. Zij stapte in en reed weg; een paar
uren, welke Leonore in de groote magazijnen doorbracht, vlogen als zoovele
minuten om; zij koos geschikte kleeren voor het kind uit en liet ze
op zicht brengen naar de woning; ook voor haar linnengoed deed zij de
noodige bestellingen, om haar de maat te nemen en dan alles kant en
klaar te laten bezorgen.
Maar ook haar eigen garderobe vergat Leonore evenmin; zij stak zich
geheel in haar wintergoed en tastte uit ruime beurs; een genot was het
voor haar, niet meer zooals vroeger wonderen te moeten doen met een
onnoozel gering kleedgeld, zelfs schulden te maken, daar zij haar middelen
altijd overschreed, het mooiste niet te kunnen koopen, ofschoon haar
smaak daar telkens op
[103:]
viel, en zich te
moeten behelpen met akelig goedkoope Duitsche fabriekswaar.
Zij kwam thuis in de gelukkigste stemming, zeer tevreden met haar nieuw
levenslot, dat zoo schitterend begon; Mac Dunolly had haar onbepaald
krediet gegeven. Zij mocht voor het kind, voor het huis en zichzelf
koopen zooveel en zoo duur als zij het goedvond, en hoewel zij vele
inkoopen gedaan had, wenschte Leonore zichzelf geluk dat zij nog zoo
bescheiden was geweest.
Thuis vond zij alles in rep en roer; Daisy had zich aangesteld als een
bezetene; zij tierde en raasde, luidkeels om haar vader roepend, zwerend
dat zij nooit, nooit iets om die "juf" zou geven, want al
noemde men haar ook freule, zij was een juf, niets meer dan een "Juf'.
Zij wilde Papa nareizen, en de bedienden moesten de deuren sluiten om
haar het wegvluchten te beletten.
Gillend had zij toen den ketting van haar hals getrokken en de diamanten
links en rechts door de kamer verspreid, en toen, vóórdat
men haar kon tegenhouden, vloog zij op een der spiegelruiten aan en
verbrijzelde die met herhaalde slagen van haar vuist; rinkelend was
het glas gebroken en een der scherven drong in haar pols.
Op het gezicht van dat bloed was Daisy verschrikt achteruitgeweken;
de juffrouw en de meid verbonden haar wond en legden haar op de canapé;
zij liet hun willoos begaan, met gesloten oogen, doodsbleek lag zij
achterover, en slechts zenuwachtige schokken verrieden hoe zij nog onder
den indruk verkeerde van het voorge
[104:]
vallene. De blauwe
japon was intusschen van boven tot beneden met bloed bevlekt en voorgoed
bedorven.
Zoo vond Leonore het aan haar zorgen toevertrouwde pleegkind, toen zij
vroolijk en opgewekt thuiskwam.
Juffrouw Van Duin kwam haar in het voorportaal alles vertellen en zeide
hoofdschuddend:
"U weet niet wat u op zich genomen heeft, freule! Ik ben hier al
vier maanden, maar de gelijke van zoo'n kind heb ik nooit eer gezien,
en toch ik heb aan menige tafel gezeten."
Leonore vertrok geen spier van haar gelaat; ofschoon inwendig even radeloos
en besluiteloos als de juffrouw en de meiden, ofschoon niet het flauwste
vermoeden hebbend, hoe het aan te leggen om invloed op het kind te winnen,
nam zij het voorkomen aan van iemand, die zijn gedragslijn nauwkeurig
voor zich uitgeteekend ziet en die kost wat kost deze lijn zal volgen,
overtuigd dat zij eindelijk naar het doel leidt.
Zij ging naar de kamer waar men Daisy had neergelegd, en zag of het
meisje sliep; onder haar half toegeslagen wimpers bemerkte Leonore dat
zij wakker was en angstig scheen te verwachten wat er komen zoude.
Leonore deed echter niets en sprak niets; het eten werd opgediend en
zij liet het meisje vragen of zij aan tafel kwam.
"Neen," was het bitse antwoord.
Leonore at alleen met juffrouw Van Duin, en op de vraag van deze of
men het kind eten zou brengen, schudde zij van neen, dat het niet noodig
was.
Daisy lag in de naaste kamer en hoorde het opdienen
[105:]
en afhalen der
schotels en het vrij luid gevoerde gesprek tusschen haar gouvernante
en de huishoudster. Zij verwachtte dat men haar eten zou brengen maar
er kwam niets. Eindelijk hield zij het niet langer vol; zij stond op,
maakte de deur tusschen beide kamers open en kwam naar binnen.
"Wat moet dat beteekenen? De boedjangs [bedienden] hebben eten,
en ik, die hier alles te zeggen heb en aan wie dat alles toebehoort,
ik lijd honger!"
Zij zag er niets kinderlijk uit in haar met bloed bevlekt zijden kleed,
het gelaat verwrongen, de wenkbrauwen sterk gefronst, de lippen knorrig
ver vooruit gestoken, de eene hand geheel en al verbonden; het was een
afstootend gezicht en Leonore maakte bij zichzelf de opmerking, dat
dit huis een paradijs zou wezen wanneer dit kind niet de duivel er van
was.
"Dat is je eigen schuld, lieve Daisy," gaf Leonore met haar
onverstoorbare kalmte ten antwoord, "het eten staat er; wanneer
je maar de moeite wilt doen aan te zitten, dan kan je eten zooveel als
je verkiest."
Haar koude, scherpe oogen bleven onafgewend op het meisje rusten. Daisy
voelde als bij instinct dat de ander macht over haar begon te krijgen.
Zij draalde een weinig; toen ging zij zitten, nam een schaal, zag dat
er aardappelen in waren en wierp die nog vóórdat iemand
het verhinderen kon op den grond.
"Daisy wil rijst!"
De juffrouw zag Leonore verschrikt aan, maar altijd
[106:]
even onverstoorbaar
kalm, belde deze en zeide tot den binnenkomenden knecht:
"Neem die aardappelen op en breng rijst voor julfrouw Mac Dunolly."
En toen de bediende heen was, vroeg zij Daisy doodkalm:
"Vind je het niet beter, Daisy, dat een schaal met aardappelen
op tafel staat, dan op den grond ligt? Daar is toch gewoonlijk hun plaats
niet."
"Ik doe wat ik verkies."
"Best kind! Daar heb je alle recht toe, al zou je ook op tafel
willen zitten en met je handen of zelfs je voeten eten."
Daisy keek haar boos aan; de rijst werd binnengebracht en zij zeide:
"Nu eet ik werkelijk met mijn handen."
"Wel zeker, Daisy, dat doen de apen ook. Je hebt groot gelijk dat
je hun nadoet. Dat staat beter dan menschen na te apen."
En zij begon weer met juffrouw Van Duin te praten of het kind er niet
bij was.
Daisy ging voort met de vingers te eten; haar jeugdig bloed kookte,
en tersluiks keek zij haar gouvernante aan. Zou niets haar woedend kunnen
maken? Als zij eens dat stuk brood haar naar het hoofd toewierp?
Booze lust vonkelde in Daisy's oogen; twee-, driemaal hield zij het
brood vast, maar zij kwam niet verder.
Het was of zij dat koude gezicht, die dunne lippen reeds zag, zooals
die zich naar haar toe zouden keeren om te vragen:
[107:]
"Belieft u
wat, Daisy?" of iets dergelijks.
Na het eten kwamen de bestellingen aan en Leonore riep de huishoudster
om met haar alles te bespreken.
Daisy bleef in een hoek der kamer staan; met een somber gezicht alsof
niets haar aanging keek zij alles na.
Eindelijk vroeg zij barsch:
"Is dat alles van de dames of van Daisy?"
"Nog niet van de dames en nog niet van Daisy," antwoorde Leonore,
"er moet eerst op beslist worden."
"En wie moet dat beslissen?"
"'t Zal mij recht aangenaam zijn als Daisy Mac Dunolly het doen
wil, maar als zij er geen lust toe heeft dan kunnen juffrouw Van Duin
en ik het wel af."
"Maar het zijn toch Daisy haar kleeren?"
"Zeker, en daarom zal het ook 't beste wezen als Daisy zelf eens
komt zien en passen, wat ik voor haar uitgezocht heb. Dat kan niemand
beter dan zij."
Daisy deed alles wat zij kon om ondeugend en onhebbelijk te zijn, maar
intusschen begreep zij haar meesteres gevonden te hebben; zij keerde
zich om, ging naar haar kamer en vertoonde zich dien avond niet meer.
Den volgenden morgen kwam zij niet beneden en bleef maar boven; de deur
was gesloten, op al het kloppen en beuken gaf zij geen antwoord; het
was reeds tien uur in den morgen en nog kreeg men geen gewag.
Juffrouw Van Duin werd zenuwachtig en beefde over haar geheele lichaam.
"Wat kan dat kind toch uitgevoerd hebben? Zij heeft zich zeker
een ongeluk toegebracht; zij is zeker ziek, of dood, of weggeloopen!"
[108:]
Leonore, hoewel
in werkelijkheid misschien even angstig als de huishoudster, liet er
niets van blijken.
Zij klopte aan de kamerdeur en riep naar binnen:
"Daisy! Wil je zeggen of je nog leeft of dood bent, anders laat
ik den smid komen en de deur openbreken."
Geen antwoord.
"Dus zal ik het maar laten doen, Daisy, als je zelf niet bij het
slot kunt komen?"
Weer niets.
"'t Spijt me wel, er is een telegram van Papa, en nu zal het zoolang
duren vóór je het kunt lezen."
Daar kwam beweging in de kamer. Leonore hoorde dat het kind op moest
zijn; 't duurde een poos; toen beval zij:
"Geef hier dat telegram!"
"Maak de deur dan open!"
"Steek maar van onder door."
"Neen, Daisy! Dat nu niet. Ik merk wel dat je niet te ziek bent
om de deur te openen en dus kan je ook wel beneden komen. Ik ben in
de eetkamer en het telegram is bij mij."
Nog geen vijf minuten later was Daisy beneden.
Leonore wenschte haar vriendelijk goedenmorgen en reikte haar het telegram
over, dat werkelijk gekomen was.
Daisy hield het in handen, scheurde de enveloppe, staarde op den inhoud,
die grooter scheen dan van menigen brief, maar keek telkens op naar
Leonore, die rustig met een handwerk bezig was.
Eindelijk wierp zij haar het papier toe.
"Wat staat er in?"
Verbaasd keek zij haar aan.
[109:]
"Kan Daisy
dat niet lezen?"
"Lees maar!"
Leonore las bedaard het telegram vóór, dat allerlei lieve
woordjes en goede raadgevingen bevatte aan het adres van het meisje
en vooral aanbevelingen om de freule gehoorzaam te zijn en goed naar
haar te luisteren, opdat zij bij papa's terugkomst een lief, verstandig,
beschaafd meisje zou zijn.
"Dat staat er niet!" riep Daisy kwaad en rukte haar het stuk
uit de hand.
"Nu, kind, zorg eerst dat je zelf lezen kunt, dan kan je zien of
ik gelogen heb."
Zij nam den brief en liep er mede weg; boven op haar kamer gekomen,
hoorden de meiden haar hartverscheurend snikken.
Dien avond zocht zij echter juffrouw Van Duin op, en haar hoofd verbergende
in den boezelaar van het goede mensch, smeekte zij:
"Och, juffrouw, wil u mij lezen leeren?"
"Maar jongejuffrouw! Dat moet u mij niet vragen, dat is mijn werk
niet, daarvoor heeft u een gouvernante."
"Ik wil het niet van haar leeren. Ik haat haar!"
Leonore hoorde van dit verlangen en zij lachte er om; maar twee dagen
later, nadat zij haar leerling er eindelijk toe had gebracht zich anders
te kleeden, bracht zij haar voor den spiegel en vroeg:
"Ziet Daisy nu verschil tusschen dit meisje en dat van gisteren?"
Het kind antwoordde niet, maar bekeek zich aandachtig.
"En nu mag Daisy met die kleeren alles doen wat
[110:]
zij verkiest, ze
vlekken, ze scheuren, wat zij maar wil. Papa is rijk genoeg om andere
te koopen."
Verbaasd zag Daisy haar meesteres aan.
"Ja zeker, Daisy is hier immers meesteres. Juffrouw Van Duin en
ik zijn maar dienstboden, niets anders. Zij mag precies alles doen wat
zij verkiest; ik zorg alleen dat zij kleeren krijgt, dan mag zij er
later mee doen wat zij verkiest. En je haar zullen wij ook laten groeien.
. ."
"Ik knip het af."
"Dat moet je zelf weten. Ik kom er met geen schaar aan, en nu ben
ik klaar met de lessen te beginnen, als Daisy maar zegt wanneer zij
lust heeft."
Met oogen vonkelend van onmachtige. woede keek het meisje Leonore aan.
"En als ik niet wil leeren?"
"Dan laat je het eenvoudig. Des te gemakkelijker voor mij; dan
ga ik lezen, schrijven, handwerkjes maken, wandelen of rijden."
"Daarvoor wordt u niet betaald!"
"O neen, volstrekt niet! Maar wat kan ik er aan doen? Een onwillige
leerling, daar is niets mee te beginnen. Graag of niet zeg ik maar.
Als je mij niet in de gelegenheid stelt je les te geven, dan ga ik mijn
gang."
En zij nam haar handwerk op en bekommerde zich niet verder om het meisje.