[142:] XII.
Den volgenden morgen
was Daisy nog lastiger, nog onhebbelijker, nog onuitstaanbaarder als
het kon dan gisteravond. Zij liet zich van alles het eerst bedienen,
wierp de eieren, omdat zij niet naar haar smaak gekookt waren, over
de tafel, vroeg ham bij het brood, en toen haar die gebracht werd, rookvleesch
en raakte geen van beide aan.
Leonore was bleeker en zenuwachtiger dan Willem haar ooit gezien; haar
oogleden trilden en haar lippen schenen zwaar van de woorden, die zij
spreken, van de aanmerkingen, die zij maken wilde, maar met geweld terughield.
Willem zat kalm en bedaard als altijd; hij scheen doof en blind voor
Daisy; hij sprak met Leonore, die trachtte haar verstrooidheid meester
te worden en naar hem te luisteren, maar geen enkele ondeugendheid ontsnapte
hem.
Het kind bleef zelfs, nadat zij gedaan had met ont
[143:]
bijten, stijf en
strak zitten, de twee anderen aanziende met een uitdrukking, waarin
duidelijk te lezen stond:
"Ik weet dat ge mij gaarne weg zoudt kijken, maar ik blijf hier,
ik alleen heb hier rechten; als ik jelui hinder, gaat dan de kamer uit
hoe eer hoe liever!"
Eindelijk wendde Willem zich eerst tot haar en toen tot zijn zuster
met de vraag:
"Wanneer beginnen de lessen van juffrouw Mac Dunolly?"
Het kind lachte brutaal; Leonore antwoordde met door onderdrukten toorn
gedempte stem:
"Vandaag zal ik juist aan mijnheer Mac Dunolly schrijven, dat ik
hier overbodig ben, want Daisy wil geen lessen ontvangen."
"Kom Daisy - ik mag immers Daisy zeggen? - dat is je toch geen
ernst? Je wil je vader dat verdriet en jezelf dat onrecht niet aandoen
met je besten tijd te verliezen, terwijl er nog zooveel voor je in te
halen valt!"
De oogen van het kind schoten letterlijk vlammen, haar lippen zetten
zich uit en haar donker gelaat tintte zich koperrood.
"Ben je daarvoor hier gekomen, jij, krom poot, omdat zij het niet
alleen af kan, die lieve zus van jou! Ik wil haar niet tot juf hebben,
want zij is een slang, een valsche slang; nog liever gooi ik mij in
den vijver daar in het Park, dan iets van haar te leeren. Zij komt hier
alleen om lekker te eten en te drinken en in mijn coupé te rijden,
niet om mij, Diet om mij goed te doen. Ik heb 't dadelijk gezien. En
nu zij ziet dat ik niet van haar weten wil, moet haar broer komen. Maar,
[144:]
Daisy wil niets
van haar weten en ook niets van hem. Dan nog liever -!"
Zij nam een mes op en slingerde er mede of zij dat door de kamer wilde
werpen. Snel als de gedachte stortte Leonore zich op haar en ontrukte
haar het mes.
"Het kind is gek, zij moet een dwangbuis aanhebben!" riep
zij. "Juffrouw Van Duin, juffrouw Van Duin!"
En met een kracht, die men van haar fijne vingers niet verwacht zou
hebben, greep Leonore Daisy's polsen als in een schroef, en hoewel het
kind zich als een bezetene aanstelde, brieschte, spuwde, zich kromde
en kronkelde als een kleine adder, en haar handen met alle geweld wilde
loswringen, liet zij haar niet gaan.
"Willem, Willem, ga heen! 't Zal vreeselijk zijn als zij loskomt!"
riep zij haar broer toe.
En Willem stond op; tranen van onmacht glommen in zijn oogen, het was
voor hem zoo pijnlijk die twee vrouwen, beiden kinderen nog haast, daar
te zien worstelen, zonder dat hij er tusschen kon komen om ze te scheiden.
"Leonore," zeide hij met bevende stem, "laat het zoo
maar wezen. Van middag vertrekken wij beiden, Daisy heeft haar zin!
Ik kan er niet tegen, 't doet mij zoo aan; nog liever sta ik alleen
op de benting tegenover de Atjineezen, dan zoo iets werkloos te moeten
aanzien."
Hij keerde zich om, nam zijn krukken op en strompelde naar de deur;
reeds stond hij in de marmeren gang, toen Daisy zich eindelijk losgewrongen
of Leonore haar losgelaten had. Leonore riep zoo hard zij kon:
"Een ongeluk! Er gebeurt een ongeluk!"
[145:]
Zij verwachtte
niets anders dan dat Daisy weer een ontbijtmes van de tafel zou nemen
en zich daarmede op haar storten.
"Neen," herinnerde zij zich later in dat ontzettende oogenblik
gedacht te hebben, "alle mogelijke lieve meubels en mooie rijtuigen
kunnen niet opwegen tegen het gevaar met zoo'n amokmaakster in gezelschap
te zijn. We moeten weg!"
Maar tegen alle verwachting in, keek Daisy haar gouvernante niet eens
meer aan; de vuisten ballend, vloog zij de kamer uit, de gang in, waar
de arme Willem met moeite voortsukkelde. Zij draafde zonder links of
rechts te zien voort, tegen hem aan; hij gleed uit, de krukken ontsnapten,
zijn bevende handen en met een harden slag stortte hij voorover, het
hoofd op de marmeren vloersteenen.
Leonore hoorde den slag en liep naar buiten; daar zag zij haar broeder
liggen, het aangezicht tegen den grond, de krukken links en rechts verspreid
en daarnaast Daisy even onbeweeglijk als hij.
Leonore knielde bij hem neer en lichtte zijn hoofd op.
"Hij is dood, hij is dood!" jammerde zij, "en jij hebt
hem vermoord, furie, moordenares! Nu ga je paar de gevangenis, naar
het schavot!"
Zij keek het meisje niet aan, anders zou zij evenzeer geschrikt zijn
door de uitdrukking op haar gelaat als door den val van haar broer.
Het was of alle gevoelens, die door de wilde ziel van het kind geraasd
hadden in het laatste kwartier, op haar aangezicht waren versteend geraakt:
woede, triomf,
[146:]
wraakzucht, eindelijk
alles overgaande in een ontzettenden schrik; zij kon zich niet verroeren,
geen geluid geven, zij zag als verwezenloosd neer op broer en zuster
aan haar voeten, zij zag een groote blauwe plek op Willem's voorhoofd,
zij zag zijn oogen half gesloten en daartusschen het zwart der oogballen
schemeren, zij zag iets als bloedend schuim een streep teekenen op de
witte lippen, zij hoorde Leonore zenuwachtig gillen, terwijl haar handen
langs zijn gelaat wreven, maar niets kon haar uit de kramp, die al haar
ledematen bevangen had, losrukken.
Juffrouw Van Duin en de meiden schoten toe. Niemand scheen op haar te
letten; zij werd op zij geschoven, weggeduwd, alleen maar om spoediger
bij den gewonde te zijn; de knecht nam hem in zijn armen en droeg hem
in de aangrenzende kamer. Leonore snikte wanhopend en wees haar met
den vinger aan.
"Moordenares, moordenares!" viel het telkens van haar lippen,
en toen verdwenen allen achter die deur en zij stond er nog steeds onbeweeglijk,
de oogen gevestigd op de marmeren steenen, die toevallig van morgen
hun gewonen dikken looper misten, zoodat niets de hardheid van Willem's
val was komen verzachten. Eindelijk kwam er beweging in haar; zij hoorde
spreken van den dokter, spoedig het rijtuig inspannen, de knecht kwam
naar buiten, hij zag de krukken nog liggen op den grond, hij raapte
ze op en zette ze tegen den muur, vlak naast Daisy.
"Hoe is 't gekomen, juffrouw?" vroeg hij. "Is mijnheer
uitgegleden? U heeft het toch niet gedaan?"
[147:]
En nu haalde Daisy
diep adem, haar gelaat verloor zijn versteende uitdrukking en als een
zucht kwam het over haar lippen:
"ls hij dood, Anton?"
"Nog niet, maar het zal toch niet lang meer duren, denkt juffrouw
Van Duin. Ik moet den dokter halen."
De knecht haastte zich weg en met kleine stappen, het hoofd gebogen,
de oogen half gesloten, liep Daisy de gang door, totdat zij in de eetkamer
kwam, waar het door haar schuld gestoorde ontbijt de tafel nog bedekte.
De eene huivering na de andere doortrilde haar lichaam. Zij ging op
haar gewone plaats zitten en streek zich over het hoofd; het hamerde
haar daarbinnen.
"Dood, dood! Wat is dat, dood?"
En zij dacht aan een hertje, dat zij op Java van jongsaf had opgekweekt
en dat zij op zekeren morgen dood in zijn hokje had gevonden, doodgebeten
door een javaanschen vos of jakhals.
Zij herinnerde zich flauw hoe hard zij toen gehuild en dagen lang zich
als een dolle aangesteld had van droefheid; zij zag het lieve beestje
nog voor zich, dat haar steeds als een hondje naliep, dat uit haar hand
gegeten had en zoo gracieus om haar heen kon dansen en trippelen en
dat toen daar stijf lag met half geopende oogjes, juist als daar straks
mijnheer! Wat had haar toch bezield, hoe kon zij hem zoo omverloopen,
zij wist toch dat hij hulpbehoevend was en dat hij het vrije gebruik
niet meer had van zijn beenen; was dat zijn schuld, neen! Dat hadden
die leelijke Atjineezen gedaan, van wie haar vader haar wel eens verteld
had.
[148:]
Het werkte en bruiste
in haar slapende hersenen als nooit te voren, haar hart klopte wild
en woest, zij moest haar hand er op drukken, daar zij bang was dat het
breken zou; wat was er toch gebeurd, zij wist het nauwelijks meer.
In de laatste dagen was het zoo vreemd en wonderlijk daar binnen haar
geweest; een onbegrensd jagen naar vrijheid, een haat tegen de gouvernante
en tevens een besef van eigen macht, eigen waarde, die door haar verkort
werd, en het bewustzijn dat zij zoo oneindig laag stond beneden die
dienstbare.
Het was alles zóó samengekomen; zij werd hoe langer hoe
doller, zij wilde zich verzetten tegen die vreemde; een oogenblik was
't in haar opgekomen of het niet beter zou wezen rustig, kalm, gehoorzaam
te zijn zooals ieder ander.
In Artis, met die goedige juffrouw Van Duin, was het haar goed bevallen
zoo te wezen als andere menschen; niemand keek haar aan, de juffrouw
luisterde met veel belangstelling naar haar en in een goede, prettige
stemming was zij thuisgekomen, maar toen zag zij dat haar kamer ontwijd
was, dat de freule haar kinderachtige geheimpjes wist, en dit was voldoende
om haar het kwade bloed naar het hoofd te laten stijgen.
Het bedwelmde haar, maakte haar blind, doof voor alles, behalve voor
een gevoel van wraakzucht. Maar hoe zich op die freule te wreken? Gisteravond
met dat kopje, toen merkte zij wel dat het haar na aan het hart ging
haar mooie japon bedorven te zien, en nu begreep zij waar het zwakke
punt was, dat bij de koude, bedaarde hooghartige "juf" zich
kwetsbaar zou toonen.
[149:]
Iets wat haar aanging,
wat van haar was, dat moest zij bederven, breken, zooals zij oorzaak
was dat alle poppen van Daisy nu in gruizelement daar beneden lagen
in den aschbak, en toen flitste het plotseling in haar hoofd - niets
kon de "juf" meer waard zijn dan haar broer; als die een ongeluk
kreeg. . . .
Dat alles had met bliksemsnelheid door haar hoofd of liever door haar
geheele lichaam getrild, toen zij zich vrij voelde van Leonore's vingers
en - en toen was het gebeurd, het verschrikkelijke, het onherstelbare.
Het was of plotseling door dien val van Willem ook zij met een slag
tot staan was gekomen; als wilde paarden hadden haar woeste instincten
haar tot nu toe voortgesleept, en de ijzeren vuist van haar vader was
er niet om haar in te houden, en zonder dien breidel, voelde zij, stond
zij machteloos tegenover hen.
"Pa, pa!" snikte zij eensklaps hartverscheurend, "waarom
kan pa Daisy niet meer slaan? Daisy zoo stout, Daisy moet geslagen worden,
en die "juf" mag niet."
Een meid kwam binnen met bleek, verward gezicht en haastige drukke bewegingen,
om een glas water te halen.
"Jaantje," vroeg zij bevend, "hoe is 't er mee?"
Verachtelijk keek de meid haar aan.
"Zijn beenen gebroken en zijn hoofd. . ."
"Maar leeft hij, leeft hij?"
"Nu, daar zal een zware wijs op gaan dat hij blijft leven."
En de meid ging filet haar glas water de kamer uit.
"Dan gaat hij dood, dood als kantjil, mijn hertje, en ik heb het
gedaan. 't Is Daisy haar schuld!" schreide zij.
[150:]
En nu viel 't haar
in wat haar Engelsche tante haar vroeger gezegd had, dat Onze Lieve
Heer alles wist en alles kon, maar dat wij er Hem om moeten bidden,
en zij wist nog hoe de bleeke vrouw dan haar handjes vouwde en haar
oogjes sloot en haar voorsprak:
"Our Father, who art in heaven!"
Daisy had echter niet willen bidden, eerst wel, later toen 't haar verveelde
niet meer.
Maar tante was heengegaan; zij had met papa onaangenaamheden gehad over
Daisy's opvoeding. Het ware wist het kind er niet van; zij herinnerde
zich alleen dat tante hard huilde en haar omhelsde en dat op zekeren
morgen er geen tante meer te zien was; kort daarop waren zij naar Europa
gegaan, maar nu was het of Daisy aan alles tegelijk denken moest, aan
papa, aan tante en aan Onzen Lieven Heer. Als Hij alles kon dan moest
Hij dien broer van de freule genezen, en zij zou het Hem vragen. En
zij deed precies zooals tante het haar geleerd had; zij vouwde de handen
en sloot de oogen en fluisterde:
"Our Father, who art in heaven."
Verder kwam zij niet, maar de woorden borrelden haar nu uit het hart
en over de lipp,en in 't Engelsch, in het Hollandsch, in het Maleisch:
"Laat hem niet dood gaan! 't Is Daisy haar schuld, Daisy zoo stout,
maar voortaan zal Daisy zoet zijn, o zoo goed en zoo gehoorzaam, en
zij zal alle dagen bidden. Our Father, laat hem genezen! Laat hem genezen!
Ik wil geen moordenares zijn, ik wil niet!"
In de gang hoorde zij luid schreien; dat was de
[151:]
stem van de freule.
O, wat had zij een uur geleden dat een weelde, een genot gedacht, die
metalen stem te hooren klagen en huilen, en dan dooo haar schuld, en
nu vervulde het haar met bangen en beven. Zij wilde tot geen prijs tegenover
de zuster staan van den man, dien zij vermoord had, en daarom sloop
zij weg in de aangrenzende kamer en toen verder naar boven, en in haar
eigen kamer gekomen, sloot zij de deur, en daar alleen met zichzelf
begon zij zich zelf te kastijden en te straffen, maar het wilde geen
pijn doen, het liet geen sporen na, en moedeloos, snikkend als moest
haar hartje breken en schreiend of haar oogen fonteinen werden, wierp
zij zich op haar bed, sloot zich de ooren en besloot hier te blijven
en er niet uit te gaan, voordat men haar kwam halen voor het gerecht.
"Dan zullen zij Daisy zeker slaan, totdat zij niet meer loopen
kan, en dat is goed, juist goed, dat verdient zij, en als hij doodgaat,
dan moet Daisy ook sterven, maar o Vader, die in den hemel zijt, maak
hem toch beter, maak hem toch beter!"
De dokter kwam en schudde bedenkelijk het hoofd.
Het eene reeds zoo wrakke been van Willem was gekneusd en zijn knie
verstuikt; voor een gezond mensch zou deze val - afgezien van den slag
op het hoofd - niets ernstigs hebben opgeleverd, maar ten gevolge van
zijn doorgeschoten beenpeezen konden deze beleedigingen een zeer gecompliceerd
geval opleveren; het ergste was echter de door niets gestuite val op
zijn voorhoofd; de bewusteloosheid wilde eerst niet wijken, eerst na
zeer veel moeite kwam er eenig leven in zijn
[152:]
trekken; hij sloeg,
met moeite de oogen op en mompelde:
"Ik ben zoo duizelig, zoo vreeselijk duizelig!"
"Dokter, is er hoop?" vroeg Leonore, die bij het bed stond.
"We zullen hopen, juffrouw! dat er hoop mag zijn. Wij leven voorloopig
nog steeds in gedurige vrees voor hersenschudding. Zoolang die vrees
niet geweken is, kunnen wij aan het andere nog niets doen."
Hij schreef voor compressen op het voorhoofd te leggen, en beloofde
's avonds nog eens terug te keeren.
"Dokter!" vroeg Leonore vóórdat hij de kamer
uitging, "is hij vervoerbaar?"
"Wie? de patiënt? Wel juffrouw, hoe komt u er aan? Volstrekte
rust is de eenige kans op genezing."
Langzamerhand kwam hij meer tot bewustzijn, hij zag rond, en Leonore
ziende fluisterde hij met een flauw glimlachje:
"Zoo'n ongeluksvogel op een plezierreis!"
En iets later op zijn beenen wijzende:
"Zîj waren nog niet mooi genoeg; wie weet of er nu niet wat
van terechtkomt."
"Och Wiilem, ik bid je, houd je bedaard," smeekte Leonore,
"de dokter zegt, het is de eenige kans op je behoud."
"En zoo'n mooie kans zullen wij niet verliezen, hè?"
Hij dommelde telkens weer in en bleef dan uren lang onbeweeglijk liggen,
maar zacht kermend van pijn.
Eens riep hij bijna onhoorbaar:
"Prada!"
Leonore boog zich over hem en vroeg, wat hij verlangde.
[153:]
"Waar is het
kind?"
Een harde uitdrukking verkilde Leonore's trekken en zij antwoordde kortaf:
"Weet ik het? Ik heb niet meer naar haar omgezien."
"Trekt zij het zich aan?"
"Dat kan je begrijpen!"
"Leonore, 't is nu misschien juist het oogenblik. Verzuim het niet!
Wie weet wat je verliest door dwazen wrok."
"Maar Willem, wat kan mij dat vervloekte schepsel schelen, terwijl
je hier zoo ligt!"
"Ga naar haar toe, zoek haar op! Zeg haar een hartelijk woordje,
dan zal je haar misschien winnen - voorgoed."
"Dat kan ik niet, dat wil ik niet! Ik verlang haar niet meer te
zien, die duivelsmeid."
Hij sloot weer de oogen en wenkte even met de wimpers.
"O Prada, Prada! Bedenk toch - een menschenziel."
Toen de dokter's avonds kwam was hij niet ontevreden.
"Mijn hoofd is zoo hard, dokter," sprak de zieke glimlachend,
"'t heeft al zoo veel doorstaan, dat het wel tegen zoo'n kinderachtig
valletje in een gang zal kunnen."
Maar zijn been en deden hem veel pijn; die pijn deed hem kreunen en
soms in elkander krimpen.
"Hiermede zal u geen moeite hebben mij volslagen rust te commandeeren,"
schertste hij nog te midden van al zijn ellende. "'t Is die pijn,
die mij belet door Kalverstraat te slenteren."
Toen de dokter op het punt was weer in zijn coupé te stappen,
hield een kleine hand hem aan de jaspanden vast.
[154:]
"Dokter,
dokter!" zeide een zacht bevend stemmetje.
"Wie is daar?"
Juist viel het licht der lantaarns op een vaalbleek, ontdaan gezichtje,
dat ondanks de scherpe koude zonder hoed of doekje daar in de open lucht
stond.
"Bent u dat, jongejuffrouw?" vroeg hij verbaasd.
"Dokter, dokter! Is 't waar dat die mijnheer gaat sterven?"
"Wel kind! Dat is zoover niet. We zullen hopen dat hij het ongelukje
wel te boven komt."
"Zou u dat denken? Is dat mogelijk?"
"Ja, mogelijk is 't wel, maar hij heeft een geduchten stoot gehad.
Ik begrijp niet, hoe hij zoo over die steenen gevallen kan zijn. Weet
u er iets van?"
Natuurlijk wist de dokter alles; daar had Leonore wel voor gezorgd.
Het kind zag hem met de groote donkere oogen angstig aan en hij ging
voort"
"Ik kan toch niet denken dat iemand hem gestooten heeft. Dat zou
toch heel leelijk zijn. Een hulpbehoevenden, verminkten man zoo te mishandelen
is laf. Een klein kind kon het misschien doen, maar kleine kinderen
zijn er hier toch niet."
Met een angstig geschrei, haar rokje over het hoofd getrokken, sprong
Daisy eensklaps weg in de duisternis.
De dokter keek rond, zag nergens iets meer, stapte in, en reed weg;
de eigenaardige stilte, welke ziekte of dood steeds met zich brengt,
zakte op de villa neer en hulde haar in een atmosfeer van doodsch
[155:]
heid,
van angstige verwachting en stille droefheid.
Leonore verzorgde haar broer zoo goed en trouw als zij misschien niet
zou gedaan hebben, wanneer hij in andere omstandigheden ziek geworden
was; nu vond zij het hoogst interessant tegenover het dienstpersoneel
en vooral tegenover Daisy de rol te spelen van martelares, van zusterlijk
slachtoffer van haar plicht en de boosheid van haar leerling.
Juffrouw Van Duin kwam tegen negen uur haar aflossen en verzocht haar
een weinig rust te nemen.
Tegen twaalf uur zouzij haar komen roepen; de zieke scheen nu rustig,
minder dof dan hij den geheelen dag geweest was en klaagde alleen over
zijn been, dat hem nog altijd veel pijn veroorzaakte.
Na even weifelen en tegenstreven gaf Leonore toe; zij was den geheelen
dag in de weer geweest, had niets gegeten of gedronken en voelde dat
haar krachten op het punt waren haar te begeven. Zij was zulk een inspanning
volstrekt niet gewoon en teerde hoofdzakelijk op haar zenuwen. Vooral
de bittere haat die haar vervulde tegenover het "ellendige kind"
hield haar staande.
Na dus de huishoudster eenige wenken te hebben gegeven, besloot zij
iets te gebruiken en dan te trachten een paar uur te slapen.
De huiskamer was tot ziekenkamer ingericht; men had er in alle haast
een ijzeren bed opgeslagen en den zieke daarop neergelegd; om de gaslamp
was een papieren kap gespannen, ten einde het licht wat te dempen; een
sterke lucht van azijn en ether vervulde de kamer; op tafel stond een
koelvat met stukken ijs, voor de compressen,
[156:]
welke
onophoudelijk op Willem's hoofd moesten gelegd worden.
Juffrouw Van Duin ging de kamer open neer, verzette hier en daar wat
en was juist van plan bij het bed rustig te gaan zitten, toen er aan
de deur werd getikt en een der meiden haar naar buiten riep om een huishoudelijk
zaakje te bespreken.
Nauwelijks was zij de kamer uit of daar bewoog zich iets aan de zware
ripsgordijnen, die voor de ramen neervielen, en een slank figuurtje
sloop er uit; zij was in donkeren sarong en witte kabaja gekleed en
leek in dit kostuum bijna volwassen. Voorzichtig keek zij rond en schuifelde
op de teenen van haar bloote voetjes tot vlak vóór het
bed. Ademloos stond zij naar het bleekblauwe gezicht te kijken, dat
akelig vaal uitkwam tegen de witte doeken, die over zijn voorhoofd en
schedel lagen; zijn lippen trokken zich krampachtig samen van de pijn,
die zijn arme verminkte beenen hem lieten lijden; en het geheele gelaat
wrong zich samen door inwendige smart; rusteloos woelde hij met het
hoofd heen en weer en een dof en snijdend gekreun steeg uit zijn hijgende
borst.
Daisy stond het aan te zien en beet zich op de lippen om niet in snikken
uit te barsten; groote tranen rolden langs haar wangen, de een na den
ander; en was het haar versnelde ademhaling, zwaar geworden door het
onderdrukte schreien, of wel de geheime kracht van haar strak starenden
blik? Willem voelde dat er iemand voor zijn bed stond, hij opende de
oogen en keek het meisje aan.
[157:]
Haar
eerste beweging was verschrikt te vluchten, maar hij strekte de hand
uit.
"Ben jij dat, Daisy?" vroeg hij, "kom je naar mij kijken?
Dat is vriendelijk van je!"
Een steek door zijn lichaam deed hem weer ineenkrimpen. Het meisje sloeg
de handen voor het gelaat en begon hardop te snikken.
"Allah! Kassian!" hoorde hij haar zeggen.
"Zoo, heb je kassian [medelijden] met mij?" vroeg hij, "dank
je wel, Daisy! Kom, huil zoo niet! -'t Was immers een ongeluk."
"Neen, neen!" en energiek schudde zij het hoofd, "Neen,
geen ongeluk! Daisy zoo stout, Daisy een duivel, Daisy weet niet, wat
zij doet!"
"En nu spijt het je, Daisy! 't Komt er niets op aan hoor! Morgen
ben ik weer beter. Geef mij een hand, zóó! Wil je niet?"
"Is mijnheer niet boos?" kwam het er hortend en stootend uit.
"Wel neen! Als het je spijt!"
En toen knielde zij eensklaps voor het bed neer, en evenals zij deed
met haar vader, als deze haar onbarmhartig had afgestraft, drukte zij
haar gelaat op de dekens, die zijn voeten bedekten, en snikte het jammerend
uit:
"Ampoen, ampoen, ampoen!"
"Zeker, geef ik je ampoen!" zeide Willem in, het maleisch,
"maar wees nu bedaard, wees nu bedaard!"
En nog onder den indruk van alles wat er gebeurd was, begon hij zelf,
het te kwaad te krijgen; tranen
[158:]
sprongen
uit zijn oogen en hij bracht de hand naar zijn gezicht om ze af te wisschen.
"Arm mijnheertje!" klaagde Daisy, "alles Daisy haar schuld,
als mijnheer sterft, Daisy sterft ook."
"Neen kind! neen!" zeide Willem, zijn eigen aandoening beheerschend,
"kom hier dicht bij me! Hoor wat ik je te zeggen heb! Je ziet wat
je fatale drift en onbeschaafdheid kwaad veroorzaakt. Als ik sterf,
zal je dan altijd aan mij denken en - en -"
Hij kon niet voortgaan, zoo stelde Daisy zich aan; op de knieën
voor zijn bed, schokte haar klein lichaam heen en weer, met het hoofd
sloeg zij zich tegen de ijzers en beet de lakens stuk om haar huilen
te versmoren:
"U mag niet doodgaan, u mag niet," was alles wat zij kon uitbrengen.
Hij legde bedarend de hand op haar hoofd en ging voort:
"Daisy, Daisy! Maak mij niet erger! Wil je zoo gaarne dat ik beter
word? Ik geef er zelf niets om, of ja ik zou er wel om geven, als ik
daardoor invloed op je kon uitoefenen, een mensch van je maken."
Zij zag hem met haar groote, door de tranen nog veel glinsterender geworden
oogen, verbaasd aan.
"Ja kind," zeide hij ernstig, "'t is zoo treurig met
je gesteld. Ik kan je niet slaan, jij kunt alles met me doen, zelfs
mij doodmaken of ten minste zware pijn doen lijden, en ik zou je toch
zoo gaarne het goede leeren."
"Daisy zal alles doen, wat mijnheer zegt."
"Ja, voor één dag, zoolang ik ziek ben."
"Neen, altijd, als u beter is."
[159:]
"En
- en als ik niet beter word?"
Weer een beweging vol wanhoop, als had dan de geheele wereld afgedaan
voor dat jonge kind.
"Zal Daisy dan nog alles doen, wat ik zeg?"
"Ja, alles!" stamelde zij onhoorbaar.
"Zal zij mijn zuster gehoorzamen?"
Haar lippen, trilden, haar hoofd boog zich en een seconde scheen zij
in tweestrijd; toen antwoordde zij:
"Ja, dat zal Daisy!"
"Goed kind! goed! Maar ik zal niet sterven, nu ten minste nog niet,
misschien zal ik nog veel moeten lijden, maar dat is niets. Ik wil het
graag, als dat Daisy verstandiger en kalmer maakt,"
Juffrouw Van Duin was reeds sedert lang in de kamer, maar daar zij de
gedempte tonen van het gesprek hoorde, bleef zij achter het kamerschut
staan, dat het bed van de deur scheidde, en durfde in haar groote bescheidenheid
niet storen.
"Wil je mij nu een hand geven, Daisy?"
Zij legde haar kleine, ijskoude hand in de zijne en hij drukte die hartelijk,
"Och, wat ben je koud, kind! Je bent ook zoo dun gekleed. Ga je
nu naar bed en bid je dan ook voor mij?"
"Ik heb den geheelen dag gebeden," fluisterde zij.
"Our Father, who art in heaven, opdat u niet sterven mag."
"Onze Lieve Heer zal je verhooren. Geef mij nu een nachtzoen en
tot morgen."
Zij gehoorzaamde en drukte bevend haar lippen op de plek, waar Willem's
voorhoofd door haar schuld
[160:]
tegen
het marmer was aangebonsd; overmand door vermoeienis raakte hij even
weg, zijn oogen sloten zich, zijn hoofd viel een weinig op zijde.
"Juffrouw, juffrouw!" riep Daisy verschrikt, "mijnheer
doet zoo raar!"
De huishoudster was dadelijk aan het bed, legde Wilem's hoofd recht,
liet hem ether opsnuiven en hij kwam langzamerhand bij.
"ls Daisy er nog?" vroeg hij. "Kind, ga naar bed!"
"Ja, ja, zij gaat al," zeide de juffrouw en Daisy gleed onhoorbaar
achter het schutsel; daar bleef zij staan, zonder zich te verroeren,
zonder zelfs hoorbaar te ademen; zij luisterde zonder het te willen
of te bedoelen naar hetgeen de zieke met zijn oppasster sprak.
"Zij is toch wel goed, dat kind!" zeide Willem.
"Dat heb ik ook altijd gezegd, mijnheer."
"Zij wist niet wat zij deed."
De juffrouw zweeg; als zij niets goeds kon zeggen, dan zweeg zij liever,
uit voorzichtigheid misschien meer dan uit goedigheid; zij was al zoo
lang onder de menschen en dan leert men te praten en te zwijgen op zijn
tijd.
Toen weer doodsche. stilte; Daisy ging tusschen een der vouwen van het
schutsel ineengedoken zitten en trok den sarong over haar kille voetjes;
daar wilde zij blijven den heelen nacht door; maar toen bedacht zij
eensklaps wat hij gezegd had van naar bed te gaan, en nu kon zij niet
rustig meer blijven zitten, maar stond op en met een verlangenden, droevigen
blik naar het ziekbed verliet zij de kamer en zocht haar eigen bedje
op.