[122:] X.
Den volgenden avond
ontving Willem tot zijn groote verbazing een brief van zijn zuster uit
Amsterdam.
Tot nu toe had Prada hem niet verwend met haar brieven, zij maakte haar
correspondentie gewoonlijk met briefkaarten af, waarop niets anders
stond dan:
"Alles wel - het gaat uitstekend. - Ik hoop, dat gij beiden het
ook goed maakt - vele groeten!
Hierop kwamen met kleine varianten al haar briefkaarten neder, en nu
een brief, en een dikke nog wel; zoo blasé was de arme Willem
niet onder het oogpunt van afleiding om er niet gretig naar te grijpen.
Meer dan hij zichzelf bekennen wilde, was hij nieuwsgierig naar de ondervindingen
van Leonore in de vreemde stad. Nu hij zelf het groote, volle leven
niet meer kon meeleven, was het zijn grootste genoegen uit de verte
dit leven te volgen in zijn verschillende uitingen; nu de Waelbekes
echter weg waren en zijn zuster even
[123:]
eens, scheen het
of alle gemeenschap voor hem afgebroken was, of een groote hooge muur
voor zijn oogen was opgetrokken, die hem het gezicht op de levendige,
woelige wereld geheel onttrok.
Ondanks zijn beminnelijke philosophie en zijn onverstoorbaar goed humeur
kon het niet anders of deze afgeslotenheid in dit sombere jaargetijde
drukte hem zwaar neer. Otto had het zoo druk, dat hij hem weinig spreken
kon. Zijn vader werd hoe langer hoe suffiger en slaperiger. Eerst als
hij een paar glaasjes ophad, kwam er een schijn van levendigheid over
hem, maar een geregeld gesprek was toch niet vol te houden.
Ook Willem's werk vlotte niet, hij vreesde dat zijn herinneringen uitgeput
raakten, dat de frischheid van zijn geest verloren ging, omdat nieuwe
indrukken ze nooit meer kwamen opwekken; de denkbeelden lieten hem in
den steek, zelfs geen nieuwe gedachten wilden meer opkomen in zijn brein,
alles bleef daar van binnen wanhopend dof en grauw, en huiverend dacht
Willem aan het misschien nog zoo lange leven, zonder eenige kleur, zonder
eenige afwisseling, zonder eenig voorwerp van belangstelling dat voor
hem uitgespreid lag.
In deze stemming vond hem dus Leonore's brief; wanneer zij geweten had,
hoeveel goed alleen het zien der dikke enveloppe met het krachtige,
flinke handschrift op haar ongelukkigen broer maakte, wellicht zou zij
zich verwaardigd hebben hem meer te schrijven; misschien ook niet. Leed
en vreugde van anderen maakten niet den minsten indruk op haar. Willem
sympathiseerde niet met haar, vooral niet meer nadat zij Otto zoo erbarmelijk
[124:]
had behandeld;
maar zij was de eenige, die hem nog met de buitenwereld verbond, het
eenige lid zijner familie met wie nog een beetje verstandig te praten
viel, de eenige, die hem nog iets zeggen kon, wat het hooren waard was,
en met een blijde trilling in de vingers, die hij gelukkig was nog te
kunnen voelen, opende hij de enveloppe.
"Willem," stond er bovenop, "Lieve of beste" vond
Leonore een overbodig verbruik van inkt.
"Willem!
"Je vindt het zeker vreemd dat ik je schrijf - maar ik vind het
nog vreemder, vooral omdat ik weet waarom ik je ga schrijven.
"Een maand geleden had ik niet gedacht, dat het mogelijk of zelfs
denkbaar zou wezen, dat ik over zoo iets met je zou praten, en nu wend
ik mij tot je als tot mijn eenigen raadsman!
"Hoe gek, hè! Ik moet ook eens mijzelf er op bezien of het
waar is, dat ik mijn hoogwijzen, philosophischen broer om raad vraag;
dat je er "Schadenfreude" over voelen zult, begrijp ik, maar
het kan mij niet schelen, 't is dwaasheid mij te geneeren, want après
tout ben je toch maar een broer!"
"Wat zit die meid in de kneep," dacht Willem, "dat ze
het noodig oordeelt zulk een voorrede te houden tegen mij."
"Nu dan, recht op het doel af!
"Volgens mijn briefkaarten weet je zoowat alles van mijn toestand
hier. 't Gaat heel best, 't is een éénige
[125:]
betrekking, in
heel Europa en daarbuiten vind ik er geen beteren. 't is juist iets
voor mij en wat je gelieft te noemen mijn artistocratische neigingen.
Er is niets, waarover ik te klagen zou hebben, al wilde ik ook - behalve
het kind.
"O maar! Dat kind, dat kind! Zie je Willem, dat is iets niet te
beschrijven, al had ik jou pen ook. 't Is geen kind, 't is een redeloos
dier, een monster, minder dan een orang-oetang. Anders kan ik er niets
van zeggen. Er is niets van haar te maken. Ik verzeker je, wanneer ik
niet alles en alles met haar beproefd had, ik zou het je niet bekennen
die onmacht van mij. Ontzag noch liefde kan ik van haar winnen. Maar
is zij er vatbaar voor? Ik geloof het niet. Het eenige wat haar regeeren
kan is de zweep van haar vader, zijn ranselpartijes mist zij noodig.
't Is het eenige middel om met haar klaar te komen, en ik, die toen
met mijn humane begrippen zoo iets in de hoogste mate stuitend en walgelijk
vond. Natuurlijk kan ik dat middel niet toepassen, en op dat punt is
zij mijn meerdere; mijn gezicht schrijnt nog van haar krabben, op mijn
borst voel ik nog den sIag mij daarop gegeven. Nooit vergeet ik dat
gezicht, zoo'n heks, zoo'n furie, zooals zij daar op mij aanstoof.
En de oorzaak? Zij sluit zich op in haar kamer, in haar vesting; nooit
mag iemand daarin komen en ik heb toch. als de vrouw, aan wie haar opvoeding
toevertrouwd is, wel het recht in haar geheimen te dringen.
"Ik heb dus, terwijl zij uit was, haar kamer laten openen en keek
daar alles in na. Wat is nu dat groote geheim van een veertienjarig
kind? Je raadt het niet
[26:]
in tien! Een vergadering
poppen voila tout! Om die te kleeden verknipt zij haar kostumes, haar
mantels en ondergoed! Eenige hebben recht op haar liefde, een enkele
wordt door haar gehaat - en die heet - "Juf".
"Nu schijn ik iets niet in orde te hebben gebracht, tenminste zij
is er achter gekomen, dat ik haar kamer heb nagezien, en vandaar die
vreeselijke scène. Ik, die zoo gauw niet schrik of nerveus word,
ben er nog geheel ontdaan van. Nu slaapt zij, ik heb er den dokter bij
laten komen en hij heeft haar een kalmeerend drankje gegeven, misschien
wel met morphine ingespoten. Nu heb ik tenminste rust, maar wat zal
het morgen geven?
Doch Willem, ik zou het zoo dolgaarne vol willen houden; 't is zoo schandelijk
mijn onmacht te bekennen, mijn post te verlaten. En waar moet ik weer
naar toe? Ik ben zoo verwend, zoo vreeselijk verwend, nooit zal ik het
meer bij jelui kunnen uithouden, zeg mij toch wat moet ik doen?
"Je bent in Indië geweest; je kent dat volkje beter dan ik,
je weet misschien hoe er mee om te gaan.
Verbeeld je, wat zou dat een triomf zijn: t h e t a m i n g o f t h
e S h r e w, want grooter feeks heeft Shakespeare zelfs niet kunnen
scheppen. Ik bid je, schaf raad! Ik ga nu naar bed, ik kan niet meer
schrijven, mijn handen beven.
zoo! Tot morgen!"
P. S. Verbeeld je, van morgen stond de kamer van de jonge dame wijd
open, zij zat beneden, alle poppen heeft zij uit het raam gegooid, 't
is daar zoo'n desolate boel binnen als men maar denken kan! Zij zit
beneden, doodstil, mat, met behuilde oogen, weigert te eten en te drinken.
[127:]
"Ik heb de
kamer een duchtige beurt laten geven, daar kon ik nu mee voort; maar
het kind! - Willem, zeg eens iets - of nog liever, kom eens hier! Het
oude Geertje kan, terwijl je hier bent, heel goed bij den Baron blijven,
ik zal haar wel betalen, laat je in den waggon tillen en je kunt dan
blijven zitten tot Amsterdam. Ik haal je met het rijtuig af. Toe, Willem,
doe je het? Morgen? Kom, je hebt nog zoo weinig voor je eenige zus gedaan.
Telegrapheer maar "lk kom trein zooveel" en je zult het bepaald
goed bij me hebben. Mondeling kunnen wij alles zooveel beter afpraten.
"Nog iets! Geen woord aan Otto over hetgeen ik schrijf. 't Is strikt
confidentieel, aan den Baron natuurlijk niets, dat weet je wel!
"Je zusje
"PRADA."
"Och, och!
wat staat het water hoog aan de lippen! Nog Prada teekent men op den
koop toe. Zoo lief! Geen kleinigheid wat zij mij vraagt. Met mijn treurigen
nasleep op reis gaan, en naar Amsterdam nog wel. Hoe verzint zij het!
Egoïst, egoïst! O, Otto mag blij zijn dat hij den dans door
het leven met haar ontsprongen is."
Hij las den brief nog eens over.
"Lust om er eens uit te breken, eens iets anders om mij heen te
zien, genoeg! Maar, maar, maar! Ik verplaats mij zoo moeilijk. Ik kan
den ouden heer zoo bezwaarlijk alleen laten. En dan mij in andermans
zaken mengen. Zij heeft haar pannetje gekookt, laat zij het nu maar
zelf eten. Hoe kan ik nu daar iets goeds doen?"
Maar toen vroeg hij zich af, of het nu niet zelf egoïst
[128:]
van hem was op
dien noodkreet niets te antwoorden.
Zou Leonore hem dan niet kunnen verwijten dat hij oorzaak was van haar
slecht succès?
"Hoe grenzenloos lichtvaardig is dat ook toegegaan," mompelde
hij, "die oude, betooverd door haar mooie gezichtje en besliste
manier van handelen en praten, vertrouwt aan zoo'n jong schepsel huis
en kind toe en zij neemt de leiding van zoo'n onbekend wezen geheel
op zich, vraagt niemand om raad en moet reeds na een maand bekennen,
dat zij er niet tegen opgewassen is."
Hoe langer Willem er over nadacht, hoe aannemelijker en aantrekkelijker
hem Prada's voorstel leek; hij smachtte naar een verandering, naar een
kleine prikkeling in zijn leven, naar iets dat er eenige kleur aan kon
geven, dat aan zijn gedachten nieuw voedsel toevoerde, en nu kwam het
tot hem bijna in den vorm van een plicht.
"Er mankeert niets aan, zelfs niet een maskertje van zelfopoffering,"
dacht hij glimlachend, nog altijd in twijfel.
Juist kwam Otto even aanloopen en Willem zeide:
"Wat een gelukkige avond, allerlei buitenkansjes!"
In zijn leven, waarin van geen groot geluk meer sprake kon zijn, zette
hij de deur open voor elk klein genoegen, voor elken zonnestraal; hij
liet ze altijd dankbaar binnen en koesterde er zich vroolijk in.
"Verbeeld je, wat ze van mij vergen, Otto!" zeide Willem tot
zijn vriend, "zij willen mij een reis om de wereld laten maken."
"Hoe dat?"
[129:]
"Nu ja,ik
bedoel ons klein wereldje, en dat Holland en Amsterdam is de antipode
van Ankeloo."
"Naar je zuster?" vroeg Otto, met zoo'n tikje van verandering
in, de stem, als Willem maar al te goed kende.
"Ja, naar Prada, naar mijn zuster bedoel ik! Verbeeld je, zij heeft
heimwee naar mij."
"Zoo! Dat doet me plezier!"
Hij zweeg een oogenblik, en toen, na een pauze:
"Gaat het haar goed?"
"Uitstekend! Alleen zooals ik zeg, ik mankeer haar om haar geluk
volmaakt te doen zijn."
"En je gaat dan toch?"
"Vind je het geen dolheid?
"Wel neen, het zal je opklappen!"
"Nu, om je de waarheid te zeggen, ik zat er over te suffen, of
ik 't doen zou of niet, minder nog dan over de vraag, of het egoïsme
of opoffering moet genoemd worden."
"Altijd dat zelfonderzoek! Wat doet het er toe? Ga of ga niet,
zooals je hart het je ingeeft!"
"Ja, wist ik maar wat hart en verstand raden."
"Kunnen ze beide tegelijk niet hetzelfde advies geven?"
"Neen! Ik vrees dat het hart te zacht spreekt."
Weer zwegen beiden een poos; toen vroeg Otto:
"Je houdt niet veel van - van Leonore?"
"Och, wij zijn geen demonstratief volkje. Wij kiezen onze familie
ongelukkig niet, en ik verkeer in het treurige maar niet zeldzame geval
dat de familie, die toevallig de mijne is; het nooit zou geworden zijn,
had de keuze aan mij gestaan."
[130:]
"Ik begrijp
het niet van jou en je zuster! Je beiden hebt zooveel van mekaar, dat
gedecideerde, dat flinke, dat niets doen zonder het voor zichzelf te
kunnen verantwoorden."
Willem glimlachte spottend; de, brief in zijn zak brandde hem als vuur,
maar hij dacht er niet aan dien aan Otto voor te lezen.
"Dat meende je vroeger, en nu ook nog?"
"Wel zeker, mijn opinie over Leonore heeft evenmin verandering
ondergaan als - als mijn gevoel voor haar."
Hij zag naar den verlovingsring aan zijn vinger.
"En haar handelwijze tegenover jou!"
"Ik ben zeker, dat zij meende de verstandigste partij te kiezen
voor haar zelf en voor mij, en hoogst waarschijnlijk heeft zij gelijk."
"Ot, Ot! Je bent van het. hout, waarvan men de goede, beste mannen
maakt, meer dan ik. Gelukkig dat voor mij de kans verkeken is. Ik geloof
dat ik te scherp zie -"
"En te liefdeloos oordeel!" vulde Otto een weinig vinnig aan.
"Het eene komt van het andere. Liefde maakt blind en gebrek aan
liefde scherpziende."
"Tenminste als het je zuster geldt!"
"Mijn zuster is - Prada! En ik ben blij voor jou, oude jongen,
dat het je bespaard is op een goeden dag door dat p r a d a te moeten
heen zien, want dan was het gedaan met je levensgeluk en -"
"Met je achting voor haar karakter," wilde Willem nog zeggen,
maar hij hield zich in, want al kon hij
[131:]
soms in een vertrouwelijke
bui iets meer zeggen dan hij eigenlijk van plan was, hij hield er niet
van zijn aangezicht te schenden door zijn neus te bezeeren.
"Maar wij zijn afgedwaald! Wat denk je nu, ga je werkelijk naar
Amsterdam, dan zal ik je op den trein bezorgen, zooveel ik kan naar
den ouden heer komen zien, je verslag sturen van zijn doen en laten."
"Je bent een bovenste beste kerel en je maakt het mij gemakkelijk
genoeg, en ik geloof waarlijk, hoe meer ik er over nadenk, hoe meer
zin ik er in krijg."
"Hij moest eens weten," dacht Willem, "hoe ik geinviteerd
ben, daar voor blankofficier te spelen."
"Dan ga je maar! Wanneer zal het zijn?"
"Zoo spoedig mogelijk als het eenmaal gedecideerd is. Met den trein
van twaalf zooveel, dan ben ik vóór het eten in Amsterdam;
morgen heb ik tijd Geertje bij Papa te installeeren, mijn plunje te
laten inpakken, en dan gaat het de wijde wereld in. Verbeeld je, ik
nog op reis!"
"Wat zou dat? Verheug je dat er nog iemand is, die op je gaan en
komen gesteld is."
Willem trok een grimas.
"Ja, ja, dat is een voorrecht, zeker! En hoe gaat het jou? Ik ben
zoo vervuld van mijzelf en van mijn groote plannen, dat ik heelemaal
die van mijn eenigen vriend vergeet. Druk aan den winkel?"
"'t Schikt, maar wij gaan vooruit en ik werk er mij langzamerhand,
zoetjesaan in!" en na een oogenblik uit de volheid van zijn hart:
"Och Willem, daar gaat toch niets boven het leger!"
[132:]
"Ja jongen,
dat zeg ik ook. Maar we zijn er beiden kaal van afgekomen."
"Ik geloof als ik er weer voor stond, ik liet den boel den boel
en ik zocht in Atjeh een kogel."
"Om twee krukken te vinden."
"Och, het leven is zoo ellendig."
"Begin je dan ook niet langzamerhand te denken, Otto, dat dit het
eigenlijke leven niet is, maar een voorbereiding - de weg tot het doel?"
"Ja Willem, als ik jou hoor en jou zie, ja! Dan wil ik het gelooven,
maar soms - soms - dan vraag ik me af, of die hoop ook al weer niet
eens teleurstelling zal worden, zooals alles. Wat is ouderliefde voor
mij geworden? Mijn vader heeft het leven genoten, en toen het hem te
zwaar werd 't weggeworpen, en liet mij zitten voor de doornen, waarvan
hij de rozen had geplukt. Mijn moeder werkt mij tegen en bekommert zich
niet anders om mij dan om te klagen dat ik haar zoo slecht heb behandeld.
Mijn aanstaande is te verstandig, terwijl mijn ouders handelden uit
onverstand, en van beiden werd ik het slachtoffer."
"Is hun aller fout niet, Otto, dat zij hun hart te veel hechten
aan het verguldsel en voor het echte goud geen oog hadden?"
Otto drukte hem de hand.
"Willem, als ik je vreugdeloos leven zie en merk wat je daarvan
toch maakt nadat alles voor jou heeft schipbreuk geleden, dan zijn er
oog en blikken dat ik je benijd."
"Mij benijden? Waarom?"
[133:]
"Om je karakter,
je vertrouwen. Ik voel mij zoo zwak, ik had steun noodig en ik zocht
die -"
"Bij Prada, ja! Zet je gedachten af van die meid en gooi dien ring
in het vuur. Waarlijk, zij drukt je neer! Eerst als je vrij bent als
ik, kan je nog genieten van wat wij hier leven noemen - maar als dilettant."
"Ik wil niet vrij zijn, ik wil mij nog aan haar gebonden rekenen
-"
"Totdat zij mevrouw Mac Dunolly wordt!"
"Is daar kans op?"
"Ben je wijzer? De man zit in Indië."
Otto haalde geruster adem en deed een onverschillige vraag over Willem's
aanstaande reis; zij bespraken daarvan nog de bijzonderheden en na eenige
oogenblikken stond Otto op en beloofde den volgenden morgen zeer vroeg
terug te komen.