doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Thérèse Hoven: De passagiers van "De Rembrandt"
Utrecht: A.W. Bruna & Zn., 1919


[241:]

XVI. GASTEN.

Meneer en Mevrouw Bysterman staan reeds lang op de lijst der terug willende verlofgangers, doch 't is hun nog niet gelukt een plaats te vinden. De gouvernementspassagiers gaan voor.
Gelukkig is hem een hoekje ingeruimd in het reuzen-gebouw van de Bataafsche Petroleum Maatij of de Koninklijke, zooals die algemeen genoemd wordt.
Hij heeft er lang niet de positie, welke hij in Balipakkan bij dezelfde maatschappij bekleedde, maar hij kan zich ten minste voeden met zijn gezin en behoeft niet den angst te hebben van zooveel ambtenaren bij kleine maatschappijen of ondernemingen, van ontslagen te worden wegens lange afwezigheid.
Ans Hoornweg is bij ze gebleven, in 't eerst gedeeltelijk als zuinigheidsmaatregel, omdat het kostgeld, dat haar ouders voor haar betaalden, een welkom instrooisel in het uishouden was en naarmate de economische lasten, door den oorlog veroorzaakt, heviger drukken is haar inwoning een Godsend. Maar sedert die ellendige zand- en grindquaestie is de verbinding tusschen Nederland en zijn koloniën zóó slecht geworden, dat er niets meer overkomt en Ans meer de gast dan het kostkind is.
Maar de Bijsterman's houden haar toch en laten 't haar niet voelen, al zien ze zich wel eens genoodzaakt haar

[242:]

't een of ander te weigeren, omdat haar vader reeds te diep bij hen in 't krijt staat.
Arme Ans, die tijdens de heele reis gedroomd had van mooie, Europeesche toiletjes en van bont... krijgt de allereenvoudigste jurken en moet met een bouffante tevreden zijn.
Gelukkig is ze een te goed kind om er zich over te beklagen, evenmin als over de weinige pretjes, die er op haar levensprogramma staan.
EIken dag ziet ze, in 't voorbijgaan, de vele aanplakbiljetten van tooneel- en bioscoopvertooningen, muziek- en dansuitvoeringen, maar geen enkel keertje zeggen meneer of mevrouw Bysterman: "Ans, daar zullen wij nu eens naar toegaan."
Ans vindt dat ze echt Hollandsch schriel zijn geworden, al begrijpt ze ook wel zoo'n beetje, dat 't er bij hen niet aan zit.
Voor haar zeventienden verjaardag vraagt ze dan ook, al maanden vooruit, of Papa haar vijf-en-twintig gulden extra wil sturen om de familie Bijsterman en ook de jongens eens echt te fuiven.
Kassian! de jongens - oftewel haar broers. Het is wel een der bitterste teleurstellingen van haar verblijf in Holland, dat ze haar broers zoo weinig ziet.
Toen het beslist was dat zij bij de Bijsterman's in huis zou blijven, had ze verwacht dat zij er minstens vast elken om de dag gevraagd zouden worden en een doorloopende invitatie voor door de week zouden krijgen.
Maar mis hoor! Slechts een hoogst enkelen keer mochten ze komen... nu sukkelde Mevrouw wel erg met personeel.
Zoo gek toch ook! Ze hadden een heel huis, wel erg

[243:]

klein, maar toch een heel huis, in de Perponcherstraat... een leelijke straat, hoor!
En 't huis heeft nog verdiepingen ook, net een kaartenhuisje al die hokjes boven elkaar, en dat moet alles schoon gehouden worden door één baboe of dienstbode, zooals ze in Holland zeggen, en die moet nog koken ook en ook nog flanellen en zoo van de kinderen uitwasschen.
Dat kan toch niet!
Natuurlijk dat ze telkens wegloopen en als Mevrouw er dan zonder zit en alles zelf moet doen, kan ze geen gasten vragen. Ans helpt zelf ook een beetje mee, maar doordat ze den heel en dag op school is en nog al veel huiswerk heeft, is er niet veel tijd voor.
Ze eten dan ook heel eenvoudigjes, soms enkel maar snert en om twaalf uur een koude boterham met regeeringsjam of kwatta-strooisel.
En ze heeft altijd zoo'n honger, of ze wil of niet, aan de koffie moet ze altijd denken aan de heerlijke rijsttafel in Indië en aan de verrukkelijke blikjes met Hollandsch eten, dat je in Holland nooit krijgt, niet in blikjes en niet versch.
En daarom heeft ze nu eens om een extraatje gebedeld ... vijf-en-twintig gulden lijkt haar een zalige som om in eens op te fuiven. Haar eerste plan was om in de Warong-Djava te gaan rijsttafelen, maar naderhand bedacht ze dat 't voor Hein en Marius aardiger zou zijn om 't thuis te doen, dan kon ze ook nog een taart bestellen, of taartjes!
Maar, die waren zoo ellendig duur geworden, een kwartje elk en de meisjes op school vertelden dat ze vroeger maar vijf cent kostten en dan dubbel zoo groot waren als nu.

[244:]

Als 't er van af kon, zou ze haar klasse ook trakteeren!
Ze dacht er ook over om 's avonds met meneer en mevrouw Bijsterman en de broers naar een comedie of zoo te gaan en de kleine jongens een spel of een zak lekkers te geven als schadeloossteIIing.
Ze wil ook nog iets doen voor de oude mevrouw Verhoef en de meisjes, want die zijn ook erg lief voor haar en als de Bijstermans er een enkelen keer eten, dan mag ze altijd mee, gelukkIg, want ze had 't vreeselijk griezelig gevonden om alleen thuis te blijven.
Je hoort in den Haag zooveel van inbrekers en dieven dat ze 's avonds haast niet in 't donker naar boven durft gaan.
Dat 't zoo donker is in huis vindt ze afschuwelijk; dat komt ook al door den toestand!
Op haar verjaardag zou ze vragen of mevrouw haar trakteeren wou op een licht in de gang.
Dat kon er best van af.
Als nu de brief maar op tijd kwam?
En ja, hoor: drie dagen te voren wordt er een mail uitgereikt, dat was in geen weken gebeurd... en er is een aangeteekende brief voor haar bij en ze mag dien zelf halen...
Ze is heusch in geen tijd zoo gelukkig en zoo echt jong blij geweest. Wegens de afspraak neemt zij de tram; meneer en mevrouw Bijsterman willen bijna nooit, dat ze er in zit, maar 't is voor haar een pretje op zich zelf en dan heeft ze nu zoo'n haast!
Ze verheugt er zich zoo dol op om wat geld te hebben

[245:]

en eens royaal te zijn; plotseling krijgt ze een kleur en zou zichzelf, zoo dat mogelijk was, wel door elkander willen schudden.
Wat een draak is ze en wat een slechte dochter!
Ze heeft enkel en alleen aan 't geld gedacht en heelemaal niet aan den brief harer ouders, die er van zelf bij zal zijn.
En ze verlangt heusch erg naar nieuws van thuis, vooral omdat ze telkens hoopt dat er iets in zal staan van Pa's verlof.
Pa heeft er al lang recht op en allebei snakken ze er natuurlijk naar om van Balik Pappan weg te komen, en naar Holland te gaan, waar al hun kinderen nu zijn, maar 't schijnt niet te kunnen. In hun laatsten brief, maanden geleden, schreef Pa, dat er een groot tekort aan ambtenaren was, doordat de verlofgangers opgehouden werden en ook dat ze wilden wachten tot de reis weer normaal kon worden afgelegd.
't Is niet waarschijnlijk, want de toestand is eer erger dan beter geworden, maar 't zou toch kunnen, dat er in de verjarings-brieven van haar ouders iets staat over hun terugkomst en Ans neemt zich vast voor om eerst de brieven te lezen en dan pas naar 't heerlijke bankbiljet te kijken.
Dit, als straf, omdat ze er zich meer op verheugd heeft dan op de brieven.
Ja, als je ouders niet bij je zijn om op je letten en je te straffen, als het noodig is, moet je het zelf wel doen, anders word je een naar, verwend, zelfzuchtig schepsel en dat wil Ansje niet.
Gelukkig komt lijn 3 net aan, als ze op de brug van de Laan van Meerdervoort staat... en doordat ze zulke heer

[246:]

lijke gedachten heeft, is ze bij 't Postkantoor, vóór ze 't weet.
Jammer om voor dat onbewust genieten nog een dubbeltje te hebben betaald, want ofschoon ze enkele reis heeft genomen. heeft ze den conducteur de 2t/2 cents, die er over waren, laten houden. Nu ze zelf op het punt is van zoo rijk te worden, wil ze ook royaal voor anderen zijn.
Ze is ten minste van plan 't tramdubbeltje niet van haar armzalig weekgeldje af te nemen, maar van de vijf-entwintig gulden. En verbeeld je, dat 't eens meer was?
't Kon best, want in geen tijden heeft ze iets gehad.
En nu staat ze in de queue voor 't loket, zooals de arme menschen In de queue staan voor de een of andere bedeeling of voor de bons. Nog acht zijn er haar voor... nu nog zeven... nog zes...
O! dat duurt dat lang, die krijgt een goede beurt, wat een brieven... zeker voor een kantoor!
Nu komt een dikke heer... die heeft ook al verschillende documenten... af te halen... 't schiet erg langzaam op.
En wat zijn er een menschen achter haar., meest jongens en heeren met een enkele dame er tusschen.
Zij is 't eenige bakvischje, voor zoover ze kan zien. 't Is eigenlijk vervelend, ze had er zich veel meer van voorgesteld... maar straks... nog maar twee, dan is 't haar beurt en. dan... o! wat een zaligheid!
Heerlijk om 't welbekende handschrift van Pa of Ma te zien en de Indische postzegels, die ze al aan de jongens Bijsterman heeft beloofd.
Zoo! Nu staat ze zoor 't loket.
"Meneer, mag ik mijn brief?"
"Eerst teekenen, jongejuffrouw!

[247:]

"Teekenen?"
"Ja, uw naam zetten...
"O! mijn naam, waar moet ik dat doen?"
"Hier... onder aan... Zoo, dank u...
De meneer pakt 't ontvangbewijs aan.
"En mijn brief?"
Nu merkt ze pas, dat er honderde brieven en andere aangeteekende stukken liggen en dat de meneer er haar brief moet uitzoeken.
Hè! mocht zij hem maar helpen, dan ging 't zeker gauwer.
Die man heeft zeker nooit een aangeteekenden brief met geld van huis gehad... anders zou hij wel begrijpen, hoe zij popelde... en zich wat meer haasten.
Zoo - nu heeft hij er toch een uitgepikt.
Tergend langzaam leest hij; "De Jongejuffrouw A. Hoomweg."
Even flitst 't haar door 't brein, dat Pa wel Mejuffrouw op 't adres had mogen zetten, ze wordt al zeventien!
Ze heeft de hand van haar vader herkend en... nu houdt zij 't kostbare document in de hand... en terwijl zij 't angstig vast klemt, begeeft ze zich naar een lessenaar, voor 't publiek bestemd.
Eerst lezen! Dat heeft ze immers met zichzelf afgesproken, maar er zit zooveel in 't couvert, een brief van Pa, een van Ma en ook een van Non Haasterwijk, een vriendinnetje van haar uit Balik Pappan.
En dan een wit papiertje... daar zit 't zeker in.
Op eens verbeeldt ze zich dat alle menschen naar haar kijken, misschien is 't ook beter de brieven thui te lezen...
Zou ze dan toch even zien?

[248:]

[248:]

Ze ontvouwt 't onbeschreven velletje... maar er is niets in. Gek, hè! Dan ligt het dierbaar biljet, waar ze naar verlangt als naar een mensch, zeker tusschen de brieven.
Maar nee, ze kijkt en kijkt en zoekt en zoekt en keert de enveloppe binnenste buiten... maar ze vindt niets.
Dan maar even lezen...
O! wacht eens, Pa zal 't per postwissel sturen, wat is ze toch een eend!
Even doorlezen... dat komt van haar kippendrift!
"Hier staat het: "Het ingesloten bankbiljet van f 25, waar je om gevraagd hebt... Toch ingesloten!... Maar 't is er heus eh niet.
't Kan toch niet op den grond zijn gevallen. Ans zoekt, maar te vergeefs, dan roept ze den zaalknecht... die haar helpt zoeken, doch met 't zelfde negatieve resultaat.
Dan gaat ze nog eens naar 't loket ... Ongeacht de voorgeschreven volgorde, dringt ze door de wachtenden heen en begint ze met bevende stem: .Meneer, er zat niets in mijn brief en er moest toch iets in zitten ...
In 't eerst begrijpt de meneer er niets van... dan, als ze hem de zaak uitlegt, klinkt 't zakelijk: "Toen ik u den brief gaf, was die dicht. Het voorschrift luidt dat, als wij de aangeteekende stukken in ongeschonden staat aan den geadresseerde overhandigen, wij van de verantwoording af zijn."
"Wat moet ik dan doen?" vraagt Ans, half schreiend.
"Plaats maken voor wie volgt," klinkt een vreemde stem achter haar.
Nogmaals zoekt ze haar heil bij den zaal knecht die vriendelijk en geduldig, de verschillende velletjes in 't couvert

[249:]

nog eens met haar nakijkt en dan hoofdschuddend zegt 't Zit er niet in ...
"Maar, hoe kan dat nu?"
"Ik denk voor 't naast dat de censor 't er uitgenomen heeft. Als ik u was, zou ik maar stilletjes naar huis gaan...
Met een zacht lijntje bewerkt hij haar exit en dan is hij haar kwijt.
Maar 't arme kind is radeloos... en ziet alles nog eens nauwkeurig na voor den zooveelsten keer .
Geen twijfel mogelijk...
Ze zou zoo wel op de steenen kunnen gaan liggen in louter wanhoop; maar ze loopt door, een heel ander schepseltje dan zoo even...
Ze weet niet wat ze erger vindt, haar heerlijke vijfentwintig gulden te missen, waarmee zij zoo zalig veel heeft willen doen, of 't feit dat ze bestolen is.
Als ze terug komt in de Perponcherstraat en. mevrouw Bijsterman haar vriendelijk toeknikt, barst ze in smkken uit en stamelt ze: "Er is bij me ingebroken...
"Bij jou boven in je kamertje?"
"Nee, in mijn brief."
En onder luid misbaar, laat ze het ongelukkIge couvert zien.
Mevrouw Bijsterman troost haar zoo goed mogelijk, maar is 't met haar eens, dat 't allergemeenst is en samen schelden ze den onbekenden censor voor alles uit, wat maar leelijk is.
"Kunnen wij niet aan den Koning van Engeland schrijven?" vraagt Ans, als ze een beetje. een heel klein beetje ten minste, bedaard is, "'t zijn toch de Engelschen, die 't verzonnen hebben om onze brieven door den censor te laten open maken!

[250:]

"Ik geloof niet, dat je er den Koning persoonlijk voor aansprakelijk kunt stellen," meent mevrouw Bijsterman .
"Wie dan?"
"Eigrnlijk niemand. 't Is altijd onvoorzichtig om geld in een brief te sluiten. Ik begrijp het niet van je Pappa...
"Papa heeft geen schuld", bekent Ans, met een hoogroode kleur, en ze doet het heele verhaal met al haar tracteer-plannen.
Mevrouw Bijsterman is te zeer moeder en lijdt bovendien te veel onder wat Ans de Hollandsche schrielheid noemt dan dat ze niet volkomen met 't kind sympathiseert. '
Ze betreurt 't nu meer dan ooit dat de finantïeele omstandigheden haar niet toelaten Indisch royaal te zijn.
Wat zou het niet heerlijk zijn om dat kinderverdriet te stelpen door eenvoudig een Hollandsch bankbiljet van vijfetwintig gulden in de plaats te stellen van het zoekgeraakte uit Indië!
Maar zij mag het niet doen en zij kan het ook niet.
Wat zit ze niet avond aan avond de kousen van haar jongens te stoppen, enkel maar omdat ze geen geld heeft om meuwe voor ze te koopen.
Hein, die al zoo'n baas wordt, en zoo'n heertje, noemt ze minachtend: zwaar geopereerde kousen, maar hij moet ze toch dragen.
"Het spijt mij het meest voor de jongens," zegt Ans, verdrietig.
"Bedoel je mijn bengels?"
"Gedeeltelijk.... en ook mijn broers. Ik had er mij zóó dol op verheugd om ze op mijn verjaardaag ten eten te vragen."
"Dat zullen wij toch wel doen, kindje, dat beloof ik je."
"Meent u 't heusch? Is 't niet te lastig voor u?"

[251:]

maar je weet hoe duur alles is en dan de bonnenquaestie."
En mevrouw Bijsterman vertelt Ans nog eens heel nauwkeurig hoe moeilijk het is om gasten te hebben, als ze geen bons meebrengen voor aardappelen, boonen, koffie, thee, boter, melk en de rest. De tijdelijke hulpen, in den vorm van werkster of dagmeisje, brengen ook nooit kaarten of bons mee en daar de artikelen, die buiten de distributie vallen, zoo schrikbarend duur is, leeft het gezin hoofdzakelijk van regeerings artikelen.., waarvan ieder het hem toebedeelde rantsoen met gemak opeet.
"Weet u wat? Ik zal een heele week geen brood en geen aardappelen eten, dan kunt u mijn portie tusschen mijn broers verdeelen," biedt Ans, in de gulheid haars harten, aan.
"Dat is niet noodig, kindje. Ik zal 't wel zien te schipperen en ik beloof je op je verjaardag de bloemetjes nog eens buiten te zetten."
Ans is al weer een beetje getroost, maar niet heelemaal.
't Is ook zulk een geduchte tegenvaller en ze had er zich zoo razend veel van voorgesteld.
Het was zoo'n heerlijke droom van haar geworden, een luchtkasteel, waaraan zij steeds werkte en dat zij steeds verfraaide. Bovendien had ze zoo'n spijt, dat Papa's kostelijke vijf-en·twintig gulden naar de maan waren.
Ze voelt dat ze daar nooit over heen zal komen .
Maar 't gaat toch beter dan ze had gedacht, want met dezelfde mail, eenige posten later, krijgt meneer Bijsterman een brief van haar vader met een chèque, waardoor wel niet zijn geheele schuld, maar toch een groot gedeelte ervan is aangezuiverd.

[252:]

Verder blijkt er uit, dat er verschillende brieven zijn weggeraakt. In elk geval is de achterstand nu wel zóó ver ingehaald, dat mevrouw met haar plan om de drie jongens Hoornweg te vragen, durft aankomen en haar man 't met haar eens is, dat ze maar, voor eens, niet te zuinig moet zijn.
Samen verzinnen ze een menu, dat in den smaak zal vallen, waarin meneer Bijsterman, evenals de meeste heeren in den ellendigen distributietijd, een veel grooter aandeel neemt dan ooit te voren.
Lachend zegt hij dan ook: "Wie had vroeger kunnen voorspellen, dat wij over zoo iets eenvoudigs als een paar opgeschoten jongens ten eten te vragen, zoo lang zouden discussïeeren?"
"En dat is nog maar theorie," valt mevrouw in, "maar de practijk is nog veel omslachtiger. Ik zal heel wat moeten plooien en bedelen, vóór ik de noodige aardappelen- en boterbons bij elkander heb."
"En als wij nu eens gingen rijsttafelen in de Warong Djava? Dat vinden ze toch allemaal 't lekkerst."
"Zonder nog van je zelf te spreken, ja, man!"
"Nu, ik ontken niet, dat ik wel eens kan verlangen naar een smakelijk toebereid rijsttafeltje. De Hollandsche stamppot met die zoete aardappelen en een schijntje vet, beginnen wel wat te vervelen."
"En het is toch nog 't goedkoopste."
"Wie had nu ooit gedacht, dat wij ons verlof alles zoo zouden moeten uitrekenen en alles om dat ééne woord,.. goedkoop zou draaien?" zegt meneer met een zucht, dan opgeruimd: "Kom, we moesten 't Voor eens maar verge-

[253:]

>ten. .. en buitenshuis dineeren, 't is voor jou toch ook veel gemakkelijker."
"'t Is een groote verleiding,.. 't dagmeisje, dat drie weken lang heusch nog al heeft voldaan, zoodat mevrouw moed begon te krijgen, heeft op een ochtend laten zeggen dat ze niet meer kwam... omdat ze open wintervoeten had.
Heel treurig voor 't meisje, maar nog treunger voor mevrouw die er al weer zonder zit.
En dan, behalve al het werk in huis, de slaapkamers doen, voor 't eten zorgen, enz, enz. enz. nog een, feestmaaltijd oor acht personen te moeten klaarmaken 't is wel wat veel gevergd voor iemand, die als mevrouw Bijserman, in Indië zoo is verwend door een gemakkelijk leven, veel bedienden en een ruime beurs.
De jongens komen al vóór de koffie en doen de huisvrouw aan de wraatzuchtige witte mieren denken, die alles, wat er maar in hun bereik valt, schoon opeten.
Als ze altijd zooveel verorberen, hebben ze er geen eer van, want ze zien er alle drie even mager en slecht uit, met ingevallen kaken en holle oogen.
Ze genieten van 't kerry-schoteltje, dat mevrouw Bijsterman heeft gemaakt en ze verwerken boterhammen met kaas en kwatta-strooisel, alsof 't niets was.
's Avonds dito dito,. zelfs de bedienende djongos in het restaurant schijnen verwonderd over zulk een eetlust.
Plotseling schijnt Piet, de oudste, er iets van te snappen.. ten minste hij staakt zijn voedering en zegt,dan verlegen.
"God! Mevrouw, u moet het ons niet kwalijk nemen, dat wij zoo onbescheiden veel eten, maar om u de waarheid te zeggen; wij zijn absoluut uitgehongerd, In geen maanden

[254:]

ontvingen wij een remise van Pa... en ons crediet is al lang op. 't Is niet om te klagen, want nu er weer een mail aan is, zal er voor ons ook wel wat komen, maar heusch, in den laatsten tijd hebben we bijna uitsluitend van onze broodkaart geleefd met de boonen en erwten van onze bons. Dat is nog 't goedkoopste...
"Stumpers... en wie kookt er voor jelui?1"
"O! dat doen wij zelf," licht Kees, de jongste, toe "om beurten in de ploerterij van de jongelui, die in 't zelfde geval verkeeren. U moest onze kamers eens zien. Al onze persoonlijke eigendommen, die maar eenigszins waarde hadden, zijn naar oom Jan verhuisd, onze plunje dito, dito...
"En leenen kun-je niet," vertelt Wim, "want ze zijn er allemaal even beroerd aan toe. De Indische studs krijgen geen toelage en den Hollandschen jongens wordt zuinigheid en nog eens zuinigheid ingeprent."
"Dus hebben jelui je wel erg beholpen?"
"Vreeselijk!" klinkt het gezamenlijk en hartgrondig van de drie broers.
't Schijnt hun een verlichting er over te hebben gepraat, ten minste Piet zegt: "Wij zijn betoel geen van drieën ooit verkwistend geweest. We weten drommels goed dat Pa geen Suikerlord of geen Raad van Indië is of een rijke tabakker, maar een eenvoudig employé ... We hebben in 't minst geen grootheids-waanzin, daar hebben Pa en Ma ons veel te eerlijk voor opgevoed, maar zooals de laatste zes maanden voor ons geweest zijn! Dat was bar! Wij hebben ons heusch van elk genot gespeend, hebben zelfs nooit een borrel gedronken. Wij hebben nu, met ons drieën, maar één klein zitkamertje en één slaaphokje,

[255:]

waar net plaats is voor onze bedden, vlak naast elkaar ...
"Wasschen jelui je dan niet?" vraagt Ans, verschrikt.
"Ja, zeker, zusje. Wij hebben één waschstel, dat we om beurten gebruiken, de kom staat onder een der bedden en de kan in een hoek. Daarom konden wij je niet weer eens vragen, zooals vroeger; weet je wel 't eerste jaar!"
"Nou ... en of! Ik heb nog nooit in mijn leven zooveel en zulke lekkere taartjes gegeten, als toen ik bij jullie op visite mocht komen."
"Maar 't zat er in den laatsten tijd niet aan," zucht Wim.
"En nu dat we er toch over praten, Ansje, moeten wij je nog onze excuses aanbieden, dat wij je nooit eens een cadeautje gaven of een pretje bezorgden, maar wij konden amper onze bekken... O! pardon... onze monden, open houden...
"En ik dacht nog al, dat studenten zulke fuif-types waren," zegt Ans, trotsch op haar weten .
"In den laatsten tijd alles behalve," verzekert Piet, "en dat als je vader in Indië zit. Wij hooren het van alle jongelui."
"'t Zal nu wel beter gaan," meent meneer Bijsterman.
"In elk geval zijn we u en mevrouw ontzettend dankbaar voor dezen goddelijken dag. 't Klinkt wel wat prozaïsch, maar u weet niet wat 't is om weer eens genoeg te eten en al die heerlijke dingen te proeven."
"'t Was zalig," bëaamt Kees: "we waren dan ook letterlijk uitgehongerd."


vorige pagina | inhoud | volgende pagina