[216:] XXIV. [= 25]
- Dien avond toen Louise den slaap maar niet vattten kon, sloop zij
naar de kamer van haar oudste dochter.
Haar hoofd roesde van zoovele dingen, de troostelooze woorden van Jona
galmden in haar na, - dan had zij nog van andere akelige dingen gehoord,
schandelijke flirtations van meisjes uit hun kring, een echtbreukgeschiedenis,
die door scheiding zou worden gevolgd, veroorzaakt door een der kennissen
van Agnes.
Haar ziel schrikte terug voor zooveel onreins en het diepst trof haar
de koele manier van Agnes om de zaak op te nemen.
- Och, en zij schokschouderde philosophisch, - c' est pire qu'un crime,
une sottise. Ik begrijp niet, dat men zoo oliedom kan zijn.
- Ça promet! lachte haar verloofde, en hun luchtige, mondaine
wijsheid deed haar zeer.
Zij trad geruischloos bij Mia binnen, 't lichtje voor het Mariabeeld
glansde flauw over het witte bedje. Daar lag zij in diepen slaap, vredig
en kalm, de lange blonde vlecht over den schouder geslagen, de lelievingers
ineengestrengeld op het dek - zoo rein, zoo blank als de witte kanten
om haar hals en polsen. Regelmatig verhief zich en daalde haar adem,
trillend onder het smettelooze kleed, - een glimlach gaf leven aan haar
kinderlijke trekken, vol ongerepte, zoete onschuld. 't Was bijna eerbiedig
dat zij het jonkvrouwelijke rustbed naderde.
Haar kind zoo mooi, zoo teer in haar rust! Al het
[218:]
kwade, het slechte, het gore van de wereld was haar vreemd, al het
afschuwelijke, waarvan zijzelf ondanks haar leeftijd en ondervinding
instinctmatig gruwde, scheen zoo ver van het slapende meisje, wier lippen
zich in gebed hadden gesloten, wier oogen op niets wilden rusten, dan
op wat goed en heilig was. - Geen man zou ooit haar aanraken met wulpsch
gebaar, geen wilde passie haar ontheiligen - zoo maagdelijk rein zou
zij blijven tot op haar doodsbed.
Zij stelde zich Mia voor door hooge muren afgesloten van de woelige,
rustelooze wereld, van al haar laagheden en onreinheid, steeds vervuld
van hooge, mooie gedachten - tot nu toe had zij een klooster slechts
beschouwd als een toevluchtspIaats van arme, gewonde, liefdezieke vrouwen,
die er vergetelheid zochten voor haar smart, maar haar eigen dochter
had nooit aardsche liefde gekend, nooit door iets anders geleden dan
misschien door haar en zij smachtte naar den stillen Carmel, zooals
anderen jagen naar wereldsch geluk, glans en goed.
Voor 't eerst overkwam haar een stille huivering, voelde zij iets als
de nabijheid van iets groots, iets onbekends, iets dat buiten de waarneming
van haar verstand, haar zinnen lag. Even begreep zij heel vaag en onbestemd
iets van die macht, waartegen men zich vergeefs verzet, die men verwenschen,
vloeken kan, maar toch moet gehoorzamen.
In al de jaren tusschen menschen van zulk geheel ander geestesleven
doorgebracht, had zij het verschil niet zoo diep, zoo intens gevoeld,
- haar kind, weggeroepen van haar zijde, tot een leven van offer en
boete, door wien, zij wist het nu, door den Man, die daar hing aan het
kruis, die eeuwen geleden den dood der misdadigers was gestorven en
nu nog zulk een geheimzinnige toovermacht uitoefende juist op de besten,
de reinsten, de edelsten... En dat kind, haar oudste dochter, was bestemd
om heen te gaan, alle geluk, alle mooiheid van het leven te vertrappen,
in dienst van een Ideaal, dat zij valsch wist, maar voor haar lieveling
het hoogste ter wereld was, een leven te leiden, armer dan van de armsten
der
[219:]
armen, vrijwillig heette het, maar nu voelde zij het in gehoorzaamheid,
in onderwerping - en toch glImlachte zij in haar slaap, toch scheen
zij zoo kalm en gelukkig...
De tranen stroomden uit haar oogen, zij beefde over geheel haar lichaam
- zij voelde zich overwonnen. Had een keizer het niet stervend uitgeroepen:
- Gij hebt overwonnen, GalIieër!
Moest zij dat ook bekennen? Reeds zoovele offers had zij gebracht, nu
ook dit? ~t Wreedste, het zwaarste! Zij wIlde nog strijden, zich verzetten
zoo lang zij kon, maar reeds bij voorbaat, voelde zij haar nederlaag.
Mia behoorde haar niet meer, had haar nooit toebehoord, de Gekruiste
van zoovele eeuwen geleden, wiens bestaan zij zelf betwijfelde, aan
wiens wondermacht zij niet geloofdt, wenkte haar, - vroeg of laat zou
zij haar moeten laten gaan, waarheen Hij haar riep.
Wat hielpen haar tranen, haar verzet, haar spot en haat, - even weinig
als de tranen van de Duroy s toen de dood hun Lucy opeischte. Zij stond
aan d' overkant, zij bleef hier alleen met haar smart, haar verbittering,
haar onmacht - zij strekte haar armen uit, en omhelsde slechts lucht
- een wolk. Haar dochter was door den steeds breeder stroom gescheiden
van haar liefde, zij ontsnapte haar geheel, zij kon haar niet volgen.
Zoo stond zij haar snikken smorend, de handen gewrongen voor het rustbed
van haar kind, dat rustig voort bleef slapen en glimlachen in ~en slaap.
Een arm voelde zij om haar hals geslagen, een kus op haar voorhoofd
gedrukt en langzaam voerde Alfred haar naar buiten. Op haar kamer barstte
zij in onbedaarlijk weenen uit, het hoofd tegen zijn borst gedrukt.
- O Alfred, - Alfred - 't helpt alles niets, zij wil zij moet weg -
wij staan er machteloos tegen - ik begrijp het met, zal het nooit begrijpen,
maar 't is zoo - 't kan niet anders.
- Wiesje-lief! houd je bedaard! Morgen spreken wij nader - ga nu rusten
- niets heeft haast. Zij denken
[220:]
in Amsterdam ook al dat zij 't niet zal volhouden. - Zij komt terug
na een proef.
- Neen, hoofdschudde Louise, neen - zij gaat heen, waar Hij haar roept
- er helpt niets aan - niets. - Hij trekt immers alles tot zich 't beste
- edelste -'t beste! - Hij overwint! - Laat haar gaan!