II. [12:]
Bruno lag in het gras, languit, achter in den boomgaard. 't Was zoo
lekker onder de kerseboomen, de vruchten piepten zoo vriendelijk tusschen
het groen en de blauwe lucht, koepelde zich helder over hem; hij had
twee boeken bij zich, - Hello, L'Homme en een geschiedenis der Hervorming
door een geleerden predikant van vaders richting.
Hij las echter met, hij dacht na of liever hij droomde doezelig, de
oogen gesloten; hij zag zich als kleine jongen in den hoogen lindeboom,
daar op de grens van moestuin en boomgaard geklauterd, na de een of
andere ondeugende streek - Vader stond er onder, zijn stok in de hand
tevergeefs hem sommeerend naar beneden te komen - hij bleef er een halven
dag en eerst toen moeder hem huilend smeekte en vergiffenis beloofde,
kwam hij uit zijn schuilhoek - Vader had hem wel genade toegezegd, maar
toch kreeg hij zijn pak slaag, een woordbreuk, die hij nu nog zijn vader
als grief toerekende.
Tusschen hen was nooit veel sympathie verspild. Uit den vroolijken wel
wat pedanten Dirk Wegers, die de mooie Mita Elspeet had weten te winnen,
was een zeer ijverige, degelijke, zelfgenoegzame, vooral heerschzuchtige
man gegroeid.
In zijn jeugd zeer liberaal, was hij in den loop der jaren en misschien
onder den invloed zijner gemeente tamelijk ver naar rechts gezwenkt.
Bepaald modern was hij niet meer, zonder echter steil orthodox te zijn.
Hij preekte goed, zijn redevoeringen waren keurig gestyleerd, mooi van
bouw. Aan gemeentewerk deed hij veel; vroeger
[13:]
stond zijn vrouw hem bij, nadat haar huisgezin zich vermeerderd had
en tevens zijn eischen voor comfort gestegen waren, kon zij armenzorg
er niet meer bij waarnemen.
Bovendien was Varenberg een rijk dorp met armen, licht te tellen. De
inkomsten waren ruim en dit had Dominé wel noodig, sedert het
failliet van zijn broer in een Overijselsch stadje hem zijn persoonlijk
fortuin grootendeels had ontnomen. Ook schreef Dominé veel, zijn
artikelen hadden in geleerde kringen wel succes, evenals de lezingen,
die hij in vele steden hield. Hij was een man onberispelijk van gedrag,
een waardig voorganger zijner gemeente, een goed, hoewel niet altijd
even beminnelijk huisvader.
Met zijn vrouw had hij een zwak voor den oudsten zoon. Reeds als kind
was Bruno mooi, lief, aanhankelijk met buien van wildheid afgewisseld
door vreemde droomerij.
Bruno moest nog lachen om zijn dwaze grillen van toen. Kort na die boomepisode,
zag hij zich dwalen door de bosschen rondom Varenberg -- hij kon toen
acht of negen jaar geweest zijn - met maar een gedachte, een doel, hij
wilde de wereld intrekken om de heilige Graal te veroveren.
Een duitsche juffrouw, zuster of nicht van een der dorpsgrooten schwärmte
met het aardige "Pfarrerssöhnlein".
Zij woonde bij haar familie in, op een kamer vol heerlijke dingen -
dacht Bruno - bloemen, platen, boeken, beeldjes, hij raakte nooit uitgekeken.
Zijn liefste uren waren, als hij bij Fräulein op visite mocht,
komèn; zij verstond de kunst het woelige baasje stil te houden
- zij moest altijd vertellen van al het vreemde en mooie op haar kamer,
in haar half Duitsch, half Hollandsch. Daar zag hij het eerst een kruisbeeld,
dat zij, trouwe evangelische, op haar schoorsteen had, en vrome voorstellingen
uit de Dusseldorfsche school.
Hij werd het luisteren nooit moe, maar zijn lievelingslegende was van
de Graal uit de middeleeuwsche Parcifalsage. Zoo heerlijk te hooren
van de avonturen van den edelen ridder, die uittrok om het kostbare
kleinood te zoeken.
[14:]
Aan vader vroeg hij of men nog niet wist waar het te vinden.
Dominé was toen nog niet zoo ernstig en streng formalistisch,
hij legde zijn zoontje grondig uit dat de Graal niets was dan een zinnebeeld,
van deugd of godsdienstzin.
Bruno herinnerde het zich niet goed meer, - voor hem was en bleef de
Graal de gouden kelk van het H. Avondmaal, waarin Christus' bloed was
verborgen en die de kracht bezat alle menschen goed en heilig te maken,
- en hij verlangde zoo zeer braaf te worden en geen straf meer te krijgen,
want nu deed hij altijd alles wat Paatje zoo verkeerd vond en dat was
toevallig juist zoo prettig. - Dus trok hij uit op een mooien lentezondag
om den Graalburcht te vinden; ergens diep in het bosch moest hij zeker
zijn.
Lang liep hij voort door stille lanen, waarover laag de groene takken
zich bogen, hij drong door kreupelbosch en struikgewas altijd verder,
hij scheurde zich de kleeren en schramde zich de handen, hij kroop over
het zachte mos der paadjes, waarover zeefde de goudglans der zonnestralen.
Soms voelde hij zich moe en moedeloos, honger en dorst lieten zich voelen,
de boterhammen, door hem medegenomen, waren sinds lang gegeten, zijn
gezonde eetlust, geprikkeld door de boschlucht deed hem verlangen naar
meer, met wilde bessen stilde hij zijn dorst. Hij wist zich wanhopend
verdwaald maar nog verflauwde niet zijn moed, verkilde niet zijn brandend
verlangen naar de heilige Graal, het zoete onzegbare mysterie.
Hij sleepte zich voort, tranen biggelend langs zijn wangen, zich voelend
een zwakke, kleme Parcifal maar des te grooter dacht hij zich de overwinning.'
Daar nam het bosch een einde, bij een open plek door hooge boomen omringd,
een ranke toren, waarboven een kruis bloeide en vonkelde - in zijn verbeelding
zag hij een groot, mdrukwekkend, machtig tooverslot, in werkelijkheid,
een eenvoudig dorpskerkje.
Wijd opende zich de deur en een bron van licht anders dan van de zonnestralen
verblindde zijn oogen; hij stond voor een half donkere ruimte en in
mystieke verte blonk,
[15:]
stralend tusschen goud en purper, en bloemen, op een troon dacht hem,
te midden van fonkellicht en stralenglans, hoog en stil - de geheimzinnige
Kelk - hij hoorde zingen, orgelen - dat waren engelenstemmen - nooit
meende hij, had hij iets gehoord zoo zoet, zoo teer - ja, er was geen
vergissing mogelijk. Hij had ze gevonden de heilige Graal, hij was in
den geheimzinnigen Graalburcht getreden, daar, tusschen goud en licht
in wondere glorie was het Heilige hem verschenen - hij bleef voor de
trappen knielen, tot hij niets meer hoorde of zag. - Was hij bewusteloos
of ingeslapen van moeheid?
De kerkgangers, die heengingen toen het Lof uit was, vonden het slapende
kind; de koster droeg hem in de pastorie en de pastoorsmeid nam hem
liefderijk op, gaf hem eten en drinken - toen vertelde hij wie hij was
en vroeg of hij de Graal mocht zien - men begreep hem niet. De koster
bracht hem in het wagentje van den pastoor terug naar Varenberg, naar
zijn ongeruste ouders - zijn geheim bewaarde hij in het diepst van zijn
hart als iets zeer liefs en heiligs - nu was hij te klein om den kostbaren
schat te veroveren, maar later als hij groot zou zijn -later.
En als onwillekeurig keerden zijn gedachten weer naar Amsterdam, naar
het mooie huis op de Heerengracht der van Bernes; het was daar zoo rustig,
stil in de hooge tuinkamer, uitzicht gevend op den tuin met veel groen
en veel schaduwen de groote treurwilg in den hoek, waaronder tante Pia
voor de theetafel zat, en oom Gerard rookend zijn krant las, soms vloe:kendop
het fransche bandieten-gouvernement dat het gestolen geld der Congregatiën
overliet aan brassende en gokkende fielten, en onder den naam van vrijheid
de grootste tyrannie uitoefende.
- Opknoopen moest men de haaien, maar de grootste schuld ligt aan de
lamlendigheid van de katholieken. Bah! water- en melkras. Ik zag de
heele ellende aankomen sinds jaren. - Zij moesten...
- Drink je kopje thee, suste tante Pia, een zoutebol er bij? - neen
- neen, niet het heele trommeltje. De kinderen moeten ook wat hebben
- jij lijkt ook wel zoo'n haai.
[16:]
"De kinderen" waren hij, George, Lucy, Mia - allerliefst
in haar witte blouses, tennissend op het perk of bloemen tot bouquetten
schikkend - heel anders dan zijn zusters dacht hij - als Mia een lelie
was en Lucy een orchidée, waren Jo en Annie frissche, grove boerenrozen.
Mia, slank, blond en blank, beloofde een tweede Pia te worden, aan wie
zij innig gehecht was, zoo kalm, bedaard, gelijkmatig. Lucy - want zoo
werd zij bij verkorting genoemd voor Lucretia (den mooien naam door
haar moeder uitgezocht, misschien zeiden spotters, omdat zij zelf niets
van een Lucretia had - dus wist de nieuwe moeder niet beter dan den
naam zoo spoedig en zoo diep mogelijk te doen vergeten -), daarentegen
druk, dartel, plagend, kweelend, een tjilpend vogellijn, dorstend naar
levensvreugd, naar glans, hcht, genot soms wat ernstig haast droevig,
maar dan weer met iets dat angstig maakte, in de groote schitteroogen,
in het zilveren tintelen van den lach.
- Dan kwam er iets zorgelijks in Pia's helderen blik.
Zij denkt aan Lucy's moeder, flitste het Bruno door den geest - o neen!
en onwillekeurig zong zijn hart.
Du bist wie eine Blume
So schön, so hold, so rein.
De geesten van het verleden waren verbannen voor goed, de vrome, tweede
moeder Elisabath had ze bezworen, niets bleef in haar dan de goede aard
van haar edelen vader. Zij was niet zoo regelmatig mooi als Mia met
haar fijnen tint van witte gardenia en zuiver madonnaprofiel, waarlangs
de gescheiden haren à la Botticelli zoo zedig neervloeiden -
maar toch zoo aantrekkelyk, zoo boeiend met de rosgouden in duizend
krulletjes losspattende lokjes, en de warme huidkleur, waartegen zoo
geestig afstaken de gitzwarte wenkbrauwen en de lange wimpers, de donkere
oogen zoo zacht omsluierend, - zwart leek het dat zij waren, maar eigenlijk
diep blauwen altijd lachten zij mee met het frissche mondje. O, die
heerlijke uren in den grooten, koelen stadstuin! hij kwam er dikwijls,
en als hij er niet was, dan bleven er zijn gedachten na.
Vader moest het eens weten hoe thuis hij zich voelde
[17:]
bij die roomschen en dat hij geen uur langer meer in Amsterdam kon
blijven, nu oom Gerard vacantie nam om met vrienden een voettochtje
te maken door den Eiffel en tante Pia ging logeeren bij de Duroy's.
Mia was weer naar Den Haag terug en Lucy zou een zeetochtje maken op
het jacht van haar oom en tante Walter.
Tante Pia vond het maar half goed, dacht Bruno, maar Lucy juichte van
zalige verrukking; haar grootmoeder Erlenburg had er op gestaan dat
zij 't aanbod niet afsloeg.
Die vreesde dat haar kleinkinderen te eenzijdig werden opgevoed; na
het logeeren bij oom en tante van Berne zou dit tochtje het evenwicht
herstellen. - Oom Gerard was er knorrig over.
- Wat doet dat kind in die jodenboel, pruttelde hij.
- Foei oom, plaagde zij, niet zoo anti-semitisch, dat staat niets mooi.
't Zijn zulke goeie, lieve menschen - en zij pakte hem beet en fluisterde
hem toe, ik ben zoo dol op oom Leo of oom Levi veel meer dan op u. .
. gelooft u dat?
- Laat me los! bromde hij, je bent ons stijve lui dadelijk vergeten
in die gezellige jool en pretpan.
- Natuurlijk, ik vergeet ze allen, ik kom geëngageerd terug met
een Mozesje of Salomonnetje.
- Dat moest eens gebeuren. . .
Pia zag haar broer bezorgd, onderzoekend aan; in den laatsten tijd,
meende zij, was er iets in hem gekomen, dat zij niet kende en tot Lucy
zeide zij een beetje streng:
- Jij lacht ook over de ernstigste dingen.
- Noemt u dat ernstig? Kijk toch zoo gewichtig niet, tantetje, dan lijkt
u precies oudtante Cécile.
Cécile was Pia's stokoude tante, die ondanks haar meer dan tachtig
jaren altijd even kwiek en vlug van de kerk naar haar armenvereenigingen
draafde. . .
- Bru. . u . . no, riep een der zusjes, koffie drinken, dan neemt Paatje
je mee op pastoreel bezoek.
Bruno stond op, zuchtte, sloeg zich de grassprieten van de kleeren,
pikte zich een paar kersen van de boomen, verborg Hello in zijn jas
en met de Hervorming onder den arm, drentelde hij langzaam naar huis.